‘ik ben niet verzuurd’

Hij was jarenlang kunstrecensent bij De Telegraaf. Dat de krant hem op onprettige wijze wegwerkte, heeft Jan Spierdijk haar vergeven. Maar voor de schrijvers van de Koos-Takcolumns in de Haagse Post is hij minder mild. Onlangs verscheen deel een van zijn memoires. Nee, zijn Telegraafjaren komen daarin nog niet aan bod. Jan Spierdijk, Jeugd vol verwachting. Amsterdamse herinneringen 1919-1940. Uitgeverij Scheffers, 190 blz., f34,90
HET LIEFST WAS JAN Spierdijk (75) dichter geworden. Maar omdat hij voor De Waarheid had gewerkt, kon hij alleen nog bij De Telegraaf terecht, en omdat hij voor De Telegraaf schreef, werd hij door weldenkend links Nederland niet serieus genomen.

Dientengevolge werd zijn werk vrijwel niet besproken. Maar met zijn kunstredactie, die door de directie van De Telegraaf werd omschreven als rood en anarchistisch, had hij vrij spel. Hij haalde er Dimitri Frenkel Frank, Adriaan Venema, Eelke de Jong en Haya van Someren binnen. Tot zijn verdriet werd hij in de Haagse Post door Rijk de Gooijer en Eelke de Jong neergezet als Koos Tak. In 1981 vocht Spierdijk met succes de vervroegde uittreding aan die De Telegraaf hem had toegedacht. Een overwinning die hem uiteindelijk weinig goeds bracht, want de redactie knoeide in de verhalen die hij nu thuis schreef.
Onlangs is het eerste deel van Spierdijks memoires verschenen, getiteld Jeugd vol verwachting. Het tweede deel moet over de oorlogsjaren gaan. Spierdijk betwijfelt of hij toekomt aan de woelige tijd na de oorlog, als kunstrecensent van De Telegraaf.
Spierdijk: ‘In veel opzichten was De Telegraaf een anarchistische krant. Vooral de kunstredactie. “De rode kunstredactie” noemde de hoofdredacteur ons. Lees Adriaan Venema er maar op na. Ik had hem aangenomen nadat ik zijn plakboek met artikelen uit de Provinciale Zeeuwse Courant had ingezien. Later zei ik nog tegen Venema: als je schrijver wilt worden, moet je hier ontslag nemen. Dimitri Frenkel Frank en Eelke de Jong werkten onder mij. Haya van Someren is ook hier begonnen. God, wat een brutaal wijf was dat. Ik heb nog nooit een vrouw meegemaakt die zo kon vloeken. De jongens van kunst gingen nooit met de andere redacties om, dat was maar een vervelend zootje.
Er werd vreselijk veel gezopen. Fotograaf Anton Veldkamp probeerde eens met zijn auto het Americain binnen te rijden. Je kon alles maken, als je je werk maar goed deed. Ze belazerden de boel echter bij het leven, de salarissen waren laag in het begin. Ik heb een keer gezegd: we zitten met zijn allen in een hok en ik vind het niet nodig dat jullie onderling taxibonnen ruilen. Ik moest die dingen tekenen voordat ze naar de hoofdredactie gingen. Eelke de Jong had de gewoonte om onderweg van de hoofdredactie naar de kassa de bonnen te vervalsen. Een lekker dier. Lag hij ’s nachts te slapen in de grote leren fauteuil van hoofdredacteur Stokvis omdat hij te dronken was om zijn bed te halen.’
SPIERDIJK ZIET er nog steeds uit als een kunstrecensent, maar dan een uit vervlogen tijden. Bretels, een spijkerbroek, een rood sjaaltje. Zijn huis in Abcoude, dat galerie ’t Schone Gein herbergt, hangt vol schilderijen. Veel werk van Kees Verweij, de 95-jarige schilder met wie Spierdijk nog steeds contact heeft. Kasten vol literatuur, vitrines met beeldjes. Vriendin Josee (47) is samen met haar hond bij hem ingetrokken.
