‘ik ben uitgeintegreerd’

DE BRAILLE-UITGAVE van zijn boek levert een pak papier op waar J.J. Voskuil niet aan kan tippen: vijf banden. Waarmee de versie voor de ‘visueel uitgedaagde medelander’ ongeveer vijf keer zo dik is als die in rechttoe, rechtaan Nederlands. ‘Zo lijkt het nog heel wat’, zegt Vincent Bijlo (32) met een grijns.

Het instituut heet zijn vorige week verschenen debuutroman. Het is geen eerbetoon geworden aan het blindeninstituut in Het Gooi waar Bijlo van zijn vierde tot zijn dertiende levensjaar zat. Eerder een afrekening met het ‘reservaat’ waar hij met zo'n zestig andere blinde kinderen de beginselen moest leren van het stoklopen, veters strikken en zelfstandig soep lepelen. Allemaal in het kader van hun latere integratie. Ze werden getraind voor 'de echte wereld’, en kregen er ook basisonderwijs. Maar bovenal wachtten ze. De blinde kinderen in het boek wachten in angstige spanning tot ze naar de echte wereld mogen. In de hoop dat die wereld ook op hen zit te wachten.
'Integratie betekende op het instituut: worden als de zienden’, zegt Bijlo. 'Dus dat de mensen zouden denken: daar loopt een ziende. Alsof iemand dat ooit zou denken! Heb jij ooit gedacht: hee, daar loopt een ziende, wat doet-ie met die stok?’
Het was er een 'debiele bende’, schrijft Bijlo in Het instituut. Zijn alter ego Otto Iking vindt zichzelf en zijn vriendje Harm de enige normale kinderen die in het blindenreservaat rondlopen: 'De rest stonk, was kinderachtig, dom en niet goed bij zijn hoofd. Als je het zootje zo bij elkaar zag, zou je zeggen dat blindheid iets met je hersens deed.’
Bijlo: 'Ik schaamde me soms voor mijn medeblinden. Ik heb me nooit zo blind gevoeld. Er zijn natuurlijk allerlei praktische dingetjes die je moet leren of die je niet kunt, maar ik heb eigenlijk nooit begrepen waarom ik op dat instituut zat. Ik vond helemaal niet dat ik iets “ergs” had waarvoor ik behandeld moest worden. Waarschijnlijk hadden veel andere kinderen datzelfde gevoel. Sommigen gingen dan maar debiel doen, alsof ze wel iets ergs hadden.’
Ouders die op bezoek kwamen, vertelt hij, liepen rond alsof ze op de gesloten afdeling van een gesticht waren. De kinderen voelden zich vaak nergens thuis: niet op het instituut en niet bij hun ouders. Als ze een weekend naar huis gingen, wisten ze daar de weg niet. Ondertussen misten de ouders het opgroeien van hun kind. Wanneer dat na jaren weer thuis kwam wonen om naar de middelbare school te gaan, kenden zij degene die ze in huis kregen niet meer.
'JE KUNT MENSEN niet klaarstomen voor de “echte” wereld in een reservaat achter hekken’, zegt Bijlo. 'Maar in de jaren zeventig vond men dat de maatschappij zo ingericht moest worden. Alles wat afweek moest je isoleren om er vervolgens vreselijk veel aandacht aan te besteden. Dan kwam het misschien nog wel goed. Op het instituut werd je geleerd om zo veel mogelijk mee te doen, want dat was integratie. Ook ik was een echte integreerblinde. Maar ik ben uitgeïntegreerd. Nu weet ik dat je beter gewoon jezelf kunt zijn, en dat je nooit iets moet doen wat je eigenlijk niet kunt.’
Maar, zegt hij, misschien heeft hij makkelijk praten. Hij hoeft niet, zoals veel andere blinden, een baan te zoeken waarbij hij steeds weer tegen beperkingen oploopt. 'Ik heb gewoon net zo lang geouwehoerd tot ik mijn eigen baantje had gecreëerd.’ Zes - succesvolle - cabaretvoorstellingen maakte Bijlo sinds hij in 1987 in wegrestaurant De Afrit te Meern een gehandicaptencabaretfestival won onder het motto 'Valt er nog wat te lachen om ziektes en handicaps’. En nu ligt er dus ook een heuse roman.
