Romans die onze blik veranderden - Ralph Ellisons Invisible Man

‘Ik ben onzichtbaar, moet u weten’

In Invisible Man beschreef Ralph Ellison (1913-1994) de zoektocht naar de zwarte identiteit in Amerika. Het leverde een grootse, soms tragische roman op die voor hem niet alleen een zegen was, maar ook een vloek.

Een jaar geleden, op 9 augustus om precies te zijn, werd de idylle van het post-raciale Amerika doorbroken. Op die dag werd Michael Brown, een achttienjarige zwarte man, in Ferguson, Missouri doodgeschoten door een blanke politieagent. Hij was ongewapend en werd van dichtbij getroffen door twaalf kogels. Het gevolg: heftige rellen in de stad en nieuw elan voor Black Lives Matter, de beweging die al een aantal jaar ageert tegen het geweld van de staat tegen zwarte Amerikanen. Na Brown volgden Freddie Gray, Tamir Rice, Eric Garner en, onlangs, Sandra Bland; het publieke debat in de Verenigde Staten wordt al een jaar lang beheerst door racisme en ‘white privilege’.

Sinds een maand is er ook een boek (nummer één in de New York Times-_bestsellerlijst), en een schrijver, Ta-Nehesi Coates, die het middelpunt vormen van dat debat. Zijn _Between the World and Me heeft de vorm van een brief aan zijn tienerzoon, waarin hij uiteenzet hoeveel persoonlijke en historische strijd het kost om ‘vrij te leven in een zwart lichaam’. Het is tegelijkertijd een open brief aan al de goedbedoelende witte Amerikanen die dan wel niet denken dat het helemaal goed gaat met de raciale verhoudingen in de VS, maar er wel van overtuigd zijn dat het beter gaat. Mis, betoogt Coates, want de slavernij mag dan lang afgeschaft zijn, de plundering van zwarte lichamen gaat door, op straat, door de politie.

Witte critici rolden over elkaar heen om Between the World and Me tot verplichte literatuur te bestempelen. In een van de eerste reacties noemde David Remnick, de invloedrijke hoofdredacteur van The New Yorker, het boek ‘buitengewoon’ en vergeleek hij Coates met James Baldwin – iedereen noemt Coates inmiddels in één adem met Baldwin. Between the World and Me werd als een ‘classic of our time’ (Publishers Weekly) betiteld, als ‘een liefdesbrief geschreven in morele nood’ (Slate) en ‘precies het document dat het land nu nodig heeft’ (The New Republic). Een criticus in The New York Times ging zelfs zo ver te zeggen dat het boek ‘essentieel’ is ‘als water of lucht’.

Ta-Nehesi Coates heeft het niet alleen over de plundering van het zwarte lichaam, hij houdt zijn zoon ook voor hoe moeilijk het is een eigen, zwarte identiteit te ontwikkelen. Het is een constante in de Afro-Amerikaanse literatuur, de vraag hoe je je tot je ras moet verhouden, wat de zwarte identiteit eigenlijk is. Je kunt ervoor bij James Baldwin te rade gaan, vooral bij zijn non-fictie, maar niemand schreef hier zo scherpzinnig, hallucinerend en zwartgallig over als Ralph Ellison in zijn in 1952 verschenen roman Invisible Man. Daarin heeft een naamloze zwarte ik-verteller zich teruggetrokken in een hol in de grond, een vergeten kelder onder een gebouw in New York, op de rand van Harlem, waar alleen blanken wonen. Het hol is niet vochtig en donker, maar verlicht door welgeteld 1369 lampen, voorzien van afgetapte elektriciteit van het Energiemonopoliebedrijf. Hij is onzichtbaar, maar woont op een plek die beter verlicht is dan Broadway en het Empire State Building. Vanuit dat symbolische hol onder de aarde vertelt hij zijn levensgeschiedenis.