Spierdijk praat veel over De Telegraaf. Hij is niet verbitterd, al kijkt hij met gemengde gevoelens terug op zijn lange loopbaan bij De Telegraaf. Door progressief Nederland werd hij scheef aangekeken. Eerder had hij al problemen gehad omdat hij voor De Waarheid werkte. Spierdijk: 'De Waarheid was de grootste krant van Nederland. Jan Brusse deed er de kunst, ook al wil hij dat nu niet meer weten. Na hem kwam Gerrit Kouwenaar. Toen ik bij De Waarheid wegging, kon ik bij een heleboel kranten niet meer terecht. Het liefst was ik bij Het Parool gaan werken. Typisch Nederlands, ik vind dat afschuwelijk. Bij De Telegraaf kon ik nog wel terecht, dat getuigde toch van durf van die hoofdredactie. Sommige mensen lazen De Telegraaf alleen vanwege de kunstrubriek, daar ben ik nog steeds heel blij om. Vooral voor de oorlog was De Telegraaf een kwalitatief goede krant. De kunstredactie stond onder leiding van Arntzenius, de muziekcriticus, en Weremeus Buning, de toneelcriticus.
Ik had een eigen chauffeur omdat ik veel voorstellingen in het hele land bezocht en geen rijbewijs had. Ik ben erg a-technisch, ben zeven keer voor mijn rijexamen gezakt. Borgesius, de toenmalig hoofdredacteur van De Telegraaf, zei toen ik vijftig werd: “Die chauffeur wordt wel erg begrotelijk, blijf maar slapen in een hotel.” “Je ziet mij toch niet de nacht doorbrengen in Tilburg of in Eindhoven”, antwoordde ik. Hij bood mij een auto van de zaak aan. Die weigerde ik, ik heb een raar soort trots in die dingen. Van mijn eigen geld heb ik vervolgens een Daf 55 gekocht, waarin ik acht jaar zonder rijbewijs heb gereden. Ik werd wel eens aangehouden, maar omdat ik een groot bord met Pers in de auto had, mocht ik doorrijden.’
SPIERDIJK HAD afgedwongen dat zijn artikelen over toneel nooit op dezelfde dag in de krant zouden komen als de stukken van Henk van der Meyden. 'Dan stond er naast een scherpe kritiek van mij in dezelfde krant een groot positief artikel over hetzelfde toneelstuk van Henk van der Meyden. Dat is mijn grote ergernis geweest.’ Hij gaat rechtop in zijn stoel zitten en verheft voor het eerst zijn stem: 'Dan dacht ik, potverdomme, wat heeft die Van der Meyden nu weer uitgehaald. Toen hij met Van den Ende in zee ging, had ik de brutaliteit om te schrijven: alle ellende begon bij Van den Ende.
Maar heel weinig actrices hebben hem durven weerstaan door geen interviews te geven. Onder anderen Petra Laseur en Wiesje Bouwmeester, die wilden uit principe niets met die man te maken hebben. Mary Dresselhuys doet het wel. Ze kwam bij mij thuis en dan zei ze: “Ik kom er niet onderuit, Van den Ende dwingt mij ertoe, het staat in mijn contract.” Met Van der Meyden heb ik hoogstens twintig woorden gewisseld. Hij was beneden mijn waardigheid. Ik heb hem ooit in cafe De Koningshut gezegd dat hij die groene tanden eruit moest laten halen en een goed gebit moest nemen.’
In 1981 dwong De Telegraaf Spierdijk tot vervroegde uittreding, na 32 jaar trouwe dienst. Hij weigerde en won de slepende affaire. Tot zijn vijfenzestigste schreef hij zijn stukken thuis en stuurde ze per post naar de redactie. Spierdijk: 'Altijd werd mij gezegd, de redactie staat achter je. Dan verwacht je niet dat ze later in je stukken gaan schrappen. Vanaf dat moment wilde ik er niet meer komen. Ik stuurde ze hooguit een vuile brief. De hoofdredactie gaf mij vervolgens te kennen dat ik beter niet meer naar het toneel kon gaan. Ik had een heel zenuwachtige vrouw en die werd daar doodziek van. Ik was strijdbaar en zij niet. Nu ga ik niet meer naar toneel. Dan zit ik notities te maken, daar word ik gek van. Dan kom ik thuis met een volgekrabbeld programma en kan ik er niets mee doen.’
De Telegraaf ontvangt hij nog steeds. Gratis, de krant zorgt goed voor zijn oud-medewerkers. Hij is er snel doorheen, de kunstpagina slaat hij liever over: 'Die Peter Liefhebber schrijft zulk abominabel Nederlands. Vreselijk. Het is niets meer, de hele constellatie is veranderd. Ze hebben zo veel advertenties. Vroeger had je op de kunstpagina drie advertenties, tegenwoordig heb je twee kolommen advertenties en de ruimte daartussen moet dan worden opgevuld met kunst. In het begin ergerde ik mij zo aan het taalgebruik dat ik het aanstreepte en de artikelen bewaarde. Toevallig ruimde ik gisteren de boel op en heb ik alles maar weggegooid. Ik heb er geen zin meer in.’
