Interview Wim de Bie

«Ik ben terug bij het begin»

In 1990 hoonde Wim de Bie in een roman zijn heldenperiode, de jaren zestig, volledig weg. De jaren negentig bezag hij van de zijlijn. Blijft over: «snelcolumnisme» op internet.

«Discipline en tucht, heren!» Wim de Bie is geen exponent van de jaren negentig, dat duistere tussentijdperk van onduidelijkheid en verwarring. Hij had, zegt hij, al in 1969 zijn bekomst van het overmatige optimisme van de jaren zestig. Samen met Kees van Kooten koos hij voortaan voor het «ongevaarlijke» gebied van de satire. Van hem geen breedvoerige beschouwingen over de jaren negentig. Hij is niet iemand van de grote lijnen, geen theoreticus of essayist. Hij observeert en bedenkt typetjes en scènetjes.

Zo’n scène kan behoorlijk uit de hand lopen. De Bie schreef, precies in het jaar 1990, een toekomstroman die nog steeds huiveringwekkend is. Morgen zal ik mijn mannetje staan speelt in 1997. Er is in Nederland een revolutie uitgebroken en de hoofdfiguur, Wim de Bie, wordt door een commissie gescreend om te zien of hij voor de Nieuwe Televisie van het regime nuttig kan zijn. Hij slijmt en kruipt om mee te mogen doen. Ze brengen hem in de waan dat hij het nieuwe Nederlandse volkslied mag schrijven. Hij vertelt de screeningscommissie over z’n heldendaden als kleuter tijdens de Tweede Wereldoorlog en ontdekt met schrik dat ze absoluut geen belangstelling hebben voor z’n verzetsdaden tijdens de jaren zestig, maar uiterst geïnteresseerd zijn in zijn ervaringen bij de padvinderij en tijdens militaire dienst.

De eerste hoofdstukken van het boek lijken vandaag geschreven. Het is alsof scherprechters Winnie de Jong en Mat Herben een commissie hebben ingesteld om te beoordelen of Wim de Bie en andere televisiemakers nog bruikbaar kunnen zijn voor de Nieuwe Media die door de overheid moeten worden «aangestuurd». Het is duidelijk dat er dan van persvrijheid weinig over zal blijven. Het is echter geen rechtse revolutie van gefrustreerde Nederlanders waar deze De Bie zich slijmballend in wil likken. Het zijn juist de allochtonen die in zijn 1997 de macht hebben gegrepen. Er heeft zich in Nederland een vloedgolf van drie miljoen vluchtelingen gevestigd. Heel Afrika is leeggelopen. En al die vreemdelingen eisen de macht op die hun toekomt. Wat is er dan nog Nederlands in dit Nieuwe Nederland?

Je kunt het lezen als een vrolijk of als een grimmig toekomstperspectief, maar het loopt bar en boos af en de arme Wim de Bie moet ontdekken dat hij nooit programma directeur van de Nieuw-Nederlandse Televisie zal worden, hoogstens assistent- medewerker bij de Nieuw-Nederlandse Nationale Jeugdbeweging. Tenzij hij alsnog, zoals het een stoere Hollandse jongen betaamt, zijn mannetje zal staan en eindelijk een verzetsdaad zal plegen.

Twaalf jaar later ontkent Wim de Bie dat hij in 1990 reële voorspellingen wilde doen over hoe de wereld er in 1997 zou uitzien: «Het is niet meer dan een gedachte-experiment. Wat gebeurt er als al die miljoenen uit de hele wereld de rekening komen vereffenen en bij ons de boel komen overnemen? Ik heb nooit geloofd dat na 1989 de geschiedenis afgelopen zou zijn en alles goed zou worden. Dat heb ik altijd een absurde stelling gevonden, voor zover ik hem filosofisch kan begrijpen, want dat is mijn terrein helemaal niet. Ik kan heel moeilijk in deze grote lijnen praten, ik moet het hebben van de observatie, en daar doe ik iets mee. En het relativeren zit mij ingebakken, ik relativeer mijzelf en alles tot het tot de grond toe is afgebroken. Ook de revolutie in mijn boek loopt slecht af. Tegenkrachten grijpen de macht, misschien zijn het wel Libiërs die de macht van de Surinamers overnemen.»

