Essay: Verslag van een depressie

Ik ben niet gek. Of toch?

De depressie besloop Andrew Solomon. Zijn leven sloot hem in: hij kon niet meer normaal eten, douchen of met vrienden praten. Medicijnen hielpen, zijn vader hielp, maar, zoals zijn nieuwste roman laat zien, er was slechts één persoon die kon maken dat hij zich veilig voelde voor zichzelf.

Als mijn leven moeilijker was geweest, zou ik mijn depressie heel anders hebben begrepen. In werkelijkheid had ik een redelijk gelukkige kindertijd met twee ouders die overvloedig van me hielden, en een jonger broertje van wie ze ook hielden en met wie ik goed kon opschieten. Het was een gezin dat zo onbeschadigd was dat ik me nooit een echt gevecht hoefde voor te stellen tussen mijn ouders, die echt heel veel van elkaar hielden; hoewel ze van tijd tot tijd bekvechtten, twijfelden ze nooit aan hun absolute toewijding aan elkaar en aan mijn broertje en mij.

En toen, in augustus 1989, toen ik 25 was, werd bij mijn moeder kanker in de eierstokken vastgesteld, en mijn wereld begon af te brokkelen. Als zij niet ziek was geworden, als dat verhaal een beetje minder tragisch was geweest, dan zou ik wellicht door het leven zijn gegaan met depressieve neigingen maar zonder zenuwinstorting; of misschien zou ik later een zenuwinstorting hebben gekregen als onderdeel van een midlifecrisis; of misschien zou ik er een hebben gekregen op precies hetzelfde moment en dezelfde plaats als ik in werkelijkheid kreeg.

Ik zal niet in detail vertellen hoe alles afbrokkelde, want degenen die een slopende ziekte hebben gehad zal dit duidelijk zijn, en degenen die dat niet hebben gehad zal het misschien net zo onverklaarbaar blijven als het voor mij was op mijn 25ste. Laat ik het erbij houden dat in 1991 mijn moeder stierf. Ze was 58. Ik was bedroefd op het verlammende af. Ondanks tranen en verdriet, ondanks het verdwijnen van de persoon van wie ik zo constant en zo lang afhankelijk was geweest, ging het toch wel goed met me in de tijd na haar dood. Ik was bedroefd en ik was boos, maar ik was niet gek.

Depressie besluipt je net zo geleidelijk als volwassenheid.

Het was pas in juni 1994 dat het me begon op te vallen dat ik me voortdurend verveelde. Mijn eerste roman was uitgegeven in Engeland, maar de gunstige ontvangst deed me maar weinig. Ik las de recensies met grote onverschilligheid en ik was de hele tijd moe. Ik merkte dat ik vreselijk opzag tegen sociale gebeurtenissen, zelfs tegen een gesprek. Het leek allemaal meer moeite te kosten dan het waard was. Ik begon te denken dat niemand van me kon houden en dat ik nooit meer een relatie zou hebben. Ik had helemaal geen seksuele gevoelens meer. Ik begon onregelmatig te eten omdat ik bijna nooit honger had. Mijn psychiater zei dat het een depressie was.

Een verlies van emotie, een gevoelloosheid, infecteerde al mijn menselijke relaties. Ik gaf niets meer om liefde, mijn werk, familie, vrienden. Schrijven deed ik steeds minder, en ten slotte helemaal niet meer. «Ik weet niets», schreef de schilder Gerhard Richter ooit. «Ik kan niets. Ik begrijp niets. Ik weet niets. Niets. En al deze ellende maakt me zelfs niet eens echt ongelukkig.»

Ik was mijn zelf aan het verliezen, en dat maakte me bang. Ik deed mijn best leuke dingen in te passen in mijn leven. Ik ging naar feestjes en probeerde plezier te hebben en slaagde niet; ik zag vrienden en probeerde contact te maken en slaagde niet; ik kocht dure dingen die ik in het verleden had willen hebben en ze gaven me geen enkele bevrediging. Je zintuigen verlaten je langzaam als je in een depressie zit. «Er komt opeens een moment dat je de chemie kunt voelen», zei Mark Weiss, een depressieve vriend, een keer tegen me. «Mijn ademhaling verandert en mijn adem stinkt. Mijn pis ruikt walgelijk. Mijn gezicht valt uit elkaar in de spiegel. Ik weet wanneer het er is.»

