De transraciale persoonlijkheid van Nola Hatterman

‘Ik ben misschien blank, maar een blanke?’

Al voor de oorlog verkondigde de kunstenares Nola Hatterman, van wie nu werk hangt op de Suriname-tentoonstelling van het Stedelijk in Amsterdam, dat ze was geboren in het verkeerde lichaam. Dat betrof evenwel niet haar sekse, maar haar huidskleur.

Nola met Surinaamse hoofddoek © Privécollectie

Het gebeurde op vrijdag 2 oktober 2020. Covid-19 begon zich weer stevig te roeren in Nederland, zeker in Amsterdam: de aangezegde ‘tweede golf’. Ik liep over de Albert Cuypmarkt, zoals zo vaak, want die ligt op de route van mijn huis naar zowat alles. Een goede maand geleden waren hier mondkapjes nog verplicht, maar nu, terwijl het aantal covidbesmettingen pijlsnel steeg, liepen de mensen weer met blote gezichten. Wij marktkopers hoopten dat de buitenlucht flink zou desinfecteren.

En ineens liep ik Nola Hatterman tegemoet. Dat was nogal wat. Door het boek van Ellen de Vries, Nola: Portret van een eigenzinnig kunstenares, en een aantal artikelen van De Vries over Hatterman, ben ik redelijk geïnformeerd over haar leven, en zeker over haar dood. De Nederlands-Surinaamse kunstenares stierf op 8 mei 1984 als gevolg van een desastreus auto-ongeluk in Suriname. Ze was op slag dood.

Maar 36 jaar later zag ik haar lopen, levensecht. Lange, magere gestalte, grote Afro-pruik op het hoofd, het gezicht etnisch wit maar behoorlijk gebruind en gemaquilleerd, zich voortbewegend op hoog aangesloten zwarte laarzen en in een kort jurkje van leer of latex – zo lang durfde ik ook weer niet te kijken. Ze baarde opzien, zo samen met een vriendin, die ook een pruik droeg en die nog eens vijftien centimeter langer was dan deze ‘nieuwe Nola’. Het tweetal zorgde in het multiculturele, multi-etnische Amsterdam – waar de mensen zich graag voorhouden dat ze wel wat gewend zijn – voor tweede blikken, omgedraaide nekken en gezichten vol ongeloof.

Ik weet dat Nola Hatterman, die zich in 1953 definitief in Suriname vestigde, zo ook weleens in de straten van Paramaribo werd gesignaleerd. Ik citeer De Vries: ‘Op het moment dat Afro-kapsels in de mode waren, kocht Nola een Afro-pruik. Ze paradeerde er parmantig mee door Paramaribo. Niet iedereen vond haar uitdossing even geslaagd. Nola’s gezicht betrok bij opmerkingen dat het een exotisch gezicht was: een blanke met een pruik op. Ze verklaarde: “Ik ben misschien blank – hoewel ik na al die jaren tropenzon toch wel flink bruin geworden ben – maar een blanke? Nee (…) een ‘blanke’ associeer je naar mijn gevoel met een bepaalde mentaliteit en die is mij vreemd!”’

Vooral het uitroepteken moest alle twijfel wegnemen.

Het is overigens niet vergezocht om te veronderstellen dat Nola, zou ze nog leven, het nu zeker over ‘wit’ zou hebben gehad en niet over ‘blank’. Zij vereenzelvigde zich met Afro-Surinamers, was een geharnast tegenstander van elke vorm van kolonialisme en zag zeker geen meerwaarde in een blanke huidskleur. Eerder het tegendeel: ze verafgoodde de bruin- en de zwarttint.

Nog een citaat van De Vries, nu gaat het over het marrondorp Brokopondo, zo’n honderd kilometer ten zuiden van Paramaribo, waar Nola uiteindelijk verkoos te leven. Een dorpeling vertelt over Nola’s verschijning: ‘Destijds, ik was 27 of 28 jaar, vonden we het gewoon.’

