‘ik ben stukkenschrijver’

‘DE ZWIJGER’ noemen ze hem in Buckow. Hij zegt nooit wat. Een enkele keer verschijnt hij op straat. In zijn rolstoel. Met daarachter een met los grijs haar getooide, vergane schoonheid, die iedereen alleen maar kent als ‘Frau Brecht’. Haar naam kent niemand. Brecht zelf, vertellen de dorpsbewoners, ziet er altijd patent uit, alsof hij zo uit zijn rolstoel kan opstaan.

De vrouw verwijdert zich snel nadat ze Brecht voor mij in de woonkamer heeft neergezet. De honderdjarige ziet er nog net zo uit als op alle vroegere foto’s en in alle vroegere beschrijvingen. Kort grijs haar in Cesar-coup, bril, eigenzinnige onderlip. Alleen de oudemannensnor is nieuw. Het hooggesloten jasje is er, het zijden overhemd dat daar net onder zichtbaar is, alsook de wijde broek. En het is waar… hij stinkt een beetje.
Waarom hebben we sinds 1956 niets meer van u vernomen?
Bertolt Brecht: ‘Ik ben stukkenschrijver. Ik heb gewerkt. Zij het de laatste veertig jaar niet meer onder mijn eigen naam. Noem mij von Trotta, Mnouchkine, Jelinek. Ik heb veel voor hen gedaan. Ik werk alleen nog maar voor vrouwen. Vrouwen hebben mij groot gemaakt. Nu maak ik hen groot.’
ZOUDT U KORT uw jeugd willen samenvatten?
'In het jaar 1898 zag ik het levenslicht. Op de lagere school heb ik me stierlijk verveeld. Op het gymnasium lukte het me niet mijn leraren ook maar iets bij te brengen. Van hun kant wezen zij mij voortdurend op mijn luiheid en eigenzinnigheid. Ik deed veel aan sport, mijn hart begaf het er bijna van, daar heb ik mijn gevoel voor metafysica aan overgehouden. Op de universiteit volgde ik colleges in de medicijnen en leerde ik gitaar spelen. Tijdens de revolutie die op de Eerste Wereldoorlog volgde, werkte ik in een lazaret. Daarna ging ik als een gek toneelstukken schrijven. Na enige tijd belandde ik in het ziekenhuis. Ondervoeding. Ik was broodmager.’
Haatte u uw ouders?
'Ik ben opgegroeid als rijkeluiszoon in Augsburg. Mijn ouders deden mij een kraag om en leerden me hoe ik orders moest geven en me moest laten bedienen. Maar toen ik ouder werd en om me heen keek, bevielen de mensen van mijn klasse me steeds minder. Ik kreeg een hekel aan orders geven en bediend worden. Ik verliet mijn klasse en sloot me aan bij de eenvoudige mensen.’
Waarom was uw liefdesleven al vroeg een puinhoop?
'Ik kon het niet uitstaan dat ik geen greep op vrouwen kreeg. Ik herinner me, ik was begin twintig, dat ik bij Ma (Marianne Zoff - av) kwam nadat ze net abortus had laten plegen. Ik was ziedend, ze had me er niets over verteld. Ik schold haar uit voor hoer, voor een lekke pot waar allerlei mannen hun afscheidingen in achterlieten. Ik wilde van haar af. ’s Avonds kon ik niet slapen. Ik had het gevoel alsof ik iemand had vermoord. De volgende dag sloot ik vrede. Ik vroeg haar of ze die zomer op Frank wilde passen, het kind van Bie (Paula Banholzer - av) en mij. Ze vond dat een vreemde vraag.’
Hoe belangrijk is seks in uw leven?
'Je hebt mensen die het belang van huwelijkse trouw vreselijk overdrijven, en je hebt er die vreselijk veel waarde toekennen aan vrije seksualiteit. En dan zijn er ook nog mensen die vinden dat de liefde bedrijven net zoiets is als een glas water drinken. Daar is Lenin tegen tekeergegaan. Lenin vond dat je niet op zo'n toon over zulke zaken kunt spreken. Heel terloops, zonder er veel woorden aan vuil te maken, verwierp hij kort en fel de theorie van het glas water. Zo hoort het. Er wordt zo veel ophef over de liefde gemaakt dat verstandige mensen er ongeduldig van worden.’
