‘ik ben net een voddenraper’

De opvallendste genomineerde voor de Libris-prijs was zonder twijfel Abdelkader Benali. Hij wordt alom geroemd om zijn on-Nederlandse, bonte manier van vertellen. Een gesprek met een jonge Marokkaan die de Nederlandse literatuur nieuw leven inblaast.
ZE KIJKEN kieskeurig naar de carpaccio op hun bord, Abdelkader Benali en zijn vriend Mohammed. Is dit geen varkensvlees? We zitten aan een voorbeeldig gedekte tafel, het tafelkleed is nog smetteloos wit, de kaarsen in de grote vijfarmige kandelaar zijn net aangestoken en het voorgerecht is opgediend. Het diner in Park Plaza dat aan de uitreiking van de Libris-prijs voorafgaat, kan beginnen. ‘Wij zijn brave islamieten’, zeggen Benali en zijn vriend, en nemen een slok wijn. ‘Alcohol mag niet, maar twee glaasjes wel’, grapt de een. ‘Toen God de mensen schiep, was hij dronken’, reageert de ander. ‘Ach, als ik dit glas aan mijn lippen zet, wordt de wijn water’, citeert Benali Rushdie.

Abdelkader Benali zit aan tafel als een man van de wereld. Hij praat over Rushdie met zijn tafeldame Monika van Paemel, staat ontspannen een radiojournalist te woord en kijkt naar ‘de grote jongens’: Hugo Claus, A.F.Th. van der Heijden en Margriet de Moor. Het is opeens heel snel met hem gegaan: vorig jaar debuteerde de twintigjarige Marokkaanse schrijver met Bruiloft aan zee, de critici merkten zijn boek nauwelijks op, toen werd hij genomineerd voor de Libris-prijs en heette zijn roman het beste debuut van 1996, en nu buitelen de media over hem heen. 'Een roman die zindert van de vertellust’, schrijft het juryrapport over het 'gedenkwaardige’ debuut. 'Benali vertelt op het breukvlak van twee culturen en verrijkt de Nederlandse taal met humorvolle vondsten.’
Het verhaal van Bruiloft aan zee is snel verteld: Lamarat Minar keert met zijn familie terug naar zijn geboortestreek waar het huwelijk voltrokken zal worden tussen zijn zus Rebekka en zijn oom Mosa. Op de vooravond van de bruiloft komt Lamarat er achter dat zijn oom het hazepad heeft gekozen; hij moet van zijn vader de deserterende bruidegom opsporen. Hij wordt daarbij geholpen door de taxichauffeur Chalid, komt in de Spaanse kroonkolonie Mililliaar terecht en plukt zijn oom uit de lokale hoerenkast. De bruiloft en de ontmaagding vinden alsnog plaats, maar het bloed vloeit op een ongebruikelijke manier.
Maar het gaat in het debuut van Benali niet zozeer om het verhaal, het gaat om de slingerende, heen en weer springende manier van vertellen. Om het snoer van verhalen dat door het 'grote’ verhaal is geregen en om de uitbundige stijl. Je hebt het idee dat Benali grinnikend achter de tekstverwerker heeft gezeten. Alles probeert hij uit: hij smeedt nieuwe woorden, goochelt met rijmpjes, liedjes en bestaande zegswijzen, gebruikt nu eens platte spreektaal en dan weer verheven vergelijkingen ('het dorpje lag ingeklemd tussen de dij van een suikerbroodberg en de vulva van een vochtige zee’). Sommige zinnen zijn een halve pagina lang, soms ontbreekt de interpunctie helemaal. Het is dan alsof je het gerebbel van de personages over je heen krijgt. Sprookjesachtig en idyllisch is het boek, maar Benali schopt ook met sardonisch genoegen tegen heilige Marokkaanse huisjes.
EEN PAAR DAGEN voor de prijsuitreiking spreken wij elkaar in Benali’s Leidse studentenkamer. Benali praat zoals hij schrijft: met sneltreinvaart, van enthousiasme bijna struikelend over zijn woorden. Hij kwam naar Nederland toen hij vier jaar was; in 1979 liet zijn vader, een slager, zijn gezin overkomen naar Rotterdam. Thuis spreken ze Berbers, mooi Berbers, zegt Benali daar nadrukkelijk bij. Hij werd niet opgevoed met boeken, zijn ouders lezen niet. Maar er was thuis wel taalmagie, zijn ouders drijven op woorden, maken de hele dag grappen en kwinkslagen. 'Ik ben opgegroeid in meerstemmigheid’, zegt Benali. 'Ik kom uit een familie van negen man en altijd was er wel ruis in huis. De tv stond aan, de radio, de telefoon ging, alles liep door elkaar heen. M'n vader sprak, m'n moeder probeerde tegenwicht te geven, dan was er weer m'n zus die wat nodig had en dan was ik er weer. In die continue taalstrijd kon je alleen maar domineren door op het juiste moment de juiste dingen te zeggen, dus je moest heel scherp zijn. Ik was vaak heel scherp, ik had er ook heel veel genoegen in om me erin te mengen.’