Hoe onmogelijk ook, het was buitengewoon opportuun dat Nola’s verschijning zich aan mij voordeed, 36 jaar na haar verscheiden. In haar tijd mocht Nola, met haar hang naar het zwart-Caribische, voor een rariteit doorgaan, zeker in Nederland waar ze de eerste 53 jaar van haar leven sleet, inmiddels wordt die voorkeur vaker gesignaleerd en niet meteen afgedaan als een dwaasheid. Er zijn genoeg ‘witte’ mensen – ik hou nu even de hedendaagse termen aan – die zich voluit associëren met zwart en bruin, zowel in Nederland als daarbuiten. De diepgaande identificatie van Nola met ‘de Neger’ en ‘zwart’ in het algemeen ging veel verder dan een gevoel van verwantschap en familiariteit. Want Nola was op jonge leeftijd al ‘helemaal enthousiast over die bruine jongens en meisjes’ die ze leerde kennen via haar vader, een boekhouder die werkte voor een Nederlandsch-Indisch handelshuis. Die ‘bruine jongens en meisjes’ moeten ook bij haar over de vloer zijn gekomen, in haar ouderlijk huis. En dat alles in het Nederland met een minimale gekleurde bevolking – de kolonies niet meegerekend.

Veel later blikte Nola vanuit Suriname terug op haar Nederlandse leven en memoreerde ze ook het mislukken van haar liefdesrelatie met Arie Jansma, kunstenaar, communist en verzetsman tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het einde van die verhouding moet zich hebben afgespeeld rond het begin van de jaren vijftig, vlak voordat zij naar het Caribisch gebied zou vertrekken. Hatterman had er achteraf wel een verklaring voor: ‘Arie was blank, en omdat ik van binnen steeds meer een neger werd, was het op een gegeven moment een gemengde relatie geworden, met alle problemen van dien.’ Het is van een ijzeren consequentie: zij werd ‘steeds meer een neger’ en dus werd de relatie raciaal ‘gemengd’ en gaf dat problemen. Je kunt dat hilarisch noemen, of misschien zelfs getuigend van zekere wanen, maar haar diepe ernst was onloochenbaar. Van diezelfde geliefde Arie maakte ze ook de tekening Arie als Surinamer, waarop de blanke Nederlander kroezig haar kreeg, aangezette lippen en ‘negroïde’ gezichtstrekken.

Dit moet haar gedroomde Arie zijn geweest.

Nola Hatterman, David Cornelis Artist/Arbeider, 1939. Olieverf op doek, 70 x 60 cm. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam © Erven Hatterman: de familie Baag

Het weerzien met Nola Hatterman in het hier en nu is ook zo gepast omdat er de laatste jaren zoveel te doen is geweest om wat ik maar even samenvat als ‘trans-discussies’. Daarin hebben de transseksuelen het voortouw genomen. In een paar jaar tijd is niet alleen in Nederland, maar ook in grote delen van de rest van de wereld het idee dat mensen in een verkeerd lichaam zitten ‘opgesloten’ gemeengoed geworden. Jonge vrouwen en meisjes die eindelijk de jongen of man worden (en omgekeerd) die ze voor hun idee altijd al waren: het zijn niet langer de grote uitzonderingen, ze heten niet langer ‘bizar’, het gebeurt ook op het platteland en kan op de warme aandacht en steun rekenen van onder meer de Evangelische Omroep. Dertig jaar geleden was dit ondenkbaar. Ik weet het, want ik leefde ook al dertig jaar geleden.

De diepgaande identificatie van Nola met ‘de Neger’ en ‘zwart’ in het algemeen ging veel verder dan een gevoel van verwantschap en familiariteit

In de slipstream van de aandacht voor transseksualiteit, waarbij een persoon door (medische) ingrepen ook daadwerkelijk van geslacht verandert, kwamen er discussies los over transgenderisme. Schrijver Maxim Februari maakt in zijn boek De maakbare man: Notities over transseksualiteit het verschil duidelijk tussen transseksuelen (degenen bij wie de ‘m’ in het paspoort verandert in ‘v’ of omgekeerd) en de mensen die zich niet willen beperken in hun genderrol; daar zijn maar twee smaken te vergeven, vrouwelijk of mannelijk, en dat is voor de transgenders van nu veel te weinig.