Maar ook nu is er zoiets als een revolutie aan de gang, waarbij de overheid volgens de voorlieden van de LPF meer greep op de media en vooral op de televisie moet krijgen. Wim de Bie: «Een revolutie? Dan is het wel een heel kleine revolutie. Kennelijk wordt er bij zo’n omwenteling altijd naar de media gewezen. Maar het CDA staat zoals altijd pal voor de omroepen. Als het al een omwenteling is, wat is het resultaat? Balkenende wordt minister-president. Een jonge oude man die in eigen kring succes heeft omdat hij zo goed EO’s Muzikale fruitmand kan imiteren. Tjonge, tjonge. Nu denk je toch echt met enige onterechte spijt: was Pim maar minister-president geworden! Dan hadden we spannende tijden beleefd. Dan was er echt wat gebeurd. Nu blijkt het allemaal maar een kortstondige hype. Dertig procent van de LPF-kiezers is al weggelopen. De mensen hebben niet op een partij gestemd, maar op die ene man die dingen zei die twintig jaar hadden gesmeuld. Natuurlijk smeult dat nog, maar het is gesmoord in de omhelzing van het CDA en die gereformeerde Balkenende.»

Je kunt het boek dat Wim de Bie in 1990 schreef lezen als een waarschuwing dat de multiculturele samenleving gevaren en angsten met zich meebrengt waarover niet wordt nagedacht. Maar dat was voor hem niet het uitgangspunt. Het ging hem vooral over de Nederlandse identiteit. Wat betekende die voor hem? De Bie: «Er werden toen al inburgeringscursussen voorgesteld en Kees en ik hadden een scène gespeeld waarin Turken moeten leren een haring te eten. Wij deden dat met wit geschminkte gezichten en een Hitlersnorretje. Over demoniseren gesproken!

Het idee voor dit boek kwam oorspronkelijk voort uit het televisiebeeld van de Roemeense revolutie, eind 1989. De camera staat in een televisiestudio en is gericht op een tafel waar allerlei mannen urenlang verklaringen voorlezen, terwijl buiten nog wordt gevochten. Maar het boek is ook, al haat ik dat woord, het portret van een generatie. De Tweede Wereldoorlog. De jaren zestig. De linksigheid waardoor ik die revolutie van de buitenlanders helemaal accepteer. Ik doe alles om me erin te slijmen. Pas op het laatst, als dat me helemaal niet lukt, zal ik een daad stellen: ik zal de machtsovername torpederen door bij CNN de stekker eruit te trekken. Verder is het een heel erg autobiografisch verhaal. Alles wat ik tegen die mensen van de commissie over mezelf vertel is waar.

Maar er zitten nog andere elementen in. Herman Gorter speelt een rol, en het groote werk dat hij wilde verrichten. Het verhaal speelt in Bergen, in de Volksuniversiteit, en ik schreef het in het huis van Gorter in de Verbrande Pan. Gorter heeft ook een revolutie, de Russische, zien plaatsvinden en hij heeft meegemaakt hoe die ineenstortte. Hij heeft toen wel degelijk een daad gesteld. Hij is met veel moeite naar Moskou gegaan om Lenin op te zoeken en z’n mening te geven. Huilend heeft hij daar een redevoering gehouden. Hij werd uitgelachen en de volgende dag heeft Trotski hem de mantel uitgeveegd. Maar hij had wel een daad gesteld.»

In het boek worden de jaren zestig, de heldenperiode van De Bie en zijn generatie genoten, volledig weggehoond. Het revolutionaire comité heeft er niet de minste bewondering voor. Wat is het resultaat geweest van die opstand? Er is één burgemeester afgetreden. Wim de Bie staat in het boek met z’n mond vol tanden. Toch waren die jaren zestig ooit een tijd van idealen en ideologieën waar jongeren nog altijd jaloers op kunnen zijn. De Bie: «Ik herken het taalgebruik van de antiglobaliseringsbeweging. Het gelijk aan je kant hebben; de wereld willen bestormen.»