'Ik ken geen andere blinde romanschrijvers, en volgens mij zijn ze er ook niet’, zegt Bijlo. 'Een verklaring daarvoor zou zijn dat een blinde schrijver het niet over dingen kan hebben die je met je ogen waarneemt, en dus nooit een compleet wereldbeeld voor zienden kan neerzetten. Maar volgens mij kan dat wel, omdat er veel meer overeenkomsten tussen onze werelden zijn dan verschillen. En de verschillen zijn juist interessant.
Ik heb geen auctoriaal perspectief genomen, want een alwetende verteller ziet altijd. Die kijkt van bovenaf als een camera op al zijn personen en de dingen die voorvallen. Ik heb het perspectief gehanteerd van dat jochie, Otto Iking, die nu eenmaal niet ziet. Op die manier kan ik beschrijven hoe hij de dingen op de tast moet ontdekken. Zoals tijdens het kamperen, wanneer hij ’s nachts moet poepen en vervolgens zijn tent niet kan terugvinden. En dan moet gaan bedenken terwijl hij overal tegen opbotst: hier staat het busje, daar is de waslijn, dus moet daar ongeveer mijn tent staan. Dat heb ik zelf zo meegemaakt.
Het grote verschil tussen Otto en mijzelf is dat ik niet intern was in dat instituut, maar thuis at en sliep. Ik was een van de Gooise moedersblindjes. Maar verder heb ik veel gemeen met mijn hoofdpersoon. Als de wereld niet naar jou toekomt, ga je maar je eigen wereldje creëren. Dat doet Otto, en dat deed ik ook, achter de microfoon van mijn eigen radiopiraatje, en op de zolder van het instituut. Daar vond ik op een dag honderden meters boeken in braille die ik allemaal wilde lezen. Zoals Otto zegt in het boek: hij moest en zou elk puntje dat daar stond zijn vingers laten passeren. Hij haalt ook kracht uit zijn overwinningen op de Superblinde, zijn instituutsgenoot Harm.’
Otto rijdt zelfs rond op een brommer.
'Ja, dat geloven mensen nooit, maar dat kan natuurlijk wel. Ik heb het ook gedaan. Gewoon een kwestie van onderzoeken en heel langzaam rijden. Zoals je helemaal onderzoekend de wereld moet leren begrijpen en je eigen maken. Op de tast en met logisch nadenken. Dat laatste is heel belangrijk. Ik ben ontzettend vaak dingen kwijt, want als ik iets niet aanraak, bestaat het voor mij niet meer. Wanneer ik echt niet meer weet waar ik iets gelaten heb, ga ik niet zomaar wat rondgraaien, maar weet ik meestal vrij snel te bedenken waarvoor ik het het laatst heb gebruikt, en waar het toen lag.’
HOE SCHRIJFT, en vooral: beschrijft, een schrijver die geen totaalbeeld heeft van de dingen, die alles wat visueel is moet rationaliseren? Bijlo tekent de sfeer met behulp van geuren, stemmen, geluiden en het weer. In zijn boek is het altijd halfbewolkt en vijftien graden. Ongeveer zoals de hoofdpersoon zich voelt. En de geluiden gaan de lezer soms door merg en been. Bijvoorbeeld wanneer de 'pijnboom’ op het instituutsterrein (die zo heet omdat iedereen ertegenop botst) ter aarde stort. 'Een omvallende boom is een van de ergste geluiden in de natuur’, zegt Bijlo. 'Een boom staat er altijd tamelijk levenloos bij, het enige wat hij doet is een beetje ruisen in de wind. Maar als de boom valt, hoor je opeens hoe levend hij is. Het giert en het kraakt en het kermt, het eindigt met een enorme plof en dan is het afgelopen. Ik was eens alleen tijdens een storm toen er vlak voor mijn voeten een boom omviel. Heel angstaanjagend.’