Er bestaat, ook internationaal, begripsverwarring over ‘transseksueel’ en ‘transgender’: beide begrippen worden in de literatuur vaak als synoniem gebruikt. Ik zal er hier niet op ingaan. Maar het idee dat gender een veel vloeibaarder begrip is, veel individueler dan de standaard tweedeling in mannelijk en vrouwelijk suggereert, is de laatste tijd al bijna een slagzin geworden.

Alle verschillende trans-discussies ten spijt lijkt één thema een anathema. Dat van de transracialiteit. De persoon die blank of wit is geboren, maar zich ten enenmale gekleurd of zwart weet. Ook nu is en blijft ‘het zwarte ik’ van Nola Hatterman een heikel punt. Ik begin voorzichtigheidshalve niet eens aan de discussie over de wens van ‘zwart’ om voor ‘wit’ door te willen gaan. Want daar zit, terecht of niet, een idee van zelfhaat en anti-zwartheid aan vastgeklonken, die doorklinkt in de geschiedenis van Afro-Amerikanen who passed for white: raciaal gemengde, licht gekleurde Amerikanen die in het openbaar voor ‘wit’ konden doorgaan, om zo aan raciale discriminatie te ontsnappen.

Passing for white geldt inmiddels in Afro-Amerikaanse kringen als iets beschamends, zeker nu de historische noodzaak grotendeels verdwenen is. Maar ook passing for black, zoals we Nola Hattermans levensmotto kunnen samenvatten, is zeker niet onomstreden. Ik kom daar later op terug.

Toen ik even wat langer keek, die dag in oktober op de Albert Cuypmarkt, zag ik dat het twee witte travestieten waren (m) die zich als vrouw hadden uitgedost en zo over de markt schreden als lag er een verhoogd plankier. Maar de zwarte identificatie van die ene travestiet met Afro-pruik was onmiskenbaar. Ook hier probeerde iemand de kleurgrens te overschrijden, en niet richting white privilege, zoals het tegenwoordig heet, maar juist de andere kant op, de Afro-kant.

Het opzienbarende van Hatterman, zeker in haar tijd, is niet alleen haar uitgesproken verlangen naar ‘zwartheid’, maar ook de steeds groeiende zekerheid, die je onder meer aan haar correspondentie kunt aflezen, dat ze ‘zwart’ was geworden.

Hattermans fascinatie voor het ‘Negervraagstuk’ heeft ook altijd een politieke dimensie gekend. Via de eerder genoemde geliefde Arie Jansma leerde zij de Surinaamse schrijver en antikoloniale activist Anton de Kom kennen, auteur van Wij slaven van Suriname. Ook de zwarte communist en hoofdredacteur van The Negro Worker Otto Huiswoud behoorde tot haar vriendengroep. Lang voor de Tweede Wereldoorlog verkeerde Hatterman in antikapitalistische, antikoloniale kringen. Hoewel zij zelf nooit officieel lid werd van de communistische partij, kende ze het milieu uitstekend en maakte ze zich al vroeg sterk, niet alleen voor ‘internationale solidariteit’, maar ook voor ‘interraciale solidariteit’. Het politieke en het persoonlijke engagement moeten in die tijd al moeiteloos in elkaar zijn overgelopen.