IN ZIJN ONLANGS verschenen memoires, getiteld Jeugd vol verwachting, schrijft Spierdijk smakelijk over zijn vooroorlogse jeugd in Amsterdam. Het Amsterdam van Lou Bandy en Louis Davids, de Staatsliedenbuurt (waar hij geboren is), Willem Mengelberg, Kunsthuize Vecht en cafe Reijnders. Zijn eerdere boeken bleven onopgemerkt, hetgeen volgens Spierdijk te maken heeft met zijn Telegraaf-verleden.
Spierdijk: 'In 1961 verscheen Moor zij is niet kuis, een autobiografische roman die zich afspeelt in de toneelwereld. Ik kreeg hele goede kritieken. Toen er echter een boekpresentatie in de Rai was, had mijn uitgever Contact alle auteurs uitgenodigd behalve mij. Omdat ik bij De Telegraaf werkte. Het boek werd eigenlijk onder de toonbank verkocht. De Telegraaf werd gemeden als de pest. Uitgever Van Oorschot stuurde officieel geen recensie-exemplaren naar De Telegraaf maar gaf ze mij wel stiekem in handen. Er is nu een heel mooie catalogus met Perzische kwatrijnen uitgegeven door de Bijenkorf, maar denk maar niet dat ze mij vragen. Mijn naam werd overgeslagen, en ook dat heeft te maken met mijn Telegraaf-verleden. Dat klinkt verbitterd, maar het kan me niet meer zo veel schelen.
Door scheidingsperikelen hebben mijn memoires een paar jaar op de plank gelegen. Vervolgens gingen ze van de ene naar de andere uitgever. Dan kreeg ik een brief dat mijn boek niet in het fonds paste. Een andere zei memoires van koningin Beatrix wel te willen uitgeven, maar niet van Jan Spierdijk. Of het werd afgekeurd omdat de stijl zo slecht zou zijn, hetgeen onzin is.’
Spierdijk opent een fles witte wijn, kat Katyn klimt op zijn schouders en blijft daar onverstoord zitten. Spierdijk praat veel met zijn katten. 'Katyn speelt de barones, dan gaat ze deftig voor je zitten, maar dan komt er ineens een enorme krolse roep uit, en dat voor zo'n klein katje. Dan valt ze uit haar rol. Als je mooi over katten wilt lezen moet je Colette lezen. De Engelsen kunnen ook mooi over katten schrijven. Dat boek van Kousbroek over de aaibaarheidsfactor van katten is ontzettend pretentieus. Hij schrijft veel te intellectueel over katten. Katten zitten niet zo in elkaar. Die jongen heeft wel talent maar hij zou veel eenvoudiger moeten schrijven. Dat kan hij niet.’
WIJLEN EELKE DE JONG schreef samen met Rijk de Gooijer jarenlang een column in de Haagse Post over de mislukte, oudere journalist Koos Tak. Koos Tak woonde, evenals Spierdijk, in de Spoorstraat te Abcoude. Rijk de Gooijer vertelde in Het Parool van afgelopen zaterdag dat de figuur Koos Tak gebaseerd was op Jan Spierdijk. Volgens De Gooijer had Spierdijk Eelke de Jong ontslagen bij De Telegraaf. Ooit had Spierdijk De Gooijer omschreven als een acteur-van-lik-me-reet. In Het Parool zegt De Gooijer dat het hem allemaal niks uitmaakte, maar dat elke feuilleton zoete wraak was voor Eelke de Jong.
Spierdijk: 'Die column ging aanvankelijk helemaal niet over mij, maar over Frits van der Molen, een journalist van Elsevier. Hij had ooit De Mandril opgericht en was een kameraad-zuipschuit van De Gooijer en De Jong. Koos Tak was een volkomen mislukte, zielige verslaggever. Ik ben nauwelijks verslaggever geweest en zeker niet zielig. Mijn grootste bezwaar was dat de Spoorstraat in Abcoude was uitgezocht als het adres van Koos Tak en dat mijn gangen werden nagegaan. Ik kreeg en krijg nog steeds post op de naam van Koos Tak.
