Ik ben ook maar een debutantje

De inzet van Laurent Binet is dat alles wat hij schrijft waargebeurd is. Ook als het gaat om de aanslag op een nazi-kopstuk.

Een paar weken terug was Laurent Binet met een groepje Nederlandse journalisten op pad in Praag, de stad waar het leeuwendeel van zijn roman HhhH zich afspeelt. Hij had bijna tien jaar lang tussen zijn geliefde in Praag en zijn baan als leraar in Parijs gependeld en had zich de Tsjechische geschiedenis eigen gemaakt. ‘Geweldig dat ik het toch nog tot reisgids heb geschopt’, zegt Binet later.
Van jongs af had hij een fascinatie voor het Tsjechische verzet, de Partizanen die in mei 1942 een aanslag pleegden op Reinhard Heydrich, hoofd van de Duitse Sicherheitsdienst en grondlegger van de Endlösung, die op dat moment genadeloos regeerde als Reichsprotektor van Tsjecho-Slowakije. In zijn jaren in Tsjechië leerde Binet alles over de aanslag, 'operatie-Anthropoid’, over de parachutisten Jan Kubis en Jozef Gabcík die Heydrichs dienstwagen midden op straat blokkeerden en er een granaat in gooiden, en over de gruwelijke vendetta van de nazi’s op de Partizanen. Binet leerde de stad te zien als historisch decor, permanent gedrenkt in herinnering aan haar verleden.
HhhH, voluit: Himmlers hersens heten Heydrich, is een verslag van die obsessie met operatie-Anthropoid. 'Roman’ staat er op het omslag, maar de inzet van Binet is juist dat alles wat hij schrijft waargebeurd is. Zo is het boek, geschreven in 257 kleine hoofdstukjes, constant in gesprek met zichzelf; Binet onderbreekt zijn verhaal veelvuldig om commentaar te geven op zijn onderzoek en om te verklaren waarom hij schrijft wat hij schrijft. Het is een krankzinnige leeservaring: enerzijds tilt het de roman naar een meta-niveau en is het zo een commentaar op de werking van fictie, anderzijds schrijft Binet steengoed als een thriller naar de aanslag toe, met alle bijna-ontdekkingen en bijna-mislukkingen, steeds een stapje vooruit en weer een half stapje achteruit, waardoor de lezer aan het lijntje wordt gehouden. Aanlokkelijk om vooruit te bladeren.
In zijn boek beschrijft Binet keer op keer het ultieme moment waarop de open Mercedes van Heydrich de bocht om komt zetten en de hinderlaag in rijdt - hoe hij, als hij zichzelf het instrumentarium van de romancier had toegestaan, het filmisch zou kunnen opschrijven. Zo vertelde hij de Nederlandse journalisten in Praag over Heydrichs jasje, het type detail waarmee elke romanschrijver aan de haal was gegaan, maar waarmee hij moest oppassen: 'Op het moment dat de granaat van Kubis afging, wervelde een jasje van Heydrich de lucht in. Dat wist ik, dat is een feit, het staat in de bronnen. Ik had een visioen van hoe dat jasje door de lucht vloog. Ik kon dat niet voor waar aannemen. Ik besloot het jasje te laten.’
Nu, op een terrasje op de Porte de Saint-Cloud in Parijs - tergend dicht bij Roland Garros waar dan de derde ronde wordt gespeeld - zit Laurent Binet er ontspannen bij. Zonnebrilletje in zijn haar, colaatje light. Goedlachs. Hij woont hier om de hoek.
Binet geeft toe dat zijn roman 'a little big deal’ was. Het boek won de prestigieuze Prix Goncourt du Premier Roman en werd over de volle breedte, in binnen- en buitenland, lyrisch ontvangen, vooral vanwege het schijnbare gemak waarmee Binet zijn toch afwijkende vorm hanteert en zijn harde veroordeling van historische fictie, toch een populair genre.