Bepaald origineel is Hatterman wanneer zij beschrijft hoe zij zich wil inzetten voor iedereen die zich in de ‘gekwetste zônes’ bevindt – of het nu gaat om klasse, ras, sekse of religie. Het is alsof we hier een eerste hartenkreet horen van wat veel later, vanaf begin jaren negentig, bekend zal worden als ‘intersectionaliteit’ of ‘kruispuntdenken’: het idee dat ‘maatschappelijke ongelijkheid zich voordoet langs verschillende assen, die elkaar snijden’. Maar bij Hatterman verklaart de politiek nooit volledig haar persoonlijke vereenzelviging met de zwarte cultuur. Vergelijk het met Rosey Pool, een joods-Amsterdamse literator en voordrachtkunstenaar die zich sterk maakte voor ‘Negro poetry and literature’. Zij werd vlak na de oorlog een harstvriendin en bondgenoot van Hatterman, samen kregen ze de naam te opereren als blanke, ‘vrijwillige ambassadrices van het zwarte ras’.

Maar Rosey Pool vermeldde nadrukkelijk dat haar eigen politieke lot tijdens de oorlog – de verplichte jodenster, haar verzetsverleden, haar onderduikperiode – haar nog scherper bewust maakte van het stigma van zwarten wereldwijd. ‘Door die ster heb ik geleerd zwart te denken.’ Haar joodse levensverhaal vormde de bron voor haar ‘interraciale solidariteit’.

Hatterman hoefde niet ‘zwart te leren denken’, Hatterman realiseerde zich steeds meer dat haar ‘ik’ al zwart was en gaandeweg steeds minder samenviel met de huidskleur waarmee ze werd geboren. In die zin verkondigde Hatterman toen al het inmiddels klassiek geworden ‘transseksuele’ verhaal: geboren in het verkeerde lichaam, niet vanwege haar sekse, maar vanwege haar huidskleur. Er bestaat voor die gezindheid (of moeten we toch zeggen: geaardheid?) een term die schoorvoetend steeds meer ingang vindt: transracialiteit.

De vader zegt tegen zijn kinderen: ‘Papa is geboren in een verkeerd lichaam.’ Boer Tjalling is tot de ontdekking gekomen dat hij weliswaar geboren is als een blanke, Friese zoon, maar eigenlijk toebehoort aan een Zaïrese stam. Zijn psychiater concludeert na enkele sessies dat hier geen sprake is van een ‘transseksuele’ maar van een ‘transraciale overgang’. Boer Tjalling ondergaat een pigmentkuur, een neus- en lipvergroting en zal vervolgens als een zwarte Afrikaan door het leven gaan. Midden jaren negentig is deze mockumentary van Arjan Ederveen te zien op de Nederlandse tv: een satire op het beproefde documentaire genre en op reality tv. Het is voor zover ik kan nagaan de eerste keer dat er in Nederland gesproken wordt over transracialiteit, zij het in de hilarische setting van de nep-documentaire. De betrokkenen zijn acteurs, het ‘verhaal’ is van a tot z gescript.

Maar twintig jaar later, in juni 2015 is het bittere ernst. In de Verenigde Staten ontstaat ophef rond een Afro-Amerikaanse docente in Spokane, Washington, die ook voorzitter is van de plaatselijke afdeling van de National Association for the Advancement of Colored People (naacp). Haar officiële naam is Rachel Dolezal. Haar zelfgekozen naam luidt Nkechi Amara Diallo. Het probleem? Zij gaat door het leven als een Afro-Amerikaanse, maar haar ouders verzekeren de media: ‘She was born white.’ Een witte Amerikaanse die zich uitgeeft voor ‘zwart’ en die jarenlang werd gezien als een steunpilaar van de lokale Afro-Amerikaanse gemeenschap. Ze doceerde ‘Africana studies’ aan Eastern Washington University en deed in het verleden aangifte van een ‘race related hate crime’, als Afro-Amerikaanse dus.

Nola, een bakra-vrouw? ‘Ieder die Nola kende wist dat ze deel was van Suriname. Daar was niets gemaakts aan’

Op de ‘ontmaskering’ van Rachel Dolezal volgen heftige discussies in het hele land. Ze wordt gedwongen terug te treden als bestuurslid van de naacp en verliest ook haar universitaire baan. Er vallen harde woorden over ‘raciale fraude’ en ‘culturele toe-eigening’, maar er zijn ook mensen die menen dat een witte Amerikaanse als Dolezal ‘can identify as black’ en dat er daarom geen sprake is van bewust bedrog. Plotseling is het begrip ‘transracialiteit’ gemunt en vormt het een serieus gespreksthema.