WAAROM WERD u marxist?
'Ik was al enige tijd een schrijver van naam en faam, ik had vier drama’s en een opera geschreven die in veel theaters werden opgevoerd, ik had prijzen gekregen, en ik werd vaak naar mijn mening gevraagd. Maar van politiek kende ik nog niet eens het abc. Ik wist evenveel van staatsinrichting als een keuterboer in de diepe provincie. Ik werkte aan een stuk dat zich afspeelde tegen de achtergrond van de graanbeurs in Chicago. Wie ik ook vroeg, economische redacteuren, zakenlui, beursmakelaars, niemand kon me vertellen hoe zo'n beurs werkte. Van welke kant je er ook naar keek, de graanmarkt was en bleef een moeras. Ik heb het stuk toen niet geschreven. In plaats daarvan begon ik Marx te lezen. Toen pas kwam alles wat ik wist tot leven.’
Waardoor werd de 'Dreigroschenoper’ zo'n enorm succes?
'De Dreigroschenoper was een poging tot episch theater. En slaagde. Tot dan toe kenden we vooral dramatisch theater. Zal ik u uitleggen wat het verschil is? De toeschouwer van dramatisch theater zegt: Ja, dat heb ik ook wel eens gevoeld, zo ben ik ook. Zo is het gewoon, zo zal het altijd zijn. Het leed van deze mens raakt me omdat er geen uitweg is. Dat is grote kunst, alles spreekt vanzelf. Ik huil met degene die huilt, ik lach met degene die lacht. De toeschouwer van episch theater zegt: Dat had ik niet gedacht. Dat kan toch niet, dat is niet te geloven. Daar moet een eind aan komen. Het leed van deze mens raakt me omdat er wel degelijk een uitweg is. Dat is grote kunst, niets spreekt vanzelf. Ik lach om degene die huilt, ik huil om degene die lacht.’
Viel het u ook op dat alleen burgers en geen arbeiders naar de 'Dreigroschenoper’ kwamen?
'Dat is omdat de bourgeoisie van boeven houdt. Daarom liet ik de acteur de boef Maceath als een burgerman neerzetten. De voorliefde van het burgerdom voor boeven berust op de vergissing: een boef is geen burger. Deze vergissing komt weer voort uit een andere vergissing: een burger is geen boef. Daarom verbood ik de acteurs de boeven als een stel pummels te spelen met wie geen mens een glas bier zou willen heffen. Boeven zijn bezadigde mannen, soms een beetje gezet, en zonder uitzondering prettig in de omgang.’
Na de Reichstagbrand moest u Duitsland ontvluchten. Viel u dat zwaar?
'De kleinburgers in mijn land hadden besloten eindelijk eens grote daden te gaan verrichten. Daar ik van nature niet in staat ben me over te geven aan grote en meeslepende gevoelens en ik niet ben opgewassen tegen een krachtige leiding, voelde ik me overbodig. Men beloofde me weliswaar dat men mij voor de woede van het volk zou beschermen in een daartoe speciaal ingericht kamp, maar uit de toon waarop men dat zei sprak niet echt ware liefde voor mij. Aangezien ik bovendien mijn studie van de menselijke vooruitgang wilde voortzetten, besloot ik het land te verlaten. Sindsdien ben ik vaker van land dan van schoenen gewisseld.’
Hoe was dat?
'Er werden overal te veel deugden van me verlangd. In het ene land heb je om driemaal per dag te kunnen eten een energie nodig waarmee vroeger hele rijken werden veroverd, in het andere moet je het regime helpen de hele wereld te onderwerpen, in het derde heb je te veel vrijheidszin nodig omdat er te veel onvrijheid heerst, enzovoort, enzovoort. De vluchteling zoekt een land waar je met middelmatige deugden en een stuk of wat bescheiden ondeugden zo'n beetje kunt leven. Dat was Denemarken.’