Waarop hij direct verzekert dat het soms een voordeel is dat hij niet ziet wat er allemaal om hem heen gebeurt. Zoals die keer op station Hilversum, toen de kogels hem om de oren vlogen. 'Een vete tussen twee Turken’, grinnikt hij. 'Ik stond op het perron en hoorde opeens páf, páf. Ik wist absoluut niet wat het was en liep maar gewoon door. Ik was waarschijnlijk de enige getuige die niet bang was. En het slachtoffer heb ik niet in elkaar zien zakken, dat is ook weer meegenomen. Al die dooien op de televisie hoef ik ook niet te zien. Wat dat betreft is de wereld wel leuk voor mij.’
Hij vertelt hoe het is om naar de televisie te luisteren. Naar het actualiteitenprogramma Netwerk bijvoorbeeld, en de commentaarstemmen van Fons de Poel en Karel van der Graaf. 'Machomannetjes die dolgraag willen bewijzen hoe goed zij op het scherpst van de snede de journalistiek beoefenen. Ik hoor wat voor tendentieuze, ophitsende toon zij daar in leggen. Als die je niet opvalt omdat je vooral op de beelden let, dan word je daar heel erg door beïnvloed. Dan krijg je het Telegraaf-effect. Ik vind Netwerk het ergste programma dat er is. Aad Nuis zou het achter een decoder moeten stoppen.’
JAHA, BLINDEN kunnen véél beter luisteren. En horen. Ze zijn ook geknipt om telefonisch enquêteur te worden, zo berichtte laatst de krant, want ze horen zó goed wat de geïnterviewde van het ongevraagde interview vindt… Nou, dat kan iedereen wel horen, spot Bijlo. Nog zo'n clichévraag: Wat zou u liever zijn: doof of blind? Of: Meneer, loopt u nou de hele dag in het donker? Ze worden hem allemaal gesteld. 'Mensen gaan daar heel ver in, denken dat ze alles maar kunnen vragen. “Bent u het vanaf uw geboorte?” Nee, zeg ik dan, vér daarvoor al.
Ik wil best op mijn blindheid aangesproken worden, maar op een serieuze manier. Ik wil geen aapje zijn waar mensen naar komen kijken. Ik ben ontzettend vaak voor tv-programma’s gevraagd omdat ik blind ben. Seks met Angela maakt een uitzending over seks met gehandicapten, dus kom: we vragen Bijlo. Angela stuurde mij een soort verleidingscassette. Met zo'n zwoele stem: Hallooo Vincent… Of ik kwam uitleggen hoe een gehandicapte het doet. Ik heb geantwoord: “Seks doe ik met het licht uit, althans: dat denk ik. En meer weet ik er niet van want ik heb het nog nooit met een gehandicapte gedaan.” De Avro vroeg mij om samen met Joop Braakhekke te komen koken voor de camera’s. Dan zouden ze Braakhekke blinddoeken, en kon hij vertellen hoe moeilijk dat was. Toen heb ik gezegd dat ik alleen zou komen als ik de geblinddoekte Braakhekke een uur lang op vol vermogen in de foodprocessor mocht laten ronddraaien.
Blind zijn is een volkomen normale situatie voor iemand die blind geboren is. Daar hoef je ook niets over te leren van goedbedoelende hulpverleners. Je weet instinctief heel goed wat je kunt en wat niet. Je weet dat je met je kop tegen een deur kunt lopen. Dat gebeurt natuurlijk ook en dat maakt niet uit. Het is ook wel een karakterkwestie; ik laat me niet ontmoedigen door dingen die door mijn blindheid mislukken. Dan verzin ik wel iets anders of ga ik het nog een keer proberen. Ik heb jarenlang met elektronica geklooid en allerlei dingetjes in elkaar gesoldeerd. Dat zijn heel nauwkeurige werkjes die vaak misgaan. Maar wanneer je jezelf dwingt om het geduld en de concentratie te behouden, dan lukt het wel. Als je het niet probeert, gaat het niet fout, maar dan héb je ook niks.