Rebekka, de zus van Lamarat in Bruiloft aan zee, wordt 'de babbelbox’ genoemd. Als je Benali over zijn familie hoort vertellen, ben je geneigd te denken dat al zijn broertjes en zusjes in haar zijn samengebald. Benali: 'Dat is waar. In één mens zitten al die stemmen. Een goed boek is voor mij ook zo'n babbelbox. Ik hou van de polyfone roman, van iemand als Rushdie die maar door en door en door gaat en alles en nog wat in zijn boek stopt. Maar je kan niet alleen maar aan écriture autmatique doen, je kan niet alleen maar de taal achterna gaan zoals Joyce doet in Finnegan’s Wake. De taal is mijn drijfveer, daarna komt het verhaal.’
Benali schreef zijn debuut thuis, bij zijn ouders, in de herrie. Hij zonderde zich zoveel mogelijk af en slingerde de ene na de andere inval op papier. 'Op een gegeven moment zat ik aan het boek vast’, vertelt hij. 'Ik moest een boek gaan schrijven, ik wilde het ook heel graag, ik heb allerlei pogingen ondernomen die mislukten. Toen werd ik op een dag in oktober wakker in een droom. Ik had gedroomd dat ik op een bruiloft was en dat in de loop van de drie dagen, want zo lang duurt een traditionele bruiloft, alle mensen verdwenen waren en dat ik de enige was die het opmerkte. Ik bleef alleen achter tussen de koude lamskoppen en vette saus. Ik dacht: hier moet je naartoe schrijven, maar het lukte nog niet.
Ik had daarvoor aan schrijfwedstrijden meegedaan en steeds gewonnen. Ik kreeg een contract van Vassallucci en was erg ingenomen met het schrijverschap dat me in de schoot was geworpen. Op een gegeven moment had ik door dat ik mezelf een beetje in de maling nam. Toen ik dat losliet, kon ik het ware schrijven zien.
Ik was toen Middernachtskinderen van Rushdie aan het lezen, dat boek is een braakneiging van taal en ik schreef zelf ook in een roes. Ik heb iets van zes versies geschreven. Vijf waren onzin, die waren heel slecht. Pas in de zesde versie kwam Chalid de taxichauffeur het boek in. Hoe hij het boek in kwam? Zomaar, ineens. Opeens schreef ik de zinnen: “Lamarat Minar was geen bewoner van de landstreek Iwojen. Dit in tegenstelling tot Chalid met de bruine tanden en omgedraaide achteruitkijkspiegel, de bestuurder van de witte Mercedes-taxi die uit hoofde van zijn beroep elke heuvelrug, elke kam en elk dwarsdal in Iwojen kende.” Je kreeg meteen spanning. Wat is die tegenstelling dan? En wie is Chalid? Hij is gewoon een taxichauffeur, iemand die beweegt, hij komt op plekken terecht, moet mensen halen en brengen en ziet van alles.’
CHALID HOUDT heel erg van geheimen en vooral van het doorvertellen van geheimen; roddel is voor hem het mooiste wonder dat er is. Bruiloft aan zee is dan ook als een soort roddelboek te typeren - alle grote en kleine verhalen die worden verteld, zijn lichtelijk ironische verhalen over mensen uit de landstreek.
Benali knikt instemmend: 'Het wordt toch pas echt leuk als iemand reflecteert op een persoon die er op dat moment eventjes niet is. Ik hou van de opsmuk van roddel, geef alles graag een beetje een valse draai. Je praat als je roddelt altijd zo over iemand dat iedereen wel kan merken: er is iets mis. In de roddel veranderen dingen voortdurend en toch denkt men steeds dat het de waarheid is. De Berberroddel vind ik een stuk leuker dan de Nederlandse roddel, omdat ik mensen voor me zie die familie zijn, verwanten.’
Je hebt dan ook het idee dat Benali eindeloos op papier had kunnen doorroddelen: 'Toen ik begon met schrijven, had ik absoluut geen idee waar die taxi naartoe ging. Je windt de auto als het ware op en zet hem op de weg. En ik dacht: laat maar rijden, het gaat wel goed, die taxi komt wel ergens aan. Ik moest de roman op een gegeven moment stoppen, moest de taxi echt tegenhouden, ik kon gewoon niet meer. Het verhaal had een einde nodig en ik hou wel van een ontploffing.