Hoe stond u in die jaren tegenover Moskou?
'Stalin openlijk afvallen deed je niet. Dan speelde je het fascisme in de kaart. Het was de tijd van de grote showprocessen in Moskou. We volgden het proces tegen Boecharin op de voet. In die tijd schreef ik Het leven van Galilei. Daarmee was het probleem hoe je de showprocessen kon uitbeelden opgelost. Net als Galilei steeg Boecharin in zijn zelfkritiek verder boven zichzelf uit dan wie ook in de rechtszaal. Het was een verontrustende tijd. Vrienden in Moskou werden gearresteerd, verdwenen of lieten niets meer van zich horen. Collega Meyerhold raakte zijn theater kwijt. Literatuur en kunst waren bescheten, politieke theorie was naatje, er gold een door ambtenaren verbreid, bloedeloos soort proletarisch humanisme.’
U KWAM uiteindelijk in Amerika terecht, in Hollywood. Wat vond u van dat land?
'Toen ik jong was, vond ik Duitsland stomvervelend. Een middelmatig land met verpauperde boeren, vervette middenstanders en bleke intellectuelen. Er was maar één land: Amerika! Ik heb er zes jaar gewoond, van 1941 tot 1947. Het is een land zonder waarden. Er kleeft iets onedels, infaams aan alles, aan de mensen zowel als aan de dingen, zelfs aan het landschap. Een man die ’s morgens vroeg in de tuin Lucretius zit te lezen, vinden ze smakeloos, een vrouw die een kind de borst geeft, vinden ze raar. Overal stuit je op benepenheid, frustratie. Aan alles kleeft een geur van hopeloze grofheid, van onbevredigd geweld. Ik heb in al die jaren maar één keer iets gezien dat op kunst leek: langs de kust van mijn woonplaats Santa Monica, onder de ogen van duizenden badgasten, zweefde aan een dun touw, voortgetrokken door een motorboot, een fraai object in zachte kleuren - een reclame voor een of andere zonnebrandolie.’
Wat had u tegen Thomas Mann?
'Ik had het in Amerika voortdurend aan de stok met al die zogenaamde “cultuurdragers” uit Duitsland. Zoals de filosoof Adorno. Die zei eens over mij: “Die man is twee uur per dag bezig vuil onder zijn nagels te stoppen zodat-ie op een proletariër lijkt.” Eerlijk gezegd, niet ongeestig. Maar lieden als Adorno en Thomas Mann deden net of ze Duitsland nooit verlaten hadden. “De Duitse cultuur is waar ik ben”, zei Thomas Mann. Ik heb me toen eens openlijk afgevraagd hoe het mogelijk is dat het Duitse volk niet alleen de verschrikkingen van Hitler duldt, maar ook de romans van Thomas Mann. Dat was kort nadat hij zijn handtekening had teruggetrokken onder een anti-Hitlerverklaring van Duitse intellectuelen en kunstenaars in Amerika. Hij vond ons te communistisch.’
Hoe kijkt u nu terug op het openbare verhoor door de Commissie voor On-Amerikaanse Activiteiten?
'Van tevoren had ik tegen mezelf gezegd: als ze me ervan beschuldigen dat ik de Empire State Building wil stelen, wordt het tijd het land maar eens te verlaten. Ik had me goed voorbereid. Ik wilde er een vertoning van maken. Ik nam een tolk mee die nog slechter Engels sprak dan ik, en een volle doos sigaren. Ik had me voorgenomen me op te stellen als een nette gast die op alle vragen van zijn gastheer keurig antwoord geeft, ook op de cruciale vraag naar het lidmaatschap van communistische organisaties. Achteraf kan ik er alleen maar dit over zeggen: ze waren minder erg dan de nazi’s, want die zouden me nooit hebben toegestaan te roken tijdens het verhoor. De dag na de vertoning ben ik op het vliegtuig gestapt.’
HOE BEVIEL u het leven in de DDR?