Dat is een exemplarische geschiedenis van een jongeman die vanuit het Zuiden naar New York trekt om zijn geluk te beproeven. In de zuidelijke staten – waar jonge negerjongens vernederende blinddoekgevechten moeten opvoeren in een blanke club en hun beloning moeten rapen van een mat die onder stroom staat, waardoor ze als alen kronkelen over de grond – is het racisme nog flagrant. In het Noorden stuiten zwarten vooral op onverschilligheid. Als de naamloze ik zich na een mislukt baantje in een verffabriek aansluit bij de communisten (‘de Broederschap’ in de roman) wordt al snel duidelijk dat hun solidariteit met de zwarten als natuurlijk proletariaat opportunistisch is – als het hen uitkomt laten ze de Afro-Amerikanen net zo hard weer vallen. Zowel in het Noorden als het Zuiden, ontdekt de ik-verteller, is de zwarte man onzichtbaar.

Zoals de beroemde openingszinnen van de roman luiden (in de Nederlandse vertaling van Ko Kooman uit 1988): ‘Ik ben onzichtbaar. Nee, ik ben geen spook van het soort waardoor Edgar Allan Poe werd geplaagd, of zo’n ectoplastisch wezen dat je in Hollywood-films kunt zien. Ik ben een stoffelijk mens, van vlees en been, vezels en sappen – je zou zelfs kunnen zeggen dat ik een brein bezit. Ik ben onzichtbaar, moet u weten, omdat de mensen me niet willen zien.’ Ze zien hem natuurlijk wel, maar ze zien hem niet echt, ze hebben een ‘innerlijke oogafwijking’, waardoor ze een zwarte man niet in zijn menselijkheid kunnen waarnemen, ze hem niet als individu kunnen beschouwen.

Medium gettyimages 57368037

Invisible Man werd net als Between the World and Me onmiddellijk omhelsd door de kritiek. Saul Bellow, Harold Bloom – het waren niet de minsten die meteen met loftuitingen kwamen. Maar hoe treffend de metafoor van onzichtbaarheid ook was, Ellisons roman werd niet in de eerste plaats als een protestboek gelezen; het was de beste literaire roman die ooit door een Afro-Amerikaan was geschreven. Ellison was ook de eerste Afro-Amerikaanse schrijver die, in 1953, de National Book Award won; Invisible Man werd verkozen boven Hemingway’s The Old Man and the Sea en Steinbecks East of Eden. Nog steeds is het een van de meest gecanoniseerde Amerikaanse boeken van de twintigste eeuw.

Hij leert in de verffabriek dat de meest blinkende witte verf zo wit is doordat er druppels zwart in zitten

Het ging Ralph Ellison, zo benadrukte hij interview na interview, ook niet om het protest, het ging hem om kunst. Hij kende zijn T.S. Eliot, Mark Twain, William Faulkner, James Joyce en Fjodor Dostojevski – met de kelder waar zijn ik-figuur zich in bevindt refereert hij natuurlijk aan Dostojevski’s Aantekeningen uit het ondergrondse. De inspiratie uit de literatuur mengde hij met zwarte folklore, met het ritme van de blues en jazz, met mythologische noties over donker en licht. Hij wilde niet alleen uiting geven aan zijn woede, aantonen hoe zwart niet gezien werd door wit, maar ook duidelijk maken dat wit afhankelijk was van zwart, hoe Amerika net zo goed door de zwarten was gemaakt tot wat het was – zo leert de ik-figuur in de verffabriek dat de meest blinkende witte verf zo wit is doordat er druppels zwart in zitten, ziet hij hoe de verffabriek bestuurd wordt door een zwarte man in de kelder, die als enige weet hoe de machinerie werkt. Al die ingrediënten samen leverden een grootse, eigenzinnige, soms groteske dan weer tragische roman op die voor hem niet alleen een zegen maar ook een vloek was.

Ralph Ellison werd in 1913 geboren in Oklahoma. Hij wist uit ervaring wat het betekende om zwart te zijn in het gesegregeerde Zuiden en in het onachtzame Noorden. Hij had een arme jeugd achter de rug; zijn vader was ijsbezorger en overleed toen Ralph drie was doordat een ijsscherf hem verwondde. Als tiener had hij baantjes als schoenpoetser, jongen op de bus en ober, hij werkte ook nog even in een fabriek. Hij ontsnapte daaraan door muziek te studeren aan het Tuskegee Institute, hij wilde trompettist worden. Voor hij zijn opleiding afrondde, vertrok hij naar New York, naar Harlem, waar hij in de jaren dertig aansluiting vond bij de communistische partij. Veel van de ervaringen uit zijn jonge jaren verwerkte hij in Invisible Man, zonder dat dat een regelrechte autobiografische roman was.

