Ik ben Nixon

Richard Nixon met zijn vrouw Pat en dochters Tricia en Julie, 1955 © Bachrach / Getty Images

Problemen genoeg wanneer je met ‘echte’ figuren in je roman werkt. En dan heb ik het niet eens over eigen familieleden, vrienden of ex-geliefden (oei!), dat is al lastig genoeg, maar over (voormalige) beroemdheden. Ga je ze met de grond gelijk maken, onder het stof vandaan halen, in een ander licht zetten? Zijn het je hoofdfiguren of gebruik je ze op de achtergrond om een tijdsbeeld neer te zetten zonder dat je je hoeft te verliezen in oeverloze beschrijvingen van kleding, huisraad, bordeelbezoek of eet -en drankgebruik in de een of andere vroegere eeuw. Willem van Oranje, de naam alleen al, roept bij mij een eindeloze rij beelden op van mannen in vreemde toneelkostuums met merkwaardige rolkragen om die op gedragen toon in Delft met elkaar overleggen over de Spanjaarden en aan lange pijpen zuigen, waarbij vrouwen zich begrijpend over brandende vuren buigen waarop soep staat te pruttelen. Als je hem alleen maar noemt, hoef je je verder over couleur locale niet meer druk te maken. Maar het bekende nog bekender maken, dat is niet de bedoeling van literatuur. Tenzij je een nieuwe mythologie in het leven wilt roepen.

Ook bij Auke Hulsts roman over Nixon had ik vooraf een ‘say no more’-gevoel. Watergate, Televisiedebat, Kennedy, Aftreden, Schurk. Bij De slimste mens had ik bij het onderdeel ‘De Open Deur’ zonder twijfel tachtig punten gescoord. Het merkwaardige is dat Hulst er niet voor terugschrikt alle bekende items aan de orde te stellen. Hij werkt doodgemoedereerd met wat lezers van mijn leeftijd al over Nixon weten. Kennedy is nog altijd in vrijwel alle studies de grote naoorlogse Amerikaanse Held (Jeugdig, Vrouwenversierder, Rijk, Cultuur, Grote Stad) en Nixon de schlemiel (Oud, Geen Versierder, Arm, Rancuneus, Platteland). In de schitterende Johnson-biografie van Robert Allan Caro wordt aan het Kennedy-beeld flink gemorreld, maar dit gaat niet meer helpen. We willen nu eenmaal mooie mythes over mooie interessante mannen.

Waarom kreeg ik bij deze roman een gevoel van mededogen met deze alom bespotte figuur?

Ook Hulst was niet van plan ineens een ander, veel rooskleuriger beeld van Nixon neer te zetten. Nixon als onbegrepen denker, als miskende profeet, als cultuurbeschermer, je moet er niet aan denken. Hij houdt de clichés in zijn roman, die wellicht nog waar zijn ook, in stand, maar zet ze in een schrijfkader, dat ze ineens inzichtelijk maakt. Dit is denk ik niet de juiste term, hij maakt ze tragisch en op sommige momenten ontroerend en daar verbaasde ik me over, ik had er van tevoren wel wat moeite mee Nixon te zien als tragische Shakespeare-held.

De opzet is eenvoudig maar treffend. Hulst laat Nixon aan het woord, we horen hem, zien alles door zijn ogen, lopen en rijden met hem mee. Maken hem mee tijdens een (overigens echt gebeurde) gesprekssessie met studenten vlak bij het Witte Huis, tijdens een autorit en bezoek aan zijn moeder op de dag van de verloren verkiezingen in 1960 en vlak voor, tijdens en na de afscheidsspeech van het Witte Huis in 1974. Af en toe laat hij Nixon even los voor wat omgevingsbeschrijving maar vervolgens kruipt hij weer meedogenloos, of moet ik zeggen, vol mededogen, in diens hoofd. En de Nixon van Hulst windt er geen doekjes om: hij is niet begrepen, hij haat zijn vader, zijn moeder, ook zijn broers die te jong overleden en altijd meer aandacht kregen, hij haat Kennedy, de joden, de rijken, zijn medewerkers, Kissinger, zijn vrouw Pat, zijn dochters, de wereld, de kosmos, God zelf. Precies zoals we hem menen te kennen en zoals hij is neergezet in verlekkerde Nixon-studies van ex-medewerkers die deze historische loser graag achteraf nog eens de oren wasten. En die toen hij nog leefde doodsbang voor hem waren en hoopten dat ze hem niet kwaad maakten, omdat dan de rapen gaar waren. Want hij wist alles over ze.

Hulst morrelt in deze fraaie roman aan dit beeld. Hij laat Nixon zeker de schurk zijn die hij ongetwijfeld ook was, maar hij laat in diens monologen allerlei tegenstrijdigheden opklinken, Nixon spreekt zichzelf steeds tegen, zijn zelfhaat en rancune komen op het hakblok te liggen en de motor begint te sputteren. Hoe zat het nu precies met zijn vader en moeder? Ja, ze waren ongevoelig, halve gekken, ze onderdrukten hem, maar klopt het wel? En zijn broertjes? Hoe was het precies? Liet hij ze niet gewoon barsten? Of kon hij zijn verdriet niet goed aan? Zeker, de wereld heeft hem verlaten, al die cultuurgekken, al die rijkeluiszoontjes, die dwaze demonstreerders, wat snapten ze van de echte wereld, en dan die slijmballen Eisenhower, Haldeman, de grote-stadsbaronnen, noem ze maar op. En Pat, zijn vrouw, die schat, hij was er nooit voor haar, hoe was het ook alweer? Ik merk dat ik Hulst probeer te benaderen, een goed teken, hij kreeg me in zijn greep. Hij wilde dat ik mijn eigen rancune over de wereld onder ogen zag en niet alleen die van Nixon. Waarom kreeg ik, ondanks alles, tijdens lezing van deze roman een merkwaardig gevoel van mededogen met deze alom bespotte figuur? Zit het in de stijl? Ja ook, ga er maar naar kijken. Maar vooral slaagde Hulst erin mij ervan te overtuigen dat ik in de loop van mijn leven verdacht veel trekjes van Nixon in me heb weten te verzamelen. Nee, ik ben geen Berlijner. Ik ben Nixon.