INTERVIEW MET JOHAN SIMONS

‘Ik ben niet groter dan Mozart’

Bij zijn eerste operaregie, twee jaar geleden in Parijs, werd hij luidruchtig uitgejouwd. Nu verwacht hij enig beschaafd boegeroep in Amsterdam bij zijn tweede operaregie, Die Entführung aus dem Serail van Mozart: ‘Mijn esthetiek is die van het onbekende, van de straat.’

Een boerenjongen wordt over twee jaar intendant van een van de belangrijkste theaters in Duitsland, de Münchner Kammerspiele. Johan Simons is in een klein Zuid-Hollands dorp geboren en hij begon met zijn groep Hollandia te spelen op ver afgelegen locaties op het platteland van Noord-Holland, in boerderijen, schuren, kassen, kippenhokken en leegstaande fabrieken. Nu geldt hij als een van de belangrijkste Europese theaterregisseurs. Na de leiding te hebben gehad van gezelschappen in Eindhoven en Gent zal hij in 2010 naar München gaan, waar hij als gastregisseur al diverse in Duitsland zeer gewaardeerde voorstellingen heeft gemaakt, zoals een zeer strakke Anatomie Titus van Heiner Müller, de Pruisische klassieker Prinz Friedrich von Homburg van Heinrich von Kleist en een eigen Duitstalige bewerking van De Tien Geboden, naar de tiendelige serie films van de Poolse cineast Krzysztof Kieslowski.

Johan Simons durft grote uitdagingen aan en hij durft nog steeds het publiek te confronteren met zijn eigen opvattingen. Dat geldt nu zeker ook voor zijn enscenering van Mozarts Singspiel Die Entführung aus dem Serail uit 1782, dat luchtig lijkt, maar meerdere dubbele bodems bevat. Hij is er al voor gewaarschuwd dat het premièrepubliek in het Amsterdamse Muziektheater graag ‘boe’ roept als de regisseur van een voorstelling die er onverwacht uitziet na afloop op het toneel komt. Hij heeft erger meegemaakt na zijn eerste operaregie, de moeilijke opera Simon Boccanegra van Verdi, die hij tegen een achtergrond van actueel lijkende verkiezingsaffiches regisseerde in het Bastilletheater in Parijs, op verzoek van intendant Gerard Mortier. Toen brulde het Parijse publiek een orkaan van afkeuring op hem af. Zijn Duitse decorontwerper Bert Neumann, die nu ook de vormgeving van Die Entführung doet, waarschuwde hem al dat hij zich schrap moet zetten om niet weggeblazen te worden.

Voor de Amsterdamse operavoorstelling heeft Neumann heel veel verschillende elementen aangevoerd. De voorstelling begint met twee rode theaterstoelen vóór het dichte gordijn. Twee mensen zitten ongemakkelijk vlak bij elkaar heel nietig op dat grote toneel van het Muziektheater. ‘Ze spiegelen het publiek’, zegt Johan Simons. Er zijn voordoeken waarop het lege toneel is afgebeeld en een enorm schilderij met een pasja en een aantal halfnaakte dansende dames: het beeld dat het Westen heeft van een Turkse harem. Dan is er een huisje-achtig toneel-op-het-toneel, met een grote, ordinaire zitbank die uit slecht passende stukken bestaat en een gordijn van kitscherig vergulde metalen munten: het kan een Bollywood-film zijn of een Marokkaanse huiskamer. En ten slotte valt het decor met een klap om en zien we het enorme, lege toneel. Simons: ‘Ik wil graag op het toneel de werkelijkheid confronteren met de illusie.’

