Ali Can. Migrant ihres Vertrauens

‘Ik ben niet ergens tégen, ik ben ergens vóór’

Vanuit Essen in het Duitse Ruhrgebied moet de multiculturele samenleving een succes worden. Ali Can heeft daarvoor het VielRespektZentrum opgericht: ‘Een optimist breekt uit de probleemtrance.’

Ali Can tijdens de betoging tegen haat en rascisme bij de Brandenburger Tor in Berlijn, oktober 2017 © Fritz Engel / Laif / HH

Hij wist het altijd al, zegt Ali Can, dat hij de wereld beter wilde maken. Hij zag als scholier de beroemde film over Gandhi en dacht: wauw, wat een prachtig mens, waarom zijn er nu geen Gandhi’s meer? Tegelijkertijd vroeg hij zich af waarom er veel geld en tijd wordt uitgetrokken om een film te maken, maar niemand dezelfde moeite getroost om Gandhi’s voorbeeld ook echt te volgen.

Nu siert het hoofd van Gandhi samen met acht andere historische inspiratiebronnen de gevel van het VielRespektZentrum in de binnenstad van Essen, hartje Ruhrgebied. Begin 2019 werd het Zentrum met hulp van een Essense mecenas opgericht, met als doel de ‘dialoog der culturen’ in Duitsland een stap dichterbij te brengen. Gandhi-bewonderaar Ali Can (25) is de inhoudelijk leider.

Can, donkere baard, gloedvolle ogen waar steeds de zweem van ironie in door lijkt te schemeren, steekt snel nog even een sigaret op. Hij doet veel tegelijk en dat is precies hoe hij het wil. ‘Het leven is zó kort, de tijd is zo kostbaar. Die tijd moeten we gebruiken, niet door alsmaar over problemen te praten, maar over oplossingen.’

De oneliners lijken spontaan uit hem op te borrelen, alsof hij zich in een permanente ted-talk bevindt. Hij herhaalt ze nog even met nadruk als ze hem zelf bevallen. Zijn doel: ‘Hoe komen wij ertoe dat alle culturen vreedzaam met elkaar kunnen samenleven?’ En ja, daarin is hij een optimist, zegt Can. ‘Waarom? Omdat al mijn projecten constructief zijn. Mijn blik gaat altijd naar voren.’

De redactie van het Amerikaanse blad Politico riep hem in een bijlage over de ‘klas van 2019’ uit tot een van de 28 personen die de toekomst van Europa positief kunnen gaan veranderen. De voorgeschiedenis van deze internationale onderscheiding ligt in de zomer van 2018. In Duitsland was opnieuw een verhitte discussie losgebroken over de integratie die zou zijn ‘mislukt’. Alles draaide om de voetballer Mesut Özil. Özil had een paar jaar ervoor nog een prijs voor ‘gelukte integratie’ gekregen, was met het Duitse elftal in 2014 wereldkampioen geworden en was door Angela Merkel hoogstpersoonlijk tot symbool van een nieuw veelkleurig Duitsland gekroond.

Nu was Özil met de Turkse president Erdogan op de foto gegaan, toen die in Londen op verkiezingscampagne was. Özil bleek zijn steun aan Erdogan niet als een probleem te zien, maar in Duitsland kreeg hij een golf van woede over zich heen. Toen het Duitse nationale voetbalteam die zomer ook nog in de eerste ronde van het WK 2018 werd uitgeschakeld, werd Özil als medeschuldige aangewezen; hij zou zich niet als een ‘Duitse voetballer’ hebben gedragen. Özil trad uit het elftal en schreef een verklaring op Twitter waarin hij de Duitse samenleving van racisme beschuldigde: ‘Als we winnen ben ik Duitser, als we verliezen ben ik migrant.’ Dat was het moment dat Ali Can raakte, vertelt hij nu. ‘Ik ben kritisch op de actie van Özil met Erdogan, maar het ging mij om die ene zin. Het drukt een gevoel uit dat ik zelf ook ken.’