Is hij in de jaren negentig overvallen door een gevoel van onmacht? De Bie: «Geen onmacht. Doordat ik als satiricus en columnist van enige afstand aan de zijlijn toe kon kijken. Maar in de jaren zestig heb ik indertijd zeer geloofd. Ik zat er midden in en dat bedoel ik niet als stoer verhaal. Ik had een radioprogramma op de zaterdagmiddag, Uitlaat. Dat was zo’n beetje de stem van die jaren zestig. Ik trok vanaf 1963 met een groep vrienden door Amsterdam en door het land en bracht verslag uit over de Provo-bijeenkomsten. Maar in 1969 ben ik daarmee gestopt. Ineens vielen me de schellen van de ogen toen de idealen van de jaren zestig door De Bijenkorf commercieel werden vertaald in een psychedelische afdeling. Ik realiseerde me plotseling hoe oppervlakkig het allemaal was, dat ik alleen maar Amerikaanse bladen zat na te praten. Ik had de mazzel dat ik toen niet, zoals veel van mijn vrienden, in een enorm gat ben gevallen. Ik kon met Kees van Kooten als duo full time televisie maken. Veel van mijn generatiegenoten bleven steken of gingen dood. Aan de drugs. Soms benauwt het me nog dat ik daar jaren lang propaganda voor heb bedreven. LSD werd gezien als het redmiddel voor de mensheid. Dat moest aan het drinkwater worden toegevoegd.»

Van Kooten en De Bie zijn bezig hun hele televisierepertoire van 38 jaar door te spitten om de balans op te maken en hun keuze op DVD’s te zetten. Het valt De Bie op hoeveel er twintig jaar geleden al speelde dat nu nog actueel is: de angst voor de asielzoekers, het uit de hand gelopen gedoogbeleid, het regentendom van de PvdA. In Juinen, met z’n burgemeester en wethouder Hekking, ontbreekt alleen een Leefbaar Juinen. Het meest actueel lijkt de Tegenpartij. Bijna iedere dag worden de Haagse vrije jongens Jacobse en Van Es in een adem genoemd met de Lijst Pim Fortuyn.

De Bie: «Er is een belangrijke overeenkomst tussen de LPF en de Tegenpartij. In beide gevallen gaat het om een groep die niet werd gehoord. Zo zijn we ook aan de figuren Jacobse en Van Es gekomen. Kees was bij een bokswedstrijd geweest en zei tegen me: ‹Daar zit nu toch een type mannen, die hoor je niet, die komen niet aan bod.› Nog vóór de Centrum Democraten hebben Jacobse en Van Es vergaande dingen over buitenlanders geroepen. En ze werden uiteindelijk vermoord, ook dat is een waanzinnige overeenkomst met Pim Fortuyn. Ze pleegden een staatsgreep en werden door de regering met veel geweld uit de Tweede Kamer gehaald.

Maar je mag een man als Mat Herben niet met Jacobse en Van Es vergelijken. De LPF lijkt niet op die ultrarechtse, paramilitaire groepjes. Daar mogen we blij mee zijn. Het zijn toch allemaal keurige dames en heren. Pim Fortuyn was iemand die zei waar het op staat. Die keurige Herben doet dat niet. Het gaat om dingen die twintig jaar lang onder tafel zijn geveegd, die uitbarsting hoeft niemand te verrassen. Plezierig is het natuurlijk niet, maar Jacobse en Van Es riepen hetzelfde al in 1980 en 1981. Ook over uitkeringstrekkers. Dat wil niet zeggen dat we een profetische blik hadden. Wij spiegelden alleen maar de tijd. Satire is een kwestie van omdraaien en vergroten, maar er zijn hele groepen die dat niet begrijpen. Als we twintig jaar geleden als Jacobse en Van Es door Den Haag liepen, vroegen mensen ons of we dit en dat nog eens aan de kaak wilden stellen. Die ultrarechtse Glimmerveen zette Jacobse en Van Es meteen op de omslag van z’n blaadje. We hebben ze laten doodgaan, dat was een ijzersterk slot op het Binnenhof. Maar we hebben er later vaak spijt van gehad. Blijkbaar stonden ze ergens voor.»