Maar nog belangrijker is dat we geen stijve zangers zien, maar mensen, jonge mensen van vlees en bloed met hun onzekerheid, hun ambivalentie, hun boosheid, hun onbegrip, hun conventies en hun drang daar tegen in te gaan. We zien niet alleen het verhaal van twee westerse meisjes die in een harem opgesloten zitten en gered moeten worden door hun geliefden. We zien ook hoe westerlingen naar het Oosten kijken en oosterlingen naar het Westen en hoe een van die oosterlingen, de Turkse machthebber, de Bassa Selim, de vooroordelen van de westerlingen beschaamt door aan het einde een groots en genereus gebaar te maken en hun ongedeerd naar Europa te laten vertrekken.

Dat heeft Johan Simons niet zo bedacht, dat hebben om wat voor reden dan ook Mozart en de bewerker van het libretto, een zekere Johann Gottlieb Stephanie d.J., zo opgeschreven. Een tot de islam bekeerde christen wil aan het slot geen wraak meer, maar vergeving. Het maakt dit zangspel in de ogen van Johan Simons uiterst actueel en politiek: een antwoord op de xenofobie van Wilders en andere islamhaters. Hij zegt: ‘Ik begrijp die angst voor de islam, die angst voor het vreemde niet. In deze opera laat de oosterling, de Bassa Selim, zich aan het einde van zijn humane kant zien. Zoals ook de islam humane kanten heeft. En wat is de weg terug? Ze allemaal terugsturen? Dat gaat toch al lang niet meer, in dat leven leven we niet meer.’

Johan Simons: ‘Deze opera van Mozart gaat over mensen. In de hoofden van die mensen zijn verschillende culturele waarden vastgezet en die worden met elkaar geconfronteerd. Maar het gaat in de eerste plaats om het persoonlijke verhaal van die mensen en ik kan er mijn hand voor in het vuur steken dat er door deze zangers razend goed gespeeld wordt. Wat Laura Aikin als Konstanze doet, als zij haar grote aria zingt, dat is echt schandalig mooi. Zij is de gevangene van de Bassa Selim. Toch voelt zij zich ook tot hem aangetrokken, zij wil trouw blijven aan haar Europese verloofde, maar het geile is dat je hoort en ziet dat er ook een grote erotiek bestaat tussen haar en die Bassa Selim. Ze kunnen niet van elkaar afblijven. Op het ene moment geeft ze hem een tongzoen en een seconde daarna wil ze hem weer vermoorden. In die aria zitten alle mogelijke stemmingen.

Dat is het knappe van Mozart: hij schrijft vrolijke deuntjes en gaat dan soms weer helemaal de diepte in. Mozart is een meester in stemmingen. Je hoort in de muziek dat er een enorme aantrekkingskracht tussen die twee mensen bestaat. Toch gaat zij aan het einde weg met haar oorspronkelijke verloofde. Maar misschien zal ze op het schip spijt krijgen dat ze haar grote liefde heeft opgeofferd. Die tegenstelling, dat gevecht, dat vind ik heel herkenbaar.

De twijfels, de ambivalenties, dat omslaan van stemmingen, daar waren de dirigent en ik het heel snel over eens. Deze Griekse dirigent Constantinos Carydis is nog maar 33 jaar, maar dat wordt een heel grote jongen, die ongelooflijk dynamisch dirigeert. Je hoort de muziek in golven opkomen. Het is heel zacht, pianissimo, je hoort bijna niks meer, dan komt het aanzwellen en aanzwellen, en ineens is het weer heel zacht. Van die stemmingen in de muziek heb ik veel gebruik gemaakt. Ik ben op zoek gegaan naar wat die muziek nu voor mij betekent en hoe Mozart het nu geënsceneerd zou willen zien. Ik vind mezelf niet groter dan Mozart. Het zijn allemaal stemmingswisselingen, het is een doolhof van stemmingen.’