Bij mij viel dit punt samen met de publicatie van mijn eerste roman. Een goede vriend had aangeboden een boekpresentatie voor me te geven op 11 oktober. Ik ben gek op feestjes en ik ben gek op boeken en ik wist dat ik dolblij had moeten zijn, maar in werkelijkheid was ik te mat om veel mensen uit te nodigen en te moe om op het feestje lang te staan. Ik herinner me dat feestje alleen nog maar in vage contouren en verbleekte kleuren: grijs eten, beige mensen, modderig licht in de kamers. Ik weet nog wel dat ik de hele tijd verschrikkelijk transpireerde, en dat ik ontzettend graag weg wilde. Niemand leek iets vreemds te merken. Ik overleefde de avond.

Toen ik thuiskwam, begon ik me angstig te voelen. Ik lag in bed, maar sliep niet, en drukte mijn kussen tegen me aan als troost. In de volgende tweeënhalve week werd het erger. Kort voor mijn 31ste verjaardag stortte ik in. Mijn hele systeem leek het te begeven. Ik had op dat moment geen partner. Mijn vader had aangeboden een verjaardagsfeest voor me te geven, maar ik kon de gedachte niet verdragen en we besloten naar een favoriet restaurant te gaan met vier van mijn beste vrienden.

De dag voor mijn verjaardag verliet ik mijn huis maar één keer, om wat boodschappen te doen. Op weg naar huis verloor ik plotseling de controle over mijn lagere ingewanden en ik bevuilde mezelf. Ik kon de vlek groter voelen worden terwijl ik me naar huis haastte. Toen ik binnenkwam, liet ik de boodschappentas vallen, rende naar de badkamer, kleedde me uit en ging naar bed. Die nacht sliep ik maar weinig en de dag daarop kon ik niet opstaan. Ik wist dat ik niet naar een restaurant kon gaan. Ik wilde mijn vrienden bellen om af te zeggen, maar ik kon het niet. Ik lag heel erg stil en dacht na over praten; ik pro beer de uit te vinden hoe het moest. Ik bewoog mijn tong maar er kwam geen geluid. Ik was vergeten hoe ik moest praten. Toen begon ik te huilen, maar er kwamen geen tranen, alleen een schokkende incoherentie. Ik lag op mijn rug. Ik wilde me omdraaien, maar ik kon me ook al niet herinneren hoe dat moest. Ik probeerde erover na te denken, maar de taak leek reusachtig. Ik dacht dat ik misschien een beroerte had gehad en toen huilde ik weer een tijdje.

Om ongeveer drie uur die middag lukte het me om naar de badkamer te gaan. Bibberend ging ik weer terug naar mijn bed. Gelukkig belde mijn vader. «Je moet vanavond afzeggen», zei ik, met trillende stem. «Wat is er aan de hand?» vroeg hij steeds, maar ik wist het niet.

Er is een moment, als je struikelt of uitglijdt, voordat je hand naar voren schiet om je val te breken, dat je de aarde op je af voelt vliegen en je kunt er niets aan doen, een voor bijgaande doodsangst van een fractie van een seconde. Zo voelde ik me uur na uur. Het is bizar om op dit extreme niveau angstig te zijn. Je voelt de hele tijd dat je iets wilt doen, dat er een fysieke noodzaak is van onmogelijke urgentie en een ongemak waarvan geen verlichting is, alsof je voortdurend aan het overgeven bent uit je maag maar geen mond hebt.

Met de depressie wordt je blikveld nauwer en begint zich te sluiten. Het is zoiets als proberen televisie te kijken door een verschrikkelijke storing heen, zodat je zo'n beet je de film kunt zien maar niet echt; zodat je nooit echt de gezichten van mensen kunt zien, behalve bijna als er een close-up is; zodat niets randen heeft. De lucht lijkt dik en weerspannig, alsof hij vol zit met fijngekauwd brood. Depressief worden is als blind worden, de duisternis eerst geleidelijk, dan allesomvattend; het is als doof worden, minder en minder kunnen horen tot er een verschrikkelijke stilte overal om je heen is, totdat je geen enkel geluid van jezelf meer kunt maken om de stilte te doorbreken.