'Leven in een land waarin een paar miljoen mensen de overige miljoenen mensen namens de staat in de gaten houden, is geen onverdeeld genoegen. Wat de vader tegen de zoon zegt, zegt hij om niet te worden gearresteerd. De priester bladert in zijn bijbel op zoek naar zinnen die hij kan gebruiken zonder te worden opgepakt. De leraar zoekt naar een manier om over Karel de Vijfde te vertellen zonder dat ze hem ervoor aanhouden. De arts die de overlijdensakte invult, kiest een doodsoorzaak die niet tot zijn arrestatie leidt. De dichter pijnigt zijn hersens op zoek naar een rijm waarvoor hij niet kan worden vastgezet. Om arrestatie te voorkomen besluit de boer zijn varken niet te voederen.’
Waarom was u aanvankelijk tegen vrije verkiezingen in de DDR?
'Men laat iemand die geen noten kan lezen en geen piano kan spelen toch ook niet de vrije keuze over de toetsen? En bovendien: vrije verkiezingen, zo weten we, zijn de oudste truc van de bourgeoisie om de kiezers vrij hun onvrijheid te laten kiezen.’
Wat vindt u van de Duitse hereniging?
'Ach meneer, moet ik daar nu echt op antwoorden? Doet mijn mening ertoe? Ik zeg u dit: Ik ben geen Goethe, die, als het om meningen gaat, het geheugen heeft van een trambestuurder. Ik vergeet mijn meningen steeds, en ik vertik het om ze uit mijn hoofd te leren. Mensen met maar één mening zijn gedoemd. Men moet er meerdere hebben, vier, vele! Men moet zijn zakken ermee vol stoppen. Net als kranten, altijd de nieuwste! Het is goed toeven te midden van velerlei meningen.’
WAT VINDT U van de beschuldiging van John Fuegi dat enkele van uw beroemdste teksten door uw medewerksters zijn geschreven?
'Als het om kwesties van geestelijk eigendom gaat ben ik uit principe slordig. Het romantische idee van individuele creativiteit is een vergissing. De moderne arbeidsdeling heeft het karakter van het kunstzinnige scheppingsproces veranderd, het is een collectief proces geworden, een continuüm van dialectische aard. De afzonderlijke, individuele scheppingsdaad heeft zijn betekenis verloren.’
En zijn beschuldigingen van antisemitisme?
'Ik was bijna twintig jaar getrouwd met een jodin. Zo antisemitisch ben ik dus. Die meneer Fuegi is gespeend van ieder gevoel voor ironie. Als ik zeg dat het fascisme mensen met een grote neus wil verbieden hun medemensen uit te buiten, ontgaat hem de dialectiek van zo'n uitspraak.’
Maar vóór alles vindt hij u een vrouwenhater.
'Ik zou zeggen: vraag het mijn vriendin. De vriendin die ik nu heb en die misschien mijn laatste is, lijkt heel veel op mijn eerste. Evenals die is ook zij een zieltje zonder zorg, evenals bij mijn eerste word ik verrast door diepere gevoelslagen. Als deze vrouwen op hun kop krijgen, terecht of niet, huilen ze om geen andere reden dan dat ze op hun kop krijgen. Ze proberen bij iedereen in de smaak te vallen, maar laten zich niet bij iedereen in de smaak vallen bij wie ze in de smaak vallen. Mijn huidige vriendin is zoals mijn toenmalige het bekoorlijkst wanneer ze geniet. En van beiden weet ik niet of ze van mij houden.’
BENT U EEN gelukkig mens?
'Tegenwoordig wordt het geluk in allemaal kleine stukken gesneden. Dat moet niet. En dat kan ook niet. Het smelt als sneeuw als je het aanraakt. Moeten we in eenheidshokken leven, tussen grammofoon en hamburger? En naast eenheidsvrouwen en met een eenheidspijp in de mond? Dat kan geen geluk zijn, want er ontbreekt toeval en risico aan. Toeval en risico, de hoogste zedelijke waarden die er zijn. Wat is tevreden zijn? Géén reden tot klagen hebben, is minstens één reden te weinig! Een leven zonder hardheid, daar is geen reet aan.’