Ik ben niet in de haak

Wie rijk is, moet het recht hebben in particuliere klinieken geholpen te worden; wie rijk is moet het recht hebben in betere bejaardenhuizen te mogen sterven; wie rijk is, moet zijn kind naar een betere school mogen sturen; wie rijk is moet het recht hebben op een behandeling die beter, sneller en effectiever is; wie rijk is moet het recht hebben op betere plaatsen in de opera, het concertgebouw of het theater. Het recht hebben… Het is een discussie die ik niet kan winnen - wie rijk is heeft meer rechten, zo simpel is het.

Maar het stuit mij tegen de borst. Wat mij tegen de borst stuit is dat het omgekeerde veel effectiever zou zijn. Wanneer je kansarme kinderen (bestaat de term ‘kansarm’ nog, ik hoor hem nooit meer) naar goede gymnasia zou sturen, zullen ze later in de maatschappij beter hun weg vinden. En minder kans hebben arm te blijven. Wanneer je bijstandsmoeders en werklozen in particuliere klinieken zou behandelen waar ze veel aandacht zouden krijgen, zouden ze misschien wel eerder genezen.
Maar dit kan allemaal niet, omdat dat stomme geld er is. Dat is iets wat ik eigenlijk niet kan verkroppen en waar ik hoe langer hoe meer moeite mee heb.
Ik ben een vreselijke kapitalist, ik heb niets tegen geld verdienen, ik ben liever miljonair dan arm, maar desondanks vind ik niet dat rijken meer privileges mogen kunnen kopen. En ik heb daar geen enkel argument voor.
Sterker: ik doe zelf mee. Mijn dochter zit op een elitair gymnasium in Amsterdam. Ikzelf heb mij onlangs in een particuliere kliniek laten behandelen. Zodra ik me iets van luxe kan permitteren, ga ik daarop in: ik heb er toch zeker voor gewerkt.
De tweedeling in de maatschappij zie ik alleen maar groeien, en ik hoop voortdurend dat ik aan de goede, rijke, kant zit. Maar ik vind het domweg vreselijk. Ik voel me daar niet thuis. Ik kan makkelijk tweehonderd gulden voor een bijzonder kaartje betalen, gesteld dat het tweehonderd piek zou kosten. Maar wie of wat het dan ook is, ik zou dat toch vervelend vinden.
Ik heb geen moeite om voor de dingen te betalen, maar dat ik betalen moet, ergert mij altijd. Waarom is de dokter niet gratis, waarom moet ik het kaartje voor de tram betalen, waarom moet ik voor een mooi concert geld uitgeven? Ja, ik weet wel waarom - maar daarmee is het toch niet goed? Het lullige is dat ik ook niet weet hoe het anders zou moeten. Je blijft dus altijd maar zeuren over 'kapitalisme met een menselijk gezicht’, wat van een labbekakkerigheid is en van een lafheid die zijn weerga niet kent; een taalvondst is het - meer niet.
Aan rijke mensen heb ik eigenlijk een bloedhekel, maar ik ken alleen maar heel aardige rijke mensen. De arme mensen in mijn kennissenkring zijn zonder uitzondering: klagers, altijd ziek, werkloos, jaloers, gierig, lullig, niet creatief, besluiteloos, ze verwijten me van alles - noem maar op. Van die mensen hou ik. Ik wil heel graag God zijn, denk ik vaak als ik bij ze ben. En dus betaal ik dan hun biertjes, hun kaartjes en ik zou ook heel graag hun particuliere kliniek willen betalen. Dat wordt mij dan kwalijk genomen. 'Betaal dan maar meer belasting’, zeggen ze dan. 'Ik ben voor belastingverlaging’, zeg ik - en dan heb ik ruzie.
Soms lig ik hier wakker van - echt waar. Dan strijden de kapitalist en de communist in mij. De kapitalist wint altijd, want die heeft meer geld, meer plezier en leeft vele malen leuker. Daar heeft hij ook recht op, vind ik. Maar het is niet in de haak!