Op het dorp hier was iemand die keek of ik gekke dingen deed en dan stond het een week later in de Haagse Post. Nu weet ik wie het was, hij woont hier schuin tegenover, een lid van De Kring. En een tandarts uit het dorp hoorde erbij. De column werd wel eens voorgelezen hier in cafe De Eendracht. Een keer heb ik daar iemand op betrapt en hem een glas jenever over z'n hoofd gegooid. Of ze hielden ’s nachts feestjes en kreeg ik telefoontjes met de mededeling dat ik nog maar twee dagen te leven had. Mijn vrouw, die bang voor alles was, zei dan: morgen ga je het dorp niet in. Op een gegeven moment heb ik met een proces gedreigd, ze wilden een televisiefilm maken van de column.
Eelke de Jong, die gereformeerde slijmerd, had het met Rijk de Gooijer als een grap opgevat. De rancune zat vooral bij De Jong. Hij werd overgeplaatst van de kunstredactie en vervolgens ontslagen omdat hij de boel oplichtte. Ze hebben nooit de consequenties van hun grap ingezien. De affaire heeft bijgedragen tot de verslechtering van mijn huwelijk en de latere scheiding.’
Opmerkelijk genoeg hangen de tekeningen van Peter van Straaten, die de column destijds verluchtte met tekeningen, overal in huize Spierdijk.
WE MAKEN EEN wandeling door de tuin, vol vruchtbomen, hulst, gouden en blauwe regen. Spierdijk heeft zijn baret opgezet. Josee schildert in het tuinhuis. Er dendert een trein voorbij. Binnen een paar jaar zal hier de TGV voorbijrazen. Spierdijk: 'Tegen die tijd ben ik misschien wel doof.’
Spierdijk vervolgt: 'Mensen denken weleens dat je verzuurt als je ouder wordt. Ik ben niet verzuurd, ook al heb ik veel klappen gekregen. Wel kan ik mij nog steeds flink kwaad maken. Vroeger schreef ik dan politieke gedichten. Die kwamen in De Telegraaf, ook al was de directie het er niet mee eens. Laatst heb ik de Vara nog gebeld, omdat ik die dikke niet langer kon verdragen, die vent voor wie ze miljoenen hebben betaald. God, hoe heet-ie ook weer, Paul de Leeuw. Vroeger belde ik veel sneller, maar toen had ik meer connecties. Het leven is vol tragiek, maar mij is veel bespaard gebleven. Ik mag niet mopperen.’
Spierdijk wijst naar de beroemde molen van Abcoude, ooit geschilderd door Piet Mondriaan. 'Mijn goede vriend Gied Jaspers ligt daar nu te sterven, de arme jongen. Ik ben vrijwel nooit ziek geweest. Laatst had ik een griepje. Josee haalde onmiddellijk een dokter bij mijn bed. Die was bang voor een longontsteking en gaf mij een kuur. Die heb ik niet afgemaakt, ik gooide die rotzooi onmiddellijk weg. Mijn moeder deed dat ook altijd. Ze zat in een bejaardentehuis, tot ze stierf op haar achtennegentigste. Mijn vader is jong gestorven, die werd maar 84.
De dood moet je accepteren. Ik ben er niet bang voor. Het is onvermijdelijk. Ik ben niet zo bang voor de dood, meer voor het ouder worden. Het proces van ouder worden is mooi, maar als ik zo om mij heen kijk zie ik veel vrienden half seniel worden. Het lijkt me erg als je mentaal achteruit gaat. Ik heb een goed geheugen, maar hoe lang zal dat zo blijven? Mijn eerste boek heb ik helemaal uit mijn geheugen geschreven, bij het tweede moest ik nadenken. Ik was gisteren op het Centraal Station en merkte dat ik niet meer zo doldriftig ben als vroeger. Laatst was ik met Josee in de Bijenkorf en ik durfde die stijle roltrappen niet meer af. Dat is geen leuk proces.’
Hij besluit met een verhaal. 'Zo'n zeshonderd jaar voor onze jaartelling wilde een oude, wijze man, gezeten op een buffel, de bergen in trekken om te sterven. Hij wilde niet leven en sterven in zijn corrupte wereld. Hij stopte voor een Chinese grenspost. De grenswachter liet hem niet zomaar gaan en vroeg hem bij wijze van nalatenschap kort en bondig neer te schrijven wat hij tijdens een lang leven aan wijsheid had gewonnen. Toen schreef de oude man de Tao-te-tjing, het klassieke Chinese werk. Die verhalen geven mij veel troost, ik stuur ze aan vrienden. Ik heb er ook een aan Gied Jaspers gestuurd, verderop in de molen. Die verhalen geven je berusting, een kleine glimlach in het leven.’