Fictie vervangt de historische werkelijkheid. Mensen die nu aan de D-Day-landingen in Normandië denken, zeker de wat jongere generaties, zullen waarschijnlijk eerder aan Steven Spielbergs Saving Private Ryan denken dan aan het historische feit.
'Met film heb ik minder moeite, omdat die volgens mij een andere uitwerking op je heeft. We accepteren film van nature als fictie, als fantasie, alleen al doordat we de acteurs herkennen. Als je Der Untergang ziet, denk je eerder: hé, dat is Bruno Ganz die daar Hitler speelt, of: kijk, Tom Cruise speelt Von Stauffenberg.’
Wat is dan het bezwaar bij literatuur?
'Een boek lezen is iets anders dan een film zien. Een regisseur kan met een shot een film de schijn van historisch realisme geven; een schrijver zal meer documentatie moeten tonen, meer moeite moeten doen om zijn lezer zijn historische werkelijkheid - die geen werkelijkheid is! - in te trekken. Zo krijg je een mix van tachtig procent realiteit en twintig procent fictie. Die twintig procent is problematisch.
Toen ik jaren terug aan HhhH begon was mijn grootste prioriteit eer te bewijzen aan de Partizanen, Kubis en Gabcík, die uit vrij Londen bezet Tsjecho-Slowakije waren binnen geparachuteerd om een operatie uit te voeren waarvan ze wisten dat hun overlevingskansen nihil waren. Heydrich krijgt de meeste aandacht in mijn boek, puur omdat er van hem meer bekend is. Als ik Kubis en Gabcík meer ruimte zou geven, wat ik heel graag gewild had, dan had ik dingen moeten verzinnen. Of ze aan hun moeders dachten, of aan een meisje, vlak voordat ze, omsingeld door de SS, zelfmoord pleegden. Wie heeft daar iets aan? Ik, als schrijver. Voor mij is het handig. Maar Kubis en Gabcík hebben er niets aan en daar gaat het mij om.
Ik denk dat veel mensen beginnen met de vraag: hoe schrijf ik een waargebeurd verhaal? Voor mij was belangrijker: wat ís een waargebeurd verhaal? De waarheid is iets heel ingewikkelds en elk narratief dat je op de waarheid wilt passen, doet haar onherroepelijk kwaad. We kennen allemaal de experimenten waarbij tien mensen iets zien en er vervolgens tien verschillende getuigenverklaringen zijn. Dus als je schrijft, kies je: welke negen laat ik weg, welke volg ik? Daar moet je eerlijk over zijn, wil je de waarheid recht doen.’
In HhhH laat u zich lovend uit over Europe Central van William T. Vollmann, toch ook een historische roman.
'Europe Central is zo'n fundamenteel literair, poëtisch boek - niemand die daar denkt dat hij echte feiten leest, ook al hebben zijn personages echt bestaan. Wat mij stoort is dat een schrijver pocht je de feiten te geven en ondertussen zelfverzonnen fictie vertelt.’
Bijvoorbeeld het spraakmakende De welwillenden van de Frans-Amerikaanse schrijver Jonathan Littell. Een eerdere versie van HhhH bevatte een lang pleidooi tegen De welwillenden. Waarom heeft u dat eruit gehaald?
'Het zat me in de weg, om verschillende redenen. In eerste instantie had ik een stuk geschreven van misschien twintig bladzijden, puur Littell-bashen. Dat was niet de bedoeling. Elke dag ging ik achter mijn computer zitten en dan ontstak ik vanzelf weer in een hele tirade tegen De welwillenden. Mijn redacteuren vonden het niet sportief om een collega-schrijver zo expliciet onderuit te halen, en bovendien, zeiden ze, het polemische zou mijn boek gaan overheersen. Daarnaast is de Franse literaire wereld klein, in feite zijn het tweehonderd mannen en vrouwen in de wijk Saint-Germain-des-Prés. Veel van hen hadden De welwillenden enthousiast besproken en als ik daar nu fel op ging inbeuken, dan zouden zij zich wellicht aangesproken voelen en extra defensief op mijn roman reageren. Maar mijn redacteuren hebben een ontwikkeld gevoel voor marketing, en dus stonden ze me één oneliner toe: “De welwillenden, dat is gewoon Houellebecq bij de nazi’s.” Houellebecq chez les nazis. Het is met stip de meest geciteerde zin uit mijn boek.’