Mijn vader kwam naar mijn huis met een vriend van me, gevolgd door mijn broer met zijn verloofde. Ik had al bijna twee dagen niet meer gegeten, en ze probeerden me een beetje gerookte zalm te laten eten. Ze dachten dat ik een of ander virus moest hebben. Ik nam een paar hapjes en braakte toen alles weer uit, over mezelf heen. Ik kon niet ophouden met huilen. De dag daarop lukte het me, op een of andere manier, om naar de praktijk van mijn psychiater te gaan. «Ik denk dat ik medicijnen moet gaan slikken», zei ik, diep duikend naar de woorden. «Het spijt me», zei ze, en belde de psychofarmacoloog, bij wie ik een uur later kon langskomen.

De psychofarmacoloog leek te zijn weggelopen uit een film over psychiaters. Zijn kantoor had zijden behang van een mosterdkleur die aan het vervagen was en stond vol met hoge stapels boeken met titels als Verslaafd aan ellende en Suïcidaal gedrag: De zoektocht naar psychische economie. Hij was ergens in de zeventig, rookte sigaren, had een Midden-Europees accent en droeg pantoffels. Hij had elegante, vooroorlogse manieren en een vriendelijke glimlach. «Kijk aan», zei hij rustig terwijl ik mijn verschrikkingen een voor een op tafel gooide. «Zeer klassieke symptomen. Maak je geen zorgen, we krijgen je binnenkort weer helemaal overeind.»

Hij schreef een recept voor Xanax, en wroette vervolgens rond om een starterspakket Zoloft te vinden. Hij gaf me gedetailleerde instructies hoe ik moest beginnen dat te slikken. «Je komt morgen terug», zei hij met een glimlach. «De Zoloft werkt de eerste tijd nog niet. De Xanax zal je angst onmiddellijk verlichten. Maak je niet druk over de verslavende eigenschappen ervan en zo, want dat is op dit moment niet jouw probleem. Als we de angst eenmaal een beetje hebben weggenomen, zullen we de depressie beter kunnen zien en ermee aan de slag gaan.»

De eerste dag dat ik medicijnen slikte, verhuisde ik naar mijn vaders appartement. Mijn vader was bijna zeventig en de meeste mannen van die leeftijd kunnen niet zomaar ingrijpende verschuivingen in hun leven verdragen. Alle lof voor mijn vader, niet alleen voor zijn grootmoedige toewijding, maar ook voor de flexibiliteit die hem deed begrijpen hoe hij mijn steunpilaar in moeilijke tijden kon zijn, en voor de moed die hem hielp om die steunpilaar te zijn.

Hij haalde me op bij de dokter en nam me mee naar zijn huis. Ik had geen schone kleren meegenomen, maar die had ik ook niet echt nodig, aangezien ik die week nauwelijks uit mijn bed zou komen. Paniek was het enige wat ik ervoer.

Mijn dagen zagen er zo uit: ik werd wakker, in de wetenschap dat ik extreme paniek voelde. Het enige wat ik wilde was genoeg paniekmedicatie nemen om weer te kunnen gaan slapen, en vervolgens wilde ik slapen tot ik weer beter werd. Als ik een paar uur later wakker werd, wilde ik meer slaappillen slikken. Mezelf doden was, net als mezelf aankleden, een veel te bewerkelijk plan om in me op te komen; ik was me niet urenlang aan het voorstellen hoe ik zoiets zou doen. Het enige wat ik wilde was dat «het» zou ophouden. Het lukte me niet duidelijk te zijn en te zeggen wat «het» was.

Depressie doet, net als de liefde, in clichés, en het is moeilijk om erover te praten zonder te vervallen in de retoriek van zoetsappige popliedjes; het is zo krachtig wanneer je het meemaakt dat het idee dat anderen net zoiets hebben gekend absoluut onzinnig lijkt.

Depressieminuten zijn als hondsjaren, gebaseerd op een of andere artificiële notie van tijd. Ik kan me herinneren dat ik verstijfd in bed lag, en huilde omdat ik te bang was om onder de douche te gaan, en tegelijkertijd wist dat douches niet eng zijn. Ik bleef de afzonderlijke stappen in mijn geest nalopen: je draait je om en je zet je voeten op de grond; je gaat staan; je loopt van hier naar de badkamer; je opent de badkamerdeur; je loopt naar de rand van het bad; je draait de kraan open; je gaat onder de waterstraal staan; je wrijft jezelf in met zeep; je spoelt je af; je gaat onder de douche vandaan; je droogt je af; je loopt terug naar je bed.

Twaalf stappen, die op dat moment even zwaar klonken als de twaalf kruiswegstaties. Maar ik wist, logisch gezien, dat douches gemakkelijk waren, dat ik jarenlang elke dag een douche had genomen en dat ik dat zo vlug en zo achteloos had gedaan dat het zelfs geen opmerkingen rechtvaardigde. Ik wist dat die twaalf stappen eigenlijk goed te doen waren.

