Opheffer

Ik ben ontheemd

Toen bleek dat mijn ouders het jappenkamp hadden overleefd, was er geen twijfel meer over het bestaan van God. Die bestond niet. Het was dan ook een plechtige daad dat mijn ouders hun geloof afzwoeren en lid werden van het Humanistisch Verbond. Wij, kinderen, vonden Het Verbond natuurlijk ook een kerk.

Ik ben dus goddeloos opgevoed, wat niet betekent dat ik me nooit met religie heb beziggehouden. Integendeel. Alle oosterse godsdiensten hebben in mijn jongenskamertje gelogeerd — en ik heb wat gemediteerd en op mijn hoofd gestaan — maar er was altijd iets wat ik gemeen, zelfs onmenselijk aan de religie vond. Waarom bereikte je wel satori als je mediteerde en niet als je goed je best deed op school? Waarom kregen leeftijdgenoten die absoluut slecht waren wél de leukste meisjes en ik, met mijn mantra’s, niet?

En nimmer, hoe ik ook mijn adem inhield, door mijn linkerneusgat weer uitblies, de zonnegroet bracht of mijn been in mijn nek legde, nimmer kreeg ik iets anders dan kramp of werd ik een groot gevoel van verveling gewaar.

Is er iets? Nee, er is niets.

Toen ik studeerde, kon ik mij niet voorstellen dat er over tien jaar nog mensen waren die zouden geloven in iets buiten de mens om.

Maar ziet, wat heb ik ongelijk gekregen. Zelfs in mijn directe kennissenkring voelde men zich plotseling «heel erg joods» of bekeerde men zich tot het katholicisme. Er waren zelfs familieleden die onze «joodse roots» hadden uitgezocht, terwijl ze omringd waren met antisemitische familieleden die je er veel beter en makkelijker had kunnen uitpikken, volgens mij. Israël is nu weer uit, dus is het «rabbijnenbloed» zoals mijn oom schreef weer uit onze familieaderen weggevloeid.

Het gekke is dat behalve de religie van mijn voorvaderen ook mijn raciale afkomst ineens, op mijn vijftigste, een punt is geworden.

Ik hoorde een nabij familielid zomaar beweren dat hij «een Indische jongen» is. Adriaan van Dis zegt dat ook altijd. Ikzelf zeg het ook wel, maar louter in ironische zin, en vaak met de toevoeging: «En zoals alle Indische jongens speel ik gitaar.» (Wat trouwens alle Indische jongens doen, behalve Van Dis. Ik twijfel dan ook sterk aan zijn Indische afkomst.)

«Voel je je dan geen Indische jongen?» vroeg men mij laatst.

Ik haalde mijn schouders op en antwoordde eerlijk: «Hoe moet ik mij dan voelen?» Ik weet het echt niet. Ik heb een goede opleiding gehad, ik word niet gediscrimineerd, ik heb leuk werk, ik heb geen vrouw, wel een kind, ik neuk te weinig, drink te veel — ben ik dan een «Indische jongen»? Wat is dat dan? Net als met religie dacht ik vroeger: ach, over tien jaar maakt afkomst niets meer uit.

Integendeel.

Mijn dochter, een prachtig Indisch meisje, legt wel eens de nadruk op haar exotische bloed en kleedt zich dan in een sarong.

Ik merkte dat me dat ergerde, wat natuurlijk belachelijk is. Het was niet dat ze er niet mooi in was, het stond haar hemels, maar ik zag opeens een statement. De davidster, de Palestijnendoek, het kruisje, het hugenotenteken, een sarong — bah.

Het zal ongetwijfeld te maken hebben met «een behoefte aan identiteit». Maar ik vraag me sterk af of het woord niet de behoefte heeft geschapen.

Als ik zeg dat ik geen Indische jongen ben, dat ik geen geloof heb, dat ik zelfs geen identiteit heb, behalve de mannelijke, dan wordt dat eenvoudigweg weggezet als naïveteit, of ontkenning uit schaamte van mijn kant. «Je kunt er toch ook trots op zijn dat je een Indische jongen bent?»

Ja, graag zelfs, maar waar ben ik dan precies trots op? En hoe voelt dat? En als ik het al ben, waarom voel ik dan die trots niet sowieso?

Ik ben ontheemd, dat is zeker. Goddank.