Muziek en theater zijn Johan Simons niet van huis uit meegegeven. Hij werd 61 jaar geleden geboren in een boerengezin in het dorpje Heerjansdam, tussen Zwijndrecht en Rotterdam. Zijn moeder ging één keer per jaar naar de Mattheüs Passion en dat was het. Maar omdat zijn vader gokziek was en al zijn geld verloor op de paardenrennen had zij ook een pension aan huis. Daar waren vaak onderwijzers in de kost die werkten op de dorpsschool, een christelijke School met de Bijbel, maar toch brachten ze iets binnen van de grote stad. Een Duitse lerares aan de huishoudschool speelde dwarsfluit en bracht Johan ‘als nieuwsgierige middelste zoon’ in aanraking met het Rijk der Kunsten. Johan Simons: ‘We leefden in bittere armoede, maar ik heb daar helemaal geen last van gehad, ik heb daar op het platteland een fantastische jeugd gehad. Toen ik achttien was kon mijn moeder een boerderij op de Veluwe kopen en zijn we verhuisd uit Heerjansdam. Daarna heb ik nooit meer ergens kunnen wennen. Het maakt me niet uit waar ik woon. Ik vind het eigenlijk heerlijk om altijd onderweg te zijn. Twaalf jaar heb ik op een varende woonboot gewoond, dat was prima voor mij. Mijn zoons zijn opgegroeid in de Betuwe en dat kun je aan ze merken, ze zijn veel rustiger dan andere kinderen. Zelf geld ik ook als tamelijk rustig en stressbestendig. Maar behalve in mijn gezin zal ik altijd en overal wel een buitenstaander blijven.’

Sinds 2005 woont Simons met zijn gezin (actrice Elsie de Brauw en hun twee zoons van vijftien en zeventien jaar) in Gent, waar hij directeur is van NTGent. Hij heeft daar in één klap een Europees gezelschap van gemaakt, waar de beroemde Zwitserse regisseur Christoph Marthaler een gastregie doet (Maeterlinck). Alleen al in het voorjaar van 2008 zijn negen voorstellingen van NTGent te zien in Berlijn, Parijs, Glasgow, Keulen, Hamburg, München, Straatsburg, Vilnius en in dertien steden in Nederland. Johan Simons regisseert in Gent de ene na de andere voorstelling, pas nog kort achter elkaar een Nederlandse versie van de Tien Geboden en Instinct, een muzikale krimi naar de film Double Indemnity. Maar hij reist ook nog kris en kras door Europa om gastregies te doen, zoals Merlijn, een coproductie met de Ruhrtriennale. ‘Nee, hoor, dat is geen roofbouw’, vertelt hij met een grijns. ‘Gelukkig ben ik er altijd erg goed in geweest om dingen om mij heen te regelen. Ik heb altijd goede mensen weten te kiezen en ik kan heel goed delegeren. Ik hoef niet alles voor het zeggen te hebben, ik ben wel de baas, maar dat is niet meer dan een rolverdeling. Je werkt met elkaar op basis van argumenten en overtuigen. Dat stamt nog uit de tijd van Hollandia en dat vind ik heel prettig.’

Die Entführung mag dan pas zijn tweede operaregie zijn, muziek, muziektheater, was nooit ver weg. Twintig jaar lang werkte Simons samen met slagwerker en regisseur Paul Koek, die nu in Leiden de Veenfabriek leidt. Hun laatste voorstelling samen was Sentimenti, over mijnwerkersleed, met veel muziek van Verdi, bedacht door Gerard Mortier voor de Ruhrtriennale. Dit seizoen nog gaan Koek en Simons samen in München Hiob doen, naar het boek van Joseph Roth uit 1930 over een moderne, joodse Job, die uit Rusland naar Amerika trekt, alles verliest, maar op het laatst zijn zoon terugvindt, die intussen een beroemde musicus is geworden.