Met alle kracht die ik in mijn lichaam had, ging ik rechtop zitten; ik draaide me om en zette mijn voeten op de grond; vervolgens voelde ik me zo onbekwaam en zo bang dat ik opzij rolde en op mijn buik ging liggen. Overal op de wereld gingen mensen onder de douche. Waarom, in godsnaam, kon ik niet een van hen zijn? Ik mijmerde dat die mensen ook familie hadden en een baan en een bankrekening en een paspoort en plannen voor het eten en problemen, echte problemen, kanker en honger en de dood van hun kinderen en alleenmakende eenzaamheid en mislukking; en ik had zo weinig problemen vergeleken bij hen, alleen dat ik me niet nog een keer kon omdraaien, tot een paar uur later, wanneer mijn vader of een vriend binnenkwam en hielp mijn voeten weer op het bed te zwaaien.

Ik lag in de veiligheid van mijn bed en voelde me belachelijk. En soms, in een stil stukje van me klonk er gegrinnik om die belachelijkheid, en het feit dat ik in staat was dat te onderkennen, is, volgens mij, wat me er doorheen heeft gesleept. Altijd was er achter in mijn hoofd een stem, rustig en helder, die zei: wees niet zo sentimenteel; stel je niet zo aan. Trek je kleren uit, doe je pyjama aan, ga naar bed; morgenochtend sta je op, kleed je je aan, en je doet wat je geacht wordt te doen, wat het ook is.

Ik hoorde die stem de hele tijd, die stem die leek op mijn moeders stem. Er was droefheid en verschrikkelijke eenzaamheid terwijl ik piekerde over wat verloren was gegaan. «Kon het iemand — niet alleen het roodgloeiende culturele zenuwcentrum, maar wie dan ook, zelfs mijn tandarts — iets schelen dat ik me had teruggetrokken uit de strijd?» schreef Daphne Merkin in een biechtachtig essay over haar eigen depressie. «Zouden mensen om me rouwen als ik nooit meer terugkwam, nooit meer mijn plaats innam?»

Tegen de tijd dat de avond kwam, was ik in staat uit bed te komen. De meeste depressiviteit heeft een dagcyclus, toenemend gedurende de dag en dan weer zakkend tegen de ochtend. ’s Avonds aan tafel voelde ik me niet in staat om te eten, maar ik kon opstaan en in de eetkamer gaan zitten met mijn vader, die alle andere plannen afzegde om bij mij te kunnen zijn. Tegen die tijd kon ik ook praten. Ik probeerde uit te leggen hoe het was. Mijn vader knikte, verzekerde me onverbiddelijk dat het voorbij zou gaan, en probeerde me iets te laten eten. Hij sneed mijn eten klein. Ik zei dat hij me niet mocht voeren, dat ik geen vijf was, maar toen ik werd verslagen door de moeilijkheid een stukje lamskotelet op mijn vork te krijgen, deed hij het voor me.

De hele tijd dacht hij eraan dat hij me voerde toen ik een klein kind was, en hij liet me beloven, schertsend, dat ik zijn lamskotelet klein zou snijden als hij oud zou zijn en geen tanden meer had. Hij had een paar vrienden van me gesproken, en een paar vrienden van me hadden me gebeld, en na het avondeten voelde ik me goed genoeg om er een paar terug te bellen. Soms kwam er na het eten zelfs eentje langs. Tegen alle verwachtingen in kon ik gewoonlijk zelfs een douche nemen voor ik naar bed ging! En geen enkele slok water na een tocht door de woestijn was ooit heerlijker dan die overwinning en de properheid. Voor ik naar bed ging, versuft door de Xanax maar nog niet in slaap, maakte ik er grappen over met mijn vader en met vrienden, en die zeldzame intimiteit die ziekte omgeeft, deed zich voelen in de kamer, en soms voelde ik te veel en begon ik weer te huilen, en dan was het tijd om het licht uit te doen, zodat ik weer kon gaan slapen.

Soms bleven vrienden bij me zitten tot ik wegzakte. Op sommige avonden las mijn vader me voor uit de boeken die hij me had voorgelezen toen ik een kind was.