Voor alle duidelijkheid: het verhaal van Nola Hatterman is maar zeer ten dele vergelijkbaar met dat van Dolezal. Hatterman heeft nooit gesuggereerd dat zij geboren zou zijn als zwarte baby, ze heeft, anders dan Dolezal, ook geen zwarte ouder of voorouders uit een niet-bestaande kast getrokken. Hatterman leefde haar tweestrijd in alle openlijkheid uit, als blanke Nederlandse vrouw die zich zwart voelde en die naar eigen zeggen beschikte over een ‘zwarte mentaliteit’. We kunnen dat gerust vertalen met black consciousness.

De vraag blijft: hoe geloofwaardig is die ‘transraciale conditie’? Precies die vraag wilde de Amerikaanse filosofe Rebecca Tuvel behandelen. Voor het feministische tijdschrift Hypatia schreef zij in 2017 een artikel met de titel ‘In Defense of Transracialism’. Daarin maakt Tuvel een vergelijking tussen twee kwesties. In de maand april van 2015 presenteerde Caitlyn Jenner zich publiekelijk als een trans-vrouw. Deze voormalige olympische kampioen, die als William Bruce Jenner (m) nationale bekendheid had gekregen en later ook als tv-ster, werd allerwege luid toegejuicht vanwege haar coming-out als trans-vrouw. Een maand later, in mei 2015, kwam de kwestie van Rachel Dolezal aan het licht, waarbij de reacties op z’n zachtst gezegd zeer gemengd waren en er een publiekelijke vernedering volgde.

Rebecca Tuvel, docente filosofie aan Rhodes College, Memphis, zet in haar artikel deze twee ‘cases’ naast elkaar – ook omdat ze zich in dezelfde periode afspeelden. Haar conclusie: ‘Since we should accept transgender individual’s decisions to change sexes, we should also accept transracial individual’s decisions to change races.’ Vrij vertaald: wanneer we de gendertransitie serieus nemen als individuele keuze, zou dat ook moeten gelden voor de transraciale transitie. Ook nu ontstond er een rel: een meerderheid van de redactie van Hypatia distantieerde zich achteraf van Tuvels artikel, waarna voor- en tegenstanders zich roerden, zowel binnen de feministische beweging als binnen de academische wereld. Wat je er ook van kunt zeggen: het verdedigen van transracialisme is zeker geen gelopen race.

Nola Hatterman, Na fesie (De toekomst), 1953. Olieverf op doek, 97 x 120 cm. Collectie Delano de Vries. Foto: Ellis Doeven © Erven Hatterman: de familie Baag

Terugblikkend, met de wijsheid van nu, valt des te meer de weergaloze moed van Nola Hatterman op. Men stelle zich voor: een blanke vrouw die zich ruim voor de Tweede Wereldoorlog al engageert met de ‘Negerstrijd’ en zich in haar onderwerpkeuze als schilder toelegt op het zwarte portret, het zwarte lichaam. Daarna de daadwerkelijke verhuizing naar Suriname, als middelbare vrouw (!): de tekenlessen die ze daar geeft, de Nieuwe School voor Beeldende Kunst die ze opricht, de jonge Surinaamse kunstenaars die ze onder haar hoede neemt en vooruit helpt, de diepe invloed die ze heeft gehad op de wereld van de Surinaamse beeldende en visuele kunst, vanaf het midden van de jaren vijftig.

Hatterman maakte niet alleen de ‘individuele keuze’ om zich zwart te voelen, ze handelde daar ook naar, en meer nog: ze werd door veel Surinamers ook als zodanig geaccepteerd.