Johan Simons ziet er nu uit als een stevige, Hollandse boer, maar hij startte ooit op een dansopleiding en volgde daarna de toneelschool in Maastricht. Hij ging werken bij de – nog helemaal traditionele – Haagse Comedie: ‘Daar werd ik knotsgek. Ik sloeg dingen in elkaar, het ging helemaal niet goed met me.’ Maar hij ging er wel al regisseren: vreemd genoeg een drugsverslavingsproject. Op een Shakespeare-workshop kwam hij Paul Koek tegen, ‘dat klikte binnen drie seconden’ en hij haalde hem er bij toen in Noord-Holland eerst het Regiotheater en toen Hollandia werd opgericht. Vanaf het begin waren ook de acteurs Jeroen Willems, Elsie de Brauw, Betty Schuurman en Bert Luppens daar bij betrokken, nu stuk voor stuk topacteurs, hij had ze leren kennen in Maastricht toen hij daar les gaf. Keerpunt was een voorstelling van Hollandia in Amsterdam: ‘Het was net of ik die avond eindexamen deed, de zaal zat vol Amsterdamse theatermensen die kwamen kijken of ik een nieuw regietalent was. Ik zei tegen de technicus met wie ik naar huis reed: “Daar ga ik niet aan beginnen, dat wordt niks, dan ga ik op al die anderen lijken.” Op een wandeling met Paul Koek bedachten we dat we op locatie zouden gaan spelen, toen nog iets heel nieuws. Ik heb Amsterdam letterlijk de rug toegekeerd en er dertien jaar niet meer gespeeld. We wilden in een isolement onze eigen taal ontwikkelen.’

Boerendrama’s en Griekse tragedies werden op schamele locaties opgevoerd op een soms hoekerige, stoterige manier. Geen aangenaam vleiend, maar altijd interessant theater, dat tot in München en Berlijn is opgevallen. Johan Simons belooft dat hij in München zichzelf trouw zal blijven en niet alleen in het dure Schauspielhaus aan de Maximilianstrasse zal spelen, maar ook op locaties in de periferie van de stad: ‘Ik ben altijd een pionier geweest. Met locatietheater, maar ook door als eerste Nederlander in Avignon, in Salzburg en in de Parijse Opera te regisseren.’

Hij ziet er niet tegenop dat ook zijn Entführung in Amsterdam weerstand zal opwekken: ‘Er zullen wel vijf, zes operaregies voor nodig zijn voordat ze daaraan gewend zijn. Toch ben ik geïnteresseerd in een groot publiek. Daarom doe ik graag opera’s, maar ik zou ook een operette als Das Land des Lächelns van Léhar willen doen en een musical als Foxtrot van Annie Schmidt en Harry Bannink. En ik wil in München Engelse well-made plays regisseren. Plannen genoeg, ook al weet ik dat ik al 64 jaar ben als ik in 2010 in München begin. Voorlopig doe ik nog veel opera, Blauwbaards burcht van Bartók in Salzburg en Fidelio in Parijs, in het oude operagebouw, de Garnier, waar Proust zo veel over schrijft.

Opera is bijzonder omdat het tijdsverloop zo anders is dan op het toneel. Een liefdesverklaring neemt op het toneel een paar seconden, in de opera kan het tien minuten duren. Maar voor een revolutie heb je op het toneel vier uur nodig, in de opera kan het door een omslag in de muziek in één minuut plaatsvinden. Opera is voor mij een vorm van toegepaste kunst, waar je als regisseur maar een beperkte speelruimte hebt. Die zoek ik vooral in de fermate, de momenten dat er even niets te horen is. Dan kan de zanger zich even omdraaien, of gaan zitten of iemand een schop geven. Dat is de halve of tiende seconde waarin ik het als regisseur voor het zeggen heb.

In München zal ik minder opera kunnen doen, hoogstens in de zomervakantie in Salzburg. Maar ik ben nog niet klaar met de opera, omdat ik voel dat ik in staat ben de ziel van de mensen die op het toneel staan naar buiten te peuren.’

Die Entführung aus dem Serail is nog t/m 28 februari te zien in het Muziektheater Amsterdam, tel. 020 6255455 of www.dno.nl