Ondertussen moest ik nog steeds de lezingentournee doen. Ik moest naar boekwinkels en andere gelegenheden en voor groepen vreemde mensen gaan staan om hardop voor te lezen uit de roman die ik had geschreven. Het moest uitlopen op rampen, maar ik was vastbesloten er doorheen te komen. Voor de eerste van deze voorlees sessies, in New York, deed ik er vier uur over om een bad te nemen. Toen vertrok ik en las ik voor. Ik had het gevoel dat ik talkpoeder in mijn mond had en ik kon niet goed horen, en ik dacht de hele tijd dat ik zou gaan flauwvallen, maar ik wist het voor elkaar te krijgen. Toen hielp een vriend me naar huis en ik ging weer naar bed, drie dagen lang.

Mijn volgende afspraken waren helemaal in Californië. Ik dacht dat ik niet kon gaan; ik wist dat ik niet alleen kon gaan. Uiteindelijk bracht mijn vader me er naartoe. Terwijl ik in een Xanax-nevel zat, zette hij me op het vliegtuig en haalde me er weer uit, van het vliegveld vandaan, naar het hotel. Ik zat zo onder de medicijnen dat ik bijna sliep, maar in deze staat kon ik het aan. Ik wist dat hoe meer ik wist te doen, des te minder ik zou willen sterven, dus het leek belangrijk om te gaan.

Die lezingen doen was de moeilijkste opgave van mijn hele leven. Mijn vader ging met me mee op de meeste van die reizen; als we niet bij elkaar waren, belde hij me om de paar uur. Een paar goede vrienden namen de verantwoordelijkheid voor mij op zich en ik werd nooit alleen gelaten. Ik kan je verzekeren dat ik geen geweldig gezelschap was en dat grote liefde en de kennis van grote liefde niet op zichzelf de genezing waren. Ik kan je ook vertellen dat ik zonder grote liefde en de kennis van grote liefde niet de kracht in mijzelf had gevonden om die tournee vol te houden. Ik zou een plek in het bos hebben gevonden waar ik zou gaan liggen en ik zou daar zijn gebleven tot ik bevroor en stierf.

De ellende nam af in december. Of dat kwam doordat de medicijnen aansloegen of doordat de voorleestournee voorbij was, weet ik niet. Uiteindelijk zegde ik maar één lezing af en wist ik elf steden te bezoeken. Ik overleefde kerst en nieuwjaar, en ik gedroeg me als een schim van mezelf. Ik was vijftien pond afgevallen en nu begon ik weer aan te komen. Mijn vader en mijn vrienden feliciteer den me allemaal met mijn verbazingwekkende vooruitgang. Ik bedankte ze.

Binnen in mezelf wist ik echter dat wat was verdwenen alleen maar symptomen waren. Ik vond het vreselijk om elke dag mijn pillen te nemen. Ik vond het vreselijk dat ik was ingestort en gek was geworden. Ik was opgelucht dat ik de tournee had overleefd, maar ik werd overweldigd door mijn bestaan in de wereld, door andere mensen en hun levens die ik niet kon leiden, banen die ik niet kon hebben. Ik was weer terug waar ik was aan het begin van de depressie, maar nu begreep ik hoe erg het kon worden. Ik was vastbesloten nooit meer zoiets te zullen doormaken. Ik voelde me een beetje als mijn oude zelf, maar het jaar was zo verschrikkelijk geweest, en had me zo van mijn stuk gebracht dat hoewel ik nu weer normaal functioneerde, ik ook had beseft dat ik niet verder kon. Dat voelde niet irrationeel, als de angst; het voelde niet boos; het voelde redelijk zinnig. Ik had genoeg gehad van het leven en wilde uitzoeken hoe ik er een eind aan kon maken met zo weinig mogelijk schade voor de mensen om me heen. Ik moest iets laten zien, zodat iedereen zou begrijpen hoe wanhopig ik was. Ik moest het onzichtbare juk opgeven voor een zichtbaar juk.

Ik twijfel er niet aan dat het bijzondere gedrag dat ik koos hoogst individueel was en verbonden met mijn eigen neuroses, maar de beslissing me te gedragen met zo'n honger naar zelfverlies was typerend voor een ingrijpende depressie. Ik hoefde alleen maar ziek te worden en dat zou me toestemming geven. Het verlangen naar een meer zichtbare ziekte was, zo zou ik later ontdekken, heel gewoon voor depressieve mensen, die vaak naar zelfverminking grijpen om hun lichamelijke toestand in overeenstemming te brengen met de staat van hun geest.