Diezelfde avond nam hij een filmpje op, zonder er lang over na te denken. Want, zegt hij: ‘Een optimist is ook praktisch.’ Hij woont in een meer-generatiehuis en deelt een appartement met een 66-jarige vrouw. Hij gaf haar een camera en opende op Twitter #MeTwo, een toespeling op #MeToo waar ervaringen met seksisme worden uitgewisseld. Cans eigen term verwijst naar ‘two me’s’, de twee zielen in de borst die migranten in de Duitse (en andere westerse) samenlevingen volgens hem voelen. Binnen korte tijd stroomden er tweehonderdduizend berichten binnen, vooral over ervaringen van alledaags racisme. ‘Ik heb de emoties gezien die in het debat rond Özil loskwamen, en dat moment heb ik gebruikt. Want overal waar vele gevoelens zijn, kunnen we ook besluiten deze gevoelens in een constructieve richting te leiden, te kanaliseren.’

Het was voor het eerst dat in de Duitse in-tegratiedebatten de Duitsers ‘met migratieachtergrond’ zo uitvoerig aan het woord kwamen. Critici wezen echter ook op de nadelen van de actie, doordat de beschuldigingen van racisme aan het adres van ‘de Duitsers’ alleen maar voor meer polarisatie zouden kunnen zorgen. Dat verwijt kent Can, zegt hij, maar hij deelt die zorg niet. Ten eerste is racisme volgens hem een feitelijk probleem; kinderen met niet-Duitse namen worden structureel benadeeld bij sollicitaties. Ten tweede vindt hij de opwinding juist een goed teken. De verwarring is normaal. Het laat zien dat de ‘oude structuren’ kritisch tegen het licht worden gehouden.

En dat is precies wat Can wil. Hij wil een ‘nieuwe definitie van Duits-zijn’ ontwikkelen, waardoor ook alle ‘nieuwe Duitsers’ zich thuis kunnen voelen. ‘German and something else’, zoals The New York Times de actie omschreef. De Duitse bondspresident Frank-Walter Steinmeier nodigde Ali Can uit om er met hem over te praten.

Nog geen jaar later staat Can voor zijn eigen centrum, dat vanuit Essen Duitsland moet veranderen. Hij heeft net een van de eerste afleveringen van zijn nog te verschijnen YouTube-show Alimania opgenomen. ‘Begrijp je: Ali-mania, maar ook Alimanya, Turks voor Duitsland.’ Het moet volgens Can zoiets als de beroemde Amerikaanse Daily Show worden, gepresenteerd door de Zuid-Afrikaanse Trevor Noah. Maar dan in Duitsland, met als thema ‘maatschappelijke binding’.

Ali Can biedt de Pegida-demonstranten chocoladehartjes aan, ‘omdat dat iets is wat we allemaal kennen’

De naam VielRespektZentrum klinkt weliswaar alsof de Duitse Groenen of een goed-bedoelende hulporganisatie het heeft bedacht, maar dat klopt niet, zegt Can. Het is dankzij particulier geld onafhankelijk van de politiek, maar vooral: hij hanteert een opvatting van ‘dialoog’ die beduidend verder gaat dan in de kringen van progressief Duitsland de gewoonte is.

Het is rond de Kerst van 2016 als een nog onbekende Ali Can op het theaterplein van Dresden staat. De donkere jongeman draagt een kerstmuts met knipperlichten erop. Hij staat midden tussen de demonstranten van Pegida, op het moment dat deze beweging ‘tegen de islamisering’ meer dan tienduizend bezoekers trekt. Hij heeft een bak met chocoladehartjes meegenomen. Hij biedt het de demonstranten aan ‘omdat dat iets is wat we allemaal kennen’.