Ik kan niet met één stijl uit de voeten’, voegt hij eraan toe, 'ik moet er meer hebben. Dat is wat je leert van Rushdie en Grass, dat je alles moet proberen. Calvino zei ooit zoiets als: grote verwachtingen, grote uitdagingen zijn op velerlei terrein af te keuren, behalve in de literatuur. Ik wil God en duivel zijn in mijn werk, ik wil alles, maar dat alles kan ik niet benoemen. Ik moet een heel grote duikplank hebben om te springen in een klein bekertje water.’
'DAT IS HET fabeltje van de orale verteltraditie’, zegt Benali als ik hem vraag of hij met sprookjes is opgevoed. 'Ik heb zitten dubben: moet ik dat fabeltje nu wel of niet uit de wereld helpen. Misschien moet ik het wel niet doen, omdat het heel erg goed voor me is. Het geeft je een soort aureool: deze man komt uit de orale verteltraditie, hij heeft een soort lekeneruditie, hij heeft zoveel verhalen in z'n kop. Maar het klopt niet, het is een mythe dat mensen worden opgevoed met Duizend-en-één nacht of de verhalen van Nouredin of heel grote familieverhalen. Ik kan niet geloven in een soort oma die maar zit te vertellen en vertellen en hele avonden aan elkaar plakt. Misschien heb je die oma’s, maar dat zijn giganten en er zijn maar heel weinigen die een gigant als oma hebben.’
Het sprookje is gewoon een vorm, benadrukt Benali, en je kan met alle vormen spelen. Zoals je ook kan spelen met plaatsnamen: Rotterdam heet Maanzaad Stad in zijn boek, omdat hij thuis vroeger het maanzaad snoepte van het Marokkaanse brood dat zijn vader verkocht voordat hij het in een plastic zak deed. Het Marokkaanse plaatsje Nador is tot Nadorp omgedoopt en Melilla heet Mililliaar.
Benali pakt de atlas uit de kast en wijst zijn geboortestreek aan: twee stadjes en wat dorpjes aan de Marokkaanse noordkust. 'Als ik Rotterdam zou hebben neergepend, was het helemaal niet leuk geweest. Maanzaad Stad is veel spannender, dan trek je het op naar een mythisch niveau. In De duivelsverzen heet Londen Vilajeti, dat geeft het verhaal meteen iets demonisch en iets sprookjesachtigs.’
De personages in Bruiloft aan zee leven in sprookjes, of beter: in dromen. De mensen in Marokko dromen van het Westen, van 'Ollanda’, dat in hun dromen overigens vaak in 'Deutschland’ ligt. De Marokkanen in Nederland verlangen naar het leven in de landstreek. Benali: 'Dat is de melancholie. Ik laat zien hoe tragisch het is om te dromen, dromen bestaan helemaal niet. Ollanda ligt niet in Deutschland, toch gelooft men dat. In Nederland denkt men aan teruggaan omdat het in Marokko zo goed is, maar als ze daar zijn, moeten ze op de grond zitten. In hun achterhoofd weten ze dat wel en toch blijven ze erin geloven.
De droom moet ook bestaan. Ik heb altijd een droom gehad, altijd veel lucht nagejaagd en luchtkastelen gebouwd in m'n hoofd. Van alles is niks terechtgekomen. Ik had altijd wel het idee dat ik niet paste, zo'n zijlijngevoel. Wel met het spel meedoen, maar er steeds net buiten vallen. Het heeft me ook dwarsgezeten: hoe kan het dat ik hierin niet pas? Ik merkte dat ik dat bij het schrijven helemaal niet heb: daar speel je je eigen spel. In de taal heb ik mijn tuintje gevonden. Het gekke is dat ik daarvan ben geschrokken. Ik kwam erachter dat je obsessie, die er altijd is, ook werkelijkheid kan worden.’
MAROKKO WORDT IN Bruiloft aan zee niet alleen als een sprookjesachtig land aan zee beschreven; Benali spot ook hartelijk met de armoede en achterlijkheid van het land. De romance tussen de vader en moeder van Lamarat bloeit bijvoorbeeld op op het poepveldje dat tussen de huizen van hun ouders ligt. 'Dat poepveldje bestaat’, roept Benali. 'Het is natuurlijk het boerenland en het is heel mooi, maar heel primitief. Ik kwam er in de vakantie vanuit het rijke Rotterdam naartoe en dan waren we opeens zes weken boer. We gingen zo'n beetje om de twee jaar en bleven zes tot acht weken. Het gekke is dat je als westers wereldburger toch in het leven daar opgaat, kennelijk kan je makkelijk omschakelen. Ik kom daar bij familie en kennissen terecht en word weer opgenomen. Mijn oma trekt de eerste dag uit om me bij te praten, die ratelt de hele dag door over wat er de afgelopen drie jaar is gebeurd.