Na veertig jaar is Wim de Bie volledig met televisie gestopt. Op 1 maart 2002 is hij in overleg met de VPRO begonnen met bieslog, een eigen internetsite. «Ik moest uitscheiden met televisie, ik moest iets heel anders gaan doen. Ik was al vanaf ’98 met die nieuwe media bezig. Ik heb een dagelijkse uitzending per webcam gehad die hoorde bij het televisieprogramma. Maar je kunt die twee media niet combineren, dan wordt het ene een verlengstukje van het andere. Ik wilde ook uit dat weekritme stappen waar ik al vanaf 1989 in zat.

Bieslog geeft me een enorme vrijheid. Nu kan ik dagelijks iets op het net zetten, ik ben niet meer gebonden aan een vaste columnlengte en ik kan foto, geluid en video gebruiken als ik dat wil. Ik ruk weer uit als reporter met een tas waar dat allemaal in zit. Ik monteer het zelf en stuur het op. Het gaat bijna te snel. Soms vind ik het te flauw en moet ik het na een uur weer verwijderen. Het is een vorm van snelcolumnisme. Soms is het een herinnering, soms geef ik commentaar op een stukje in de krant of op iets wat ik op televisie zie. Als ik een tikfout maak is er direct iemand die reageert.

Je hebt veel contact met de lezers, ik krijg dertig, veertig reacties per dag. Het hoeft nu ook niet meer per se satire te zijn. Ik laat m’n kippen zien of ik bal met een hondje. Ik kan ook een tekening of een foto laten zien en tegelijk de maker interviewen. Op de televisie zou je dat niet kunnen doen. Je moet je opnieuw afvragen waar beweging in het beeld voor dient. Ik ben helemaal terug bij het begin. Het is een combinatie van radio, televisie, schrijven en fotografie. Het is uniek dat je alles in een koffertje hebt en overal vandaan kunt uitzenden over de hele wereld.

Niet alle reacties zijn leuk. Na de dood van Pim Fortuyn kreeg ik mailtjes met: ‹Heb je nu je zin?› Maar met dit medium kun je onmiddellijk antwoorden: ‹Hoe kom je erbij, Martijn, ik heb helemaal m’n zin niet.› Dan reageert Martijn weer: ‹Sorry, ik was een beetje emotioneel!› Ik beantwoord de kritische reacties altijd. Ik vind dat dat moet. Soms schrikken ze zich dood, ze verwachten niet dat ze persoonlijk antwoord krijgen.

Je kunt niet altijd komisch zijn. Een lezeres mailde me over de hongersnood in Malawi. Waarom is daar geen actie voor? Dat komt ineens hard aan in een tijd waarin het alleen gaat om de kabinetsformatie. Ik heb het opgenomen. Ik heb ook een link gemaakt naar iemand die een mereltje opvoedt dat uit het nest is gevallen. Er zijn duizenden van dat soort sites. Je hoort van mij geen hoogdravende verhalen dat dit een nieuwe vorm van journalistiek is. En het is niet alleen beeldcultuur, er wordt ook weer op grote schaal geschreven. Mensen gaan met andere ogen kijken naar de werkelijkheid. De tv is ineens een suffe kast geworden. En dat is allemaal in de jaren negentig ontstaan! De wereld is door internet veel toegankelijker geworden. Je kunt veel gemakkelijker buitenlandse kranten lezen.

Het nieuwe medium maakt het mogelijk dat iedereen nu kan publiceren. Neem 11 september. We werden op alle televisiezenders overspoeld door CNN. Het was een verademing dat je op internet kon lezen over een heel ander Amerika. Niemand kan voorspellen wat ervan komt. Het gaat allemaal weer vreselijk veranderen en schuiven. Dat vind ik het interessante van deze tijd, er gebeurt godverdorie heel veel! En het is anders dan we denken, het is gecompliceerder, het is onvoorspelbaar. Dat is toch alleen maar winst?»