Can is zenuwachtig. Op YouTube staan nog wat oude filmpjes van de jonge ‘sociaal activist’, zoals hij zich noemt, waarin hij zich op zijn reis door Saksen voorbereidt. Vrienden raden hem af het te doen, zegt hij daarin, in zijn koffer neemt hij een kogelvrij vest mee.

Het is net na de vluchtelingencrisis, tijdens een van de heftigste politieke omwentelingen van het 21ste-eeuwse Duitsland. Een nieuwe politieke partij is in opkomst, de AfD. Het zal leiden tot de breuk met het grootste politieke taboe van het naoorlogse Duitsland: de eerste partij ‘rechts van de cdu’ komt twee jaar later in het parlement. Ali Can is in dat jaar 2015 net Duits staatsburger geworden. Zijn ouders waren twintig jaar eerder met hun tweejarige zoon uit Turkije gevlucht, omdat ze er als Koerdische alevieten gediscrimineerd werden. Ze kregen in 2006 een verblijfsvergunning en openden in een stadje in de deelstaat Hessen een döner-snackbar. Hun zoon ging Duits en ethiek studeren, een succes voor de ouders, maar Ali besloot in 2015 zijn studie te onderbreken.

De emoties stapelen zich dat jaar op, de woede groeit in Duitsland. Een grote transformatie van de maatschappij is gaande, merkt Can. Hij voelt dat hij iets moet doen. Hij was al actief voor organisaties als Unicef, maar nu ontdekt hij het multiculturele thema. Hij besluit naar Pegida te gaan, met een camera en een microfoon van een radiozender. Hij spreekt vriendelijk met de demonstranten. Hij stelt directe vragen, kijkt er ironisch bij in de camera, en zingt op het plein met een zelfverklaarde völkisch-nationalist ‘O Tannenbaum’. Het ziet eruit als een mengeling tussen een artistieke performance en een satirisch-politiek programma, maar Can draagt er een verzoenende boodschap mee uit, zegt hij.

In het verlengde van zijn Pegida-reis bedenkt hij een tweede actie. Hij lanceert de Hotline voor Bezorgde Burgers. Als voormalig asielzoeker mag iedereen hem vragen stellen, over asiel, over de islam, over migratie. Migrant ihres Vertrauens noemt hij zichzelf: de migrant van uw vertrouwen. Het staat ook op een T-shirt dat hij bij publieke optredens draagt. Het is een ironische toespeling op het idee dat migranten, vooral moslims, ‘niet te vertrouwen’ zouden zijn.

De telefoongesprekken hebben hem geleerd wat er achter de woede van de nieuwe rechtse bewegingen zit. De gesprekken begonnen meestal met een scheldkanonnade op ‘de vluchtelingen’ of ‘de moslims’, maar daarna ging men vaak over op het thema ‘gender’, digitalisering of over de bakker op de hoek die er niet meer was. De globalisering, de digitalisering en de multiculturalisering hebben de maatschappij snel veranderd, té snel voor velen, zegt Can. ‘Innerlijk zijn we niet meegekomen, zijn we in de twintigste eeuw of zelfs de negentiende blijven steken. De oriëntering is verloren gegaan.’

Can doet met zijn acties iets wat in Duitsland hoogst ongebruikelijk is. Hij wil niet, zoals in de Duitse media en politiek de gewoonte is, Pegida-demonstranten of ‘bezorgde burgers’ te makkelijk als ‘nazi’s’ veroordelen. Hij wil praten, en hij wil ook dat ze met hem praten. Het moet meer zijn dan alleen een debat, het moet vooroordelen afbouwen. ‘Als optimist ben ik een zoekende’, zegt hij: ‘Een optimist zoekt naar antwoorden.’

Alleen: de woede en haat slaan hem, de optimist, ook dagelijks tegemoet. Woede krijgt hij bij de Hotline over zich heen van een linkse beller die hem uitscheldt dat zijn actie slechts de legitimatie van rechtsradicalen dient. Bij #MeTwo overspoelt hem de woede van rechtse twitteraars.