Invisible Man was, ondanks het grote succes, ook een vloek, omdat het de schrijver die als geen ander wist wat onzichtbaarheid betekende verleidde om zichtbaar te worden. Na de National Book Award volgde nog een hele reeks onderscheidingen. Hij ging van diner naar lezing naar ceremonie naar Witte Huis-bijeenkomst naar exclusieve bijeenkomst zus en exclusieve bijeenkomst zo. Zijn biograaf Arnold Rampersad kon zijn ergernis over Ellisons ‘competitive institution-joining’ en ‘eagerness to belong’ nauwelijks bedwingen, vooral ook omdat zijn groeiende roem hem alleen maar wantrouwend tegenover andere Afro-Amerikanen had gemaakt.

Hij was de lieveling geworden van witte professoren en schrijvers en had geen zwarte studenten, geen zwarte volgelingen, geen zwarte vrienden meer. In de jaren zestig hield hij zich verre van de radicale zwarte bewegingen die het racisme in Amerika aan de kaak stelden; hij verkeerde in witte kringen. Hij groeide zo ver weg van zijn zwarte wortels dat het hem niet lukte een tweede roman te schrijven. Bij zijn leven publiceerde Ellison nog twee essaybundels en hij zei dat hij werkte aan een opvolger van Invisible Man, verwees telkens weer naar de tegenslag van een brand in zijn huis, die een groot deel van het manuscript had verwoest. Een smoesje, volgens Rampersad.

Arnold Rampersad is ook te negatief. Misschien was Ralph Ellison bovenal de schrijver van slechts één roman omdat hij daarin alles had samengebald wat hij te zeggen had. De postuum uitgegeven roman Juneteenth, samengesteld uit het meer dan duizend pagina’s tellende manuscript dat hij had nagelaten, kan ook niet in de schaduw van het meesterwerk staan. En was Ellison in zijn zichtbare societyleven niet evengoed onzichtbaar, juist omdat hij er publiekelijk vooral het zwijgen toe deed?

Hoe dan ook schreef Ellison het voorbeeldboek als het gaat om de zoektocht naar de zwarte identiteit. Niet voor niets was Invisible Man volgens zijn vrienden een van de boeken waar Barack Obama telkens naar teruggreep in zijn studententijd en internaliseerde hij Ellisons these van onzichtbaarheid. In het boek over zijn eigen identiteit, Dreams from My Father, gelooft hij nog in de raciale identiteit die Ellison verwierp. Maar in zijn tweede boek, The Audacity of Hope, dat ook de opmaat vormde voor zijn presidentscampagne, schrijft hij: ‘I serve as a blank screen on wich people of vastly different political stripes project their own views.’

In een spraakmakend essay dat hij tijdens Obama’s campagne publiceerde, brengt David Samuels die uitspraak in verband met de grote invloed van Ellison op de aanstaande president. Obama wist dankzij Ellison dat zijn kleur hem onzichtbaar maakte, dat juist doordat hij niet wit was hij zichzelf kon presenteren als een blanke lei, waarop iedereen van alles kon projecteren, dat kiezers willen dat dingen gaan veranderen, zonder te veel weet te hebben van oncomfortabele details.


Romans die onze blik veranderden

Zoals we vorige zomer een serie maakten over ‘de boeken die ons denken veranderden’, zo gaan we nu op zoek naar de romans die niet alleen samenvallen met de tijdgeest waarin ze geschreven werden, maar die tijdgeest ook vormgaven. Liet Salman Rushdie’s De duivelsverzen ons anders over de islam denken? In hoeverre is Turks fruit van Jan Wolkers de bril geworden waarmee we naar de vrije jaren zestig van Amsterdam kijken?


Beeld: (1) Ralph Ellison op het dak van de American Academy in Rome, 1957 (James Whitmore / Getty images)