Ik ben oom noes en neef tjon

Mijn ouders, mijn zuster, mijn broer en ik gingen vroeger wel eens op Schiphol verre familie uit Indie ophalen. Het regende, hagelde en onweerde altijd op die dagen en als we dan de ooms met gebatikte overhemden en hun onbesokte voeten in veel te lichte schoenen zagen aankomen, stond mijn moeder al klaar met de jassen van mijn broer en mijn vader.

‘Dit is Holland!’ zei mijn vader, terwijl hij wees naar de lucht die de sfeer had van een ondergelopen begraafplaats.
'Erg mooi oom’, zeiden mijn oom en mijn neef dan steevast.
Ik zag hun bruine huiden, waarop kippevel zichtbaar was, dat ook wel veroorzaakt kon zijn door de angst. Ze hadden het altijd, maar dan ook altijd koud. En nooit zal ik het moment vergeten dat ik onze woonkamer binnenkwam en mijn oom Noes voor de kachel zag zitten in de imitatie-bontjas van mijn moeder, waarvan ik wist dat de brede filmsterrenkraag altijd naar Soir de Paris rook. Oom Noes masseerde z'n koude voeten warm - door mijn vader 'koelipootjes’ genoemd - door met de bal van zijn ene voet over de rug van de andere te wrijven. Zijn zoon Tjon zat achter oom Noes met z'n wang tegen de bontjasrug van zijn vader. Tjon - die mijn leeftijd had - droeg een trui van mij.
Zodra hij mij zag, zei hij in gebrekkig Nederlands: 'Jouw trui. Terug jij?’
Ik wilde toen die trui terug. Het was mijn keeperstrui en die mocht niemand aan.
'Geef die trui terug, Tjon’, zei z'n vader, die beleefdheid voor warmte liet gaan.
Ik zou me vijf jaar later pas schamen.
En toch vonden oom Noes en Tjon Nederland mooi en bijzonder. Het drassige Vondelpark, waar de reumatiek laag boven de grond hing, de Dam waar het nat het monument toen al liet verbrokkelen, de straten van Zuid waar we woonden en waar de grijze lucht als een kluisdeur de wijk afsloot - ze vonden het alle maal even prachtig. Ze zijn gek, dacht ik, en pas later begon ik de mentaliteit te bewonderen waarmee ze alle dingen mooi konden maken.
Oom Noes en neef Tjon - ik moet de laatste tijd aan ze denken. Misschien omdat ik nu een andere neef op bezoek heb. Neef Henk. Nooit een stap buiten Nederland gezet. Wanneer ik zeg dat ik - voor mijn werk - sommige dingen van het Holland Festival mag bezoeken en hem het programma toon van A King, Riding, zegt hij - niet onhumoristisch trouwens - dat zijn Holland Festival bestaat uit Rolland Garros, Wimbledon, het EK voetbal en de Tour de France. En daarna Atlanta.
Neef Henk heeft het niet koud, want in de dertig graden met alle deuren open zit hij in onderbroek voor mijn televisie; af en toe krabt hij zijn buik op een onbewuste manier en dat maakt het geluid van iemand die behang van de muur scheurt.
Ik weet niet eens of ik hem haat of juist liefheb. In de vorm van zijn heupen en benen zie ik mijn broer; verder heeft hij een aangenaam stemgeluid en ik moet om zijn grappen vaak lachen. Hij laat dezelfde winden als mijn vader: ongegeneerd hard, en vervolgens waait hij de lucht bij wijze van grap naar mijn kant, terwijl hij tegen de denkbeeldige wind zegt: 'Ga maar bij hem spelen.’
Ik voel dezelfde deernis als bij oom Noes en neef Tjon, aan wie we nog steeds geld overmaken, maar die we nooit meer zien.
Als ik later bij A King, Riding zit, krijg ik eindelijk enige deernis met mezelf. Ik heb moeite met de muziek; ik ben nog niet zo 'ver’, ik vind het wel uitzonderlijk.
Ik ben deerniswekkend, bedenk ik, omdat ik zelf oom Noes, neef Tjon en neef Henk ben; ik vind alles even prachtig, maar verlang naar het EK voetbal en het spel van Dennis Bergkamp.