Niet dat hij zich laat ontmoedigen. Hij kan niet anders, vertelt een medewerker van het VielRespektZentrum: ‘Hij voelt de pijn van de wereld, de weltschmerz.’ Can bevestigt het: ‘Ik heb super veel weltschmerz. Ik heb dat altijd gehad, als kind al. Ik werd droevig als ik over de dingen in de wereld nadacht. Maar ik wist: ik heb veel te geven.’

‘Ik ben hier niet geboren, maar ik heb hier een enorm debat losgemaakt. Ik ben het bewijs dat de integratie wel kan lukken’

Dat is de kracht van optimisme, zegt Can: ‘Een optimist ziet kansen waar anderen problemen zien.’ Een optimist breekt uit de ‘probleemtrance’ waar velen in blijven steken. ‘Ik zei vroeger al tegen vrienden met relatieproblemen dat ze net zoveel tijd moesten besteden aan het praten over de oplossingen als over de problemen. Dan gaat het al veel beter.’ Hij zegt het nu tegen zijn eigen medewerkers.

Schuin tegenover het VielRespektZentrum bevindt zich een avondverkoop. Het is een winkeltje met bier, frisdrank, chips en snoep, zoals er in Duitse steden duizenden zijn, bijna altijd gerund door Arabische jongemannen. Maar deze mannen, zegt een medewerker van Can, horen bij een beruchte Libanese familie die bekendstaat als maffiaclan. Dit soort Libanese families beheersen de laatste maanden door meerdere voorvallen de Duitse media en worden beschouwd als een van de uitwassen van verkeerd Duits integratiebeleid in het verleden. Het is het type mannen dat van de politie geen parkeerboete krijgt, zegt de medewerker, omdat zelfs de politie hen liever met rust laat.

Can heeft daarentegen geen schroom. Hij is er naar binnen gegaan, heeft de jongemannen uitgenodigd. Want ook met hen moet de dialoog worden gezocht, vindt hij. ‘Criminaliteit moet worden bestreden, maar we mogen niet allen over één kam scheren. Dan ontstaan er alleen maar fronten.’ Dus wordt er een hiphopklasje georganiseerd, vertelt de medewerker, in de hoop de jongeren van deze families te laten zien dat er een leven buiten de criminaliteit is.

Uiteindelijk gaat het altijd om menselijke betrekkingen, zegt Can, om ‘vertrouwen en vriendschap’. Om dat te bereiken heeft hij heel praktische middelen bedacht om een uiteenlopend publiek binnen te krijgen. Drankjes kun je in het centrum gratis krijgen, je kunt een gift achterlaten. Er zijn twee tafels met opladers voor alle mogelijke mobiele telefoons. Er is een massagestoel. Er is een bidruimte voor moslims. Op de mannen-wc bevindt zich naast de urinoirs een bekken waar moslims hun voeten kunnen wassen voor het gebed, een kast met slippers staat er ook.

‘Het klinkt allemaal niet zo belangrijk, maar als de mensen eenmaal binnen zijn, ontstaat er vanzelf een gesprek met elkaar’, zegt Can. Voor hem is het centrum een ‘miniatuurmaatschappij’: ‘Het is een sociaal experiment om te onderzoeken hoe groepen en mensen met al hun verschillen elkaar met respect kunnen treffen.’

Het centrum stelt ruimtes ter beschikking aan verenigingen en clubs. Inmiddels zetelt de stichting Syrische Cultuur en Integratie er, maar ook een lhbtq-vereniging is er actief. Dat kan fout gaan, zegt Can, omdat met name oudere moslims een ‘patriarchale denkwijze’ hanteren, maar dat is niet gebeurd. In plaats daarvan vroeg een vrijwilliger van het centrum, een oudere Turkse migrant, of het centrum niet ook iets zou moeten doen met Christopher Street Day. Zijn verklaring voor deze onverwachte solidariteit met homo’s en lesbiennes was volgens Can: ‘We worden allebei gediscrimineerd.’