Ook in Nederland is Littells boek erg enthousiast onthaald, juist ook omdat hij van de nieuwste informatie en theorieën over de holocaust gebruikmaakte en zo een minutieus gedetailleerd beeld schetste. Dat schokte mensen.
'Wat mensen schokte was denk ik niet eens het gedetailleerde moorden van de nazi’s in het algemeen, of de perversiteit van Max Aue, Littells hoofdpersoon, in het bijzonder. Misschien weet Littell alles af van hoe de holocaust heeft plaatsgevonden. Welke uniformen de officieren droegen, waar de massagraven lagen en hoe de massavernietiging verliep. Prima. Maar hij gebruikt, of misbruikt, die historische kennis om zijn eigen hersenspinsels aan de man te brengen. In de fundamentele filosofie van de roman is dat zichtbaar: zijn nazi’s zijn geen kinderen van de negentiende en twintigste eeuw. Ze zijn postmoderne nihilisten, het zijn Houellebecq-personages, ze geloven in niets en geven om niets, niet om het leven van joden, niet eens om hun eigen leven. Dat is een volstrekt 21ste-eeuwse Less than Zero-opvatting. Misschien interesseerde Littell zich niet eens zo zeer voor het nazisme toen hij zijn boek schreef.’
Dus 'Patrick Bateman bij de nazi’s’?
'Dat is een goeie! Zo zie je maar hoe relatief documentatie is: we weten uit alle mogelijke historische documenten dat er inderdaad geflipte nazi’s rondliepen, maar dat het merendeel geen nihilisten waren maar juist believers, fanatiekelingen die het verstand uit draaiden en domweg deden wat van hen verlangd werd omdat dat een gedeeld ideaal diende. Max Aue is hoogst anachronistisch.’
Je kunt er nog, advocatus diaboli, op wijzen dat Littell de nazi-misdaden tot zuivere literatuur heeft verwerkt, door ze op een oude Griekse tragedie te baseren.
'Die allegorie naar de Oresteia is evident. Nou en? Wat voor nut heeft het om de nazi’s naar een Griekse tragedie toe te verplaatsen? Wat voor nieuw perspectief openbaart het?’
Binet verontschuldigt zich lachend. Van tevoren had hij al gewaarschuwd om niet over Littell te beginnen: 'Voor je het weet zitten we hier twee dagen.’ Een ander onderwerp dat dan onherroepelijk nadert is Michel Houellebecq. 'Iemand vroeg ooit aan André Gide: wie is de belangrijkste Franse dichter? Waarop Gide antwoordde: “Victor Hugo, helaas.” Zoiets heb ik ook met Houellebecq. Het is ongelooflijk wat die man voor elkaar krijgt - qua aandacht. Alles wat hij zegt of schrijft wordt opgepikt. Maar zijn zijn boeken nu zo goed? De kaart en het gebied, waarin hij zichzelf als personage opvoert? Zoiets heeft Bret Easton Ellis eerder gedaan en beter. In het openingshoofdstuk van Lunar Park geeft hij een messcherpe analyse van zijn eigen werk en zet hij zichzelf neer als een meelijwekkend mannetje. Veel grappiger. Maar dat zeg ik maar niet in Franse interviews. Ik ben ook maar een debutantje.’

LAURENT BINET
HHHH
Uit het Frans vertaald door Liesbeth van Nes, Meulenhoff, 352 blz., € 19,95