Maar die omschakeling gaat steeds minder soepel. Je gaat jezelf steeds meer vragen stellen. Wat doe ik hier? Waar hoor ik thuis? Ik moet dat nog leren, m'n plek nog vinden. Het boek heeft veel losgemaakt en ik ben in november op mezelf gaan wonen. Daardoor kwam ik in een verstild vacuüm terecht waarin je heel erg met jezelf wordt geconfronteerd. Dan hoor je allerlei stemmen en denk je: wie spreekt er nu? Wiens geweten is dit? Het ene geweten praat dan tegen het andere geweten.
Rushdie zei ooit: ik ben een gat. Ik heb geen echte cultuur, want ik leef in een mêlée waarin je nooit zeker bent van je positie, altijd een minderheid of een minderheid van een minderheid bent. Door de taal probeer ik het gat te vullen. Dat gat komt ook terug in Middernachtskinderen: de dokter moet achter een laken staan om het lichaam van een dochter van een rijke familie te onderzoeken. Hij moet haar bekijken door een gat. Het gat verplaatst zich doordat het laken steeds wordt verschoven tot de dokter eindelijk haar gezicht mag zien, dan wil hij ook meteen met haar trouwen. Ik vind het beeld van het gat heel mooi. Je kan van alles in dat gat stoppen, alles past erin. Ik herken dat, ik ben zelf een allegaartje van culturen. Ik ben een Berber uit de Arabische wereld, ik ben naar Nederland gegaan en ik ben heel erg nieuwsgierig en leergierig en bijdehand. Ik ben heel eclectisch: het maakt niet uit wat zich voordoet, zolang ik er maar iets mee kan doen. Ik probeer van alles te pakken, ik gebruik alles. Ik ben amoreel wat dat betreft. Ik ben net een voddenraper.’
Bruiloft aan zee is doordrenkt van de oude traditie: als de oom naar de hoeren gaat of als de bruiloft dreigt mis te lopen wordt er steeds weer besmuikt gefluisterd over haram, over schaamte en schuldgevoel. Maar allerlei symbolen wijzen er tegelijk op dat de oude traditie aan het vervallen is. Het nieuwe huis dat de vader van Lamarat in Marokko laat bouwen brokkelt af nog voordat het uit de steigers is; de bruiloft vindt plaats in een uitgestorven plaatsje.
'Er gaat heel veel verloren’, beaamt Benali. 'Sinds we Europa hebben ontdekt, is het grote vergeten van de traditie begonnen. Ik zit net op het breukvlak: ik ben streng opgevoed in de traditie, maar tegelijkertijd kan ik die traditie niet meer met mezelf verenigen. Het geldt voor veel mensen van mijn generatie en men gaat er op een vrij slinkse maar beschaafde wijze mee om. Want je hebt toch te maken met je familie, met je ouders vooral, die wel in de traditie leven. In Nederland gaat het meer om de afrekening, het generatieconflict: snijden die wortel, maak de sprong in de individualiteit. Dat ligt voor een heleboel Marokkanen veel gevoeliger.
Je leeft daardoor op een dubbelzinnige manier, je laat de status quo bestaan en gaat je eigen gang. Dat past ook wel bij de strikte moraal waarmee ik ben opgevoed: daar wordt ook veel van afgeweken. Je leert daardoor dat die moraal tot op zekere hoogte ook onzin is. Die hypocrisie is niet erg, als je die maar weet te doseren. En de spanning tussen moraal en praktijk is een heel mooi thema. James Joyce was z'n leven lang gepreoccupeerd door schuld en boete. Naar het bordeel met z'n vader en op zondag biechten. Ik heb een vriend, een Macedoniër, die alles doet wat God verboden heeft, maar hij gaat wel biechten en is het dan vergeten.’
HET IS HALF tien in Park Plaza. De tafels zijn niet meer zo smetteloos wit, de serveersters zetten nieuwe kaarsen in de kandelaars en het verblindende televisielicht knipt aan. De juryvoorzitter betreedt het toneel en onthult dat Hugo Claus de Libris-prijs heeft gewonnen. Benali springt op en geeft als eerste een staande ovatie. Dan trekt hij zich met de mobiele telefoon van zijn uitgever terug. Om zijn moeder te bellen.