Ik citeer nog eens uit het portret dat Ellen de Vries schreef over Nola. ‘Yvonne Raveles, de vrouw van Dobru (Surinaams dichter – sts) die ook met Nola bevriend was, reageerde verbaasd als men over Nola sprak als die bakra-vrouw: “Voor mij was ze een Surinaamse.” Daarmee bevestigt ze de uitspraak van Jules Sedney (Surinaams politicus – sts): “Ieder die Nola kende wist dat ze deel was van Suriname. Daar was niets gemaakts aan.”’

Er waren ook tegengeluiden, zeker toen Hatterman in 1978 de Surinaamse onderscheiding Ridder in de Ere-Orde van de Palm mocht ontvangen voor haar verdiensten voor de beeldende kunst in Suriname. Ik geef daar één voorbeeld van (er zijn er meerdere): Jules Chin A Foeng (1944-1983), Surinaams kunstenaar en docent beeldende kunst, stelde vast dat het een ‘grove miskenning’ was te beweren dat er voor de komst van bepaalde buitenlanders naar Suriname ‘niets bestond op het gebied van de visuele kunsten’.

De Vries concludeert niet onterecht dat Chin A Foeng met ‘bepaalde buitenlanders’ Nola Hatterman bedoeld moet hebben. Maar wat opvalt is dat zijn kritiek niet gericht is op Nola’s huidskleur, maar op haar land van herkomst. In zijn ogen is Nola wel degelijk een bakra (Hollander) – zo goed als trouwens iedere Surinaamse Nederlander dat zou zijn geweest, van welke kleur dan ook. Het vertelt eerder iets over de beperkte speelruimte van een groot land met een relatief kleine bevolking, waar iedereen elkaar kent en waar de competitie al snel zeer persoonlijke trekken krijgt. Surinamers spreken wel over de ‘krabbenmentaliteit’, wat ongeveer wil zeggen: als ik het niet kan hebben, mag jij het ook niet hebben.

Een van de eigenaardigheden van Suriname is dat elk kleurverschil er weliswaar ogenblikkelijk gezien en benoemd wordt, maar dat die discussie nooit loopt langs lijnen van ‘zwart’ en ‘wit’. De bevolkingssamenstelling is te multi-etnisch, te veelzijdig, om iemand op grond van huidskleur buiten te kunnen sluiten. Noem het een weldadig, onbedoeld gevolg van het Nederlandse koloniale beleid met zijn verleden van slavenhandel en de ‘import’ van Chinezen, Indiërs, Javanen, Buru’s en anderen naar het land.

Geen wilde gok: de transraciale Hatterman had bijvoorbeeld in de VS niet kunnen gedijen zoals in Suriname. Ze had haar tijd en haar zelfgekozen land mee. Vergeet ook niet: net nadat Nola er arriveerde werd Suriname in 1954 dankzij het Statuut een ‘autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden’. De oude, witte, koloniale bovenklasse was grotendeels al verdwenen en Suriname werd een land waar gekleurde mensen, van zeer licht tot donker, het voor het zeggen hadden. De zwart-wittegenstelling was en is niet allesbepalend in het land.

Maar dit blijft: willen we Nola Hatterman en de onwaarschijnlijke dapperheid die ze aan de dag legde begrijpen, dan is het nodig haar transracialisme met terugwerkende kracht te erkennen. Haar bijna blinde gedrevenheid kan ik maar uit één kracht verklaren, dezelfde waarmee homoseksuelen een eeuw geleden hun anders-zijn onderstreepten. Zie de voorvechter van de homo-emancipatie Magnus Hirschfeld. Zie het derde geslacht. Zie de emancipatiebeweging die volgde in de decennia nadien. Zonder een idee over transracialisme en de erkenning daarvan loopt elke studie naar Nola Hatterman het risico de clou te missen.


Dit is een bewerkte voorpublicatie uit Nola Hatterman. Geen kunst zonder kunnen, bundel onder redactie van Ellen de Vries, dat volgende week verschijnt bij uitgeverij Waanders & De Kunst