The Sunshine Boys

‘Ik ben niet gestopt, ik ben ontsnapt’

Mijn vader was een lieve maar norse man die verstarde als mensen hem aan het lachen probeerden te krijgen. Er waren een paar grappenmakers die bij hem in de buitencategorie van de gulle lach bivakkeerden. Chaplin, Laurel & Hardy, voor minder deed-ie het niet.

Medium toneel2

Van onze kleinkunstige Grote Drie (Hermans, Kan, Sonneveld) moest hij om uiteenlopende redenen niet veel hebben. Hij behoorde tot het publiek waar iedere podiumkunstenaar nachtmerries van krijgt. Zeker als je er een hoop van bij elkaar hebt, in van die zalen die maar niet opschieten. De enige (boeren)grap die hij zich tegenover mij ooit permitteerde ging over mijn luiheid en luidde: ‘De paarden die jou ooit uit de klei hebben getrokken, staan nu nog te hijgen.’ Hij was oprecht verbaasd over mijn schaterlach.

Mijn vader had op het terrein van de gulle lach één held. Dat was André van Duin. Bepaald geen icoon in de Freek-de-Jonge-kringen waarin ik verkeerde. Maar door de bewondering voor wat Van Duin aan lachsalvo’s aan mijn vader ontlokte, leerde ik naar hem kijken. Als ik soms wel eens mopperde dat hij betere teksten verdiende, en we keken vervolgens samen naar de zoveelste herhaling van legendarische scènes (sketches), zoals ‘het restaurant’ (met Corrie van Gorp), of ‘de schoolklas’ en ‘de trouwambtenaar’ (met aangever Frans van Dusschoten), dan sprak de blik van mijn vader boekdelen: ‘Wát nou, sterkere teksten?!’ Gelijk had-ie.

Nu speelt André van Duin samen met Kees Hulst in The Sunshine Boys van Neil Simon, een komedie over komedianten die nooit doodgaan maar zachtjes uitflakkeren. Het lijkt een plotje van niks. Maar bij de lach is eenvoud nu eenmaal koning en timing een kwestie van ademen, en daar moet je ook niet te lang of te veel over nadenken. Het komisch duo Boogaard (Van Duin) en Van Os (Hulst) is ruim elf jaar (na knallende ruzie) uit elkaar en nu brengt een televisiegala ze opnieuw samen. Hun beste sketch (‘Komt een belastinginspecteur bij de dokter’) moet gerepeteerd worden. En dat betekent: het openrijten van oude showwonden. Sterk spul dus. Die Neil Simon kon er wat van. En Annie M.G. Schmidt heeft de tekst indertijd sterk vertaald en slim bewerkt. En de clou is: André van Duin speelt de underdog Willie Boogaard, die op een goed gekozen moment aan zijn neef (overigens een prachtrol van Ferdi Stofmeel) en een muisstille zaal uitlegt dat de door hem intens gehate collega Louis van Os (Kees Hulst) een onovertroffen geniale vakman is. Iets wat in de uitvoering van de repetities die wij meemaken betwistbaar mag heten. Want laten we wel wezen: wie is hier nu precies de lamenterende zeikerd van de twee? Is dat de brombeer die André van Duin speelt? Of is het toch de komiek van Kees Hulst, die ergens wanhopig uitroept: ‘Ik ben niet gestopt. Ik ben ontsnapt!’

Revue verhoudt zich tot toneel als free-style-jazz tot close-harmony. Ik wou wel zien hoe die wedstrijd evolueert. Dus kocht ik een kaartje voor de allereerste try-out, waarover het ‘schorriemorrie-van-de-pers’ (Sonneveld) niet geacht wordt iets te melden. En reserveerde vervolgens een journalistenstoel voor de (ingespeelde) voorstelling van drie weken later. Resultaat van de observatie: The Sunshine Boys is in die drie weken alleen maar beter geworden. De tot improviseren en buiten de lijntjes kleuren geneigde schmierekomiek André van Duin, en de gehaaide, in Wim T. Schippers getrainde toneelspeler Kees Hulst houden elkaar in een prachtig, beheerst, tragikomisch evenwicht. De grappen dwarrelen over de vloer van het shabby artiestenappartement als gele bladeren op een zonnige herfstmiddag. De regie van Gijs de Lange houdt de boel op een plezierige manier schoon, helder. Olga Zuiderhoek heeft een kort en ijzersterk optreden als verpleegster. En zelfs haar showy evenknie, Zuster-Dekker-lekker-lekker-lekker (Anna Jongen), met haar geprononceerde bos-hout-voor-de-deur (Sonneveld), is in haar daverende cliché-verschijning een niet te missen topnummer. Er zit in de vormgeving helemaal aan het begin en helemaal aan het eind een erg mooie melancholische knik, die we hier niet verklappen, maar die in hoge mate bijdraagt aan het kijkersgeluk. En boven alles: Jezus, wat een van God gegeven speelplezier!

Mijn vader zat naast me in het gangpad. Het is dat-ie al elf jaar dood is, maar anders zou ik hier schrijven: hij heeft zich, met een brok in zijn strot, he-le-maal scheel gelachen.


The Sunshine Boys_, DelaMar-theater, t/m 17 mei_