Ik kon niet bedenken hoe ik mezelf kanker of MS of allerlei andere ziektes kon geven, maar ik wist wel hoe ik aids kon oplopen, dus dat besloot ik te doen. In een park in Londen, op een eenzaam tijdstip ver na middernacht, kwam een kleine, bolle man met een dikke hoornen bril naar me toe en bood zichzelf aan. Hij trok zijn broek naar beneden en boog voorover. Ik ging aan het werk. Ik had het gevoel dat dit allemaal met iemand anders gebeurde; ik hoorde zijn bril vallen en het enige wat ik dacht was: binnenkort ben ik dood, dus ik word nooit oud en zielig als deze man. Een stem in mijn hoofd zei dat ik definitief dit proces in gang had gezet en snel zou sterven. Ik ervoer een intens gevoel van verlossing en dankbaarheid. Het was niet mijn bedoeling langzaam dood te gaan aan aids; het was mijn bedoeling zelfmoord te plegen met hiv als excuus.

In de drie maanden daarna zocht ik zulke ervaringen op met vreemden van wie ik vermoedde dat ze besmet waren, en nam steeds grotere en directere risico’s. Eén keer per week, vaak op woensdag, ging ik naar een plek waar ik een vruchtbare ervaring kon hebben die me zou infecteren. Mijn situatie was zo anders dan toen ik de vegetatieve symptomen had die gepaard waren gegaan met mijn instorting dat het niet in me opkwam dat ik nog steeds in de greep was van dezelfde ziekte als daarvoor.

Toen op een dag in begin oktober, na een van mijn vlagen van onaangename onveilige seks, ditmaal met een jongen die me was gevolgd naar een hotel en een dringende avance had gemaakt in de lift, realiseerde ik me dat ik anderen zou kunnen besmetten, en dat was niet mijn bedoeling. Ik had mijzelf willen doden, maar niet de rest van de wereld. Het was tijd om op te houden voor ik overal ziekte begon te verspreiden. De wetenschap dat ik zou gaan sterven, verlichtte ook de depressie die ik had gevoeld. Ik werd weer kalmer. Ik rekende uit hoe lang ik zou moeten wachten. In een briefje aan mezelf schreef ik op welke datum in maart er zes maanden voorbij zouden zijn gegaan na de laatste ontmoeting, en ik mijn test kon laten doen, mijn bevestiging krijgen. En in die hele periode gedroeg ik me keurig.

Tegen de week van de hiv-test slikte ik elke dag twaalf tot zestien milligram Xanax, zodat ik de hele tijd kon slapen en niet bang was. Donderdag die week stond ik op en luisterde mijn antwoordapparaat af. De verpleegster van de praktijk van mijn arts zei: «Je cholesterol is laag, je cardiogram is normaal en je hiv-test is prima afgelopen.» Ik belde haar meteen op. Het was waar. Ik was dus toch hiv-negatief. Zoals Gatsby zei: «Ik deed mijn best om dood te gaan, maar mijn leven is betoverd.»

Ik wist toen dat ik wilde leven en ik was dankbaar voor het bericht. Vanaf dat moment werden de dingen geleidelijk beter. Laat in de herfst merkte ik plotseling dat ik ’s nachts wakker lag, en dat mijn lichaam beefde, precies zoals het had gedaan op de dieptepunten van mijn depressie, maar dit keer was ik wakker van blijdschap. Ik had al jaren geen gevoel van geluk ervaren en ik was vergeten hoe het is om te willen leven, om te genieten van de dag die je beleeft en uit te zien naar de volgende, om te weten dat jij een van de gelukkige mensen bent voor wie de zin van het leven ligt in het leven ervan.

Ik voelde me veilig voor mezelf. Ik wist dat eeuwige droefheid, hoe sterk ik dat ook in mezelf had, het geluk niet aantastte. Kort daarna werd ik 33, en het was uiteindelijk echt een gelukkige verjaardag.

The Noonday Demon: An Anatomy of Depression. Uitg. Chatto.

Eind dit jaar verschijnt bij Anthos een vertaling.

Vertaling: Rob van Erkelens

Over de auteur: Andrew Solomon (1964) is romancier en schrijft voor The New Yorker. Hij publiceerde onder meer de roman Stone-boat. Dit is een fragment uit zijn nieuwste roman, The Noonday Demon. Solomon heeft in de afgelopen vijf jaar drie zenuwinstortingen gehad. Dit is het verhaal van zijn eerste breakdown.