Can sluit – theoretisch – ook de AfD niet uit. Een aantal politici ervan heeft het centrum al bekeken, zegt hij. ‘Het centrum is wat dat betreft net als de Hotline voor Bezorgde Burgers, maar dan als een huis. Je kunt zeggen: ik ben tegen de denkbeelden van Geert Wilders, maar je kunt daar met respectvolle afstand mee omgaan.’ Er zitten alleen wel grenzen aan Cans begrip. Björn Höcke, een beruchte AfD’er uit de rechtervleugel van de partij, is niet welkom. Die zou het centrum volgens Can slechts ‘gebruiken’ om zijn eigen mening te verspreiden.

Uiteindelijk gaat het erom of de gasten het ideaal van de Vielfalt onderschrijven. ‘De grondwet is de basis’, zegt Can. ‘Iedereen die door de deur gaat, moet dat accepteren.’ Daarom staan op de glazen buitenwand de eerste vier artikelen van de Duitse grondwet afgedrukt, zoals het beroemde artikel 3: ‘Niemand mag vanwege zijn geslacht, afstamming, ras, taal, herkomst, geloof, religieuze of politieke zienswijze benadeeld of bevoordeeld worden.’

De sigaret is opgerookt, Ali Can groet de gasten die zijn centrum voor de lezing van vanavond binnendruppelen, een mix van Essense Bildungsbürger, oudere Turkse Duitsers en twintigers met en zonder ‘migratieachtergrond’. Spiegel-columniste Ferda Ataman, wier ouders Turkse gastarbeiders waren, presenteert vanavond haar eerste boek: Hört auf zu fragen – Ich bin von hier. Het boek speelt in op de discussie over herkomst die sinds de Özil-affaire in Duitsland wordt gevoerd. Alleen, van een zachtzinnige ‘dialoog der culturen’ is bij Ataman geen sprake. Polemisch is ze, ze gebruikt venijnige woorden als Volksdeutschen. Volgens haar zorgt een diepgeworteld racisme ervoor dat de Duitsers Özil en andere migrantenkinderen zoals zijzelf niet willen toelaten in de samenleving.

Ali Can heeft haar uitgenodigd, maar zegt er wel bij dat hij anders te werk gaat: ‘Ik ben niet ergens tégen, ik ben ergens vóór.’ Ataman zelf zegt dat Can een ‘omarm-strategie’ heeft. En ja, dat klopt, zegt hij. Hij omarmt nu eenmaal graag. Toen hij op zijn twintigste voor Unicef werkte, bedacht hij al de campagne Free Hugs. Het was een van zijn eerste acties. Hij laat op zijn mobiel de foto’s zien die destijds de Frankfurter Allgemeine Zeitung haalden.

Aan het eind van de lezing snijdt Ataman een gevoelig punt aan. Ze zegt dat onder de jonge derde generatie het weer gewoonte is geworden zich ‘Turk’ of ‘Arabier’ te noemen. Volgens haar komt dat uit woede dat ze in Duitsland gediscrimineerd worden. Maar volgens anderen, zoals de Egyptisch-Duitse islamcriticus en bestsellerauteur Hamad Abdel-Samad, laat het juist zien dat de ‘integratie is mislukt’.

Can schudt geïrriteerd zijn hoofd. Kijk nu naar mij, zegt hij, vlak voor hij naar binnen gaat en het publiek zal toespreken. ‘Ik ben hier niet geboren, maar ik heb hier een enorm debat losgemaakt. Duitsland is een land van vrijheid. We kunnen het zo mooi maken, als we niet in de probleemtrance blijven steken. Ik ben het bewijs dat de integratie wel kan lukken.’