Met mijn cabaretvoorstellingen ging het in het begin ook vaak mis. Cabaret is zo'n directe vorm van communicatie; als het niet lukt om een band te krijgen met je publiek, dan lukt het ook helemáál niet. Soms stond ik totaal verkeerd te spelen en kwam ik gebroken uit de voorstelling. Dan dacht ik: jullie hebben ook gelijk, ik ben een arrogante lul dat ik dit zonodig moet doen. Maar dan probeerde ik al mijn moed weer bij elkaar te rapen en de volgende avond dat oude lef terug te pakken.’
’s Avonds, als hij met zijn cabaretprogramma Tegen! in een uitverkocht theater staat, doet hij uit de doeken waarom hij niet in God gelooft: 'Eerst zien, dan geloven.’ En hij verhaalt in de show over zijn buurman, die ook blind is. 'Hij is een racist, dat vind ik zó knap.’
Voor Bijlo geen uiterlijk onderscheid, geen spiegels. Ook dat, zegt hij na de voorstelling, is een voordeel van blind zijn . 'Er worden zoveel oordelen geveld in één oogopslag. Maar het heeft natuurlijk ook vreselijk veel nadelen. Je kunt niet zomaar afstappen op leuke mensen. Je moet maar hopen dat die naar jou toekomen, of wachten op het toeval. In mijn studententijd was dat soms wel moeilijk. Dan was ik verliefd op een meisje en zij niet op mij, en dan ga je kwalijke dingen denken als: ze wil natuurlijk liever een ziende jongen, en geef haar eens ongelijk. Van die nare gedachten die je onmiddellijk moet verdrijven, want ze zijn het begin van het verzuringsproces.’
Hoe word jij verliefd?
'Op een stem, op karakter, op wat iemand zegt. Ik geloof niet dat dat zo anders is. Uiterlijk is voor zienden natuurlijk een begin, maar het doet hetzelfde als een stem voor mij doet.’
We praten na over Tegen! Over dat het onder Paars zo verdomd moeilijk lijkt om nog ergens tegen te zijn. Welnu: híj is tegen Paars, en tegen die vleesgeworden eensgezindheid die zo'n petkabinet mogelijk maakt. Tegen economische groei tot de dood erop volgt. Tegen Henk Spaan en Harry Vermeegen. (Want anders rijmt het Tegen-lied niet.)
JE BENT OOK tegen prenataal onderzoek.
'Ja. Ik voelde mij in mijn bestaansrecht aangetast toen die discussie woedde over de vraag of blinde foetussen geaborteerd mogen worden. De bewondering voor de medische wetenschap is grenzeloos, dus prenataal onderzoek wordt belangrijk gevonden. Terwijl het mensen alleen maar met méér problemen opzadelt. Als je weet dat je kind een kans heeft om iets te krijgen, wat doe je dan? Je gaat je zorgen maken, en bent helemaal niet meer blij met dat kind. Mijn ouders hadden al een blinde zoon, die wilden ze niet alleen laten opgroeien, en daarom werd mijn moeder opnieuw moeder van mijn tweelingzus en mij: een ziende en een blinde. Dat is mooi, dat is het leven nemen zoals het komt.
Blindheid wordt nog altijd als een soort ziekte gezien, waarvan je genezen moet worden. Dat staat ook in de bijbel, dat Jezus blinden kon genezen. Het is zo'n superieure gedachte van wetenschappers dat hun wereld de wereld is waarnaar gestreefd moet worden. En dat als je blinde mensen ziend kan maken, je dat onmiddellijk moet doen. Een beperkt wereldbeeld.
Ik heb dat laatst gezegd op de radio, in aanwezigheid van professor Galjaard, en die werd daar ontzettend kwaad om. Die man zit op een troon en is niet gewend dat hij tegengesproken wordt. Hij zegt: Blindheid is een lastige handicap, die moet je toch voorkomen als dat kan. Ik heb toen mijn liedje Blij met blind gezongen:
“Ik kreeg laatst een brief thuis/ van het Academisch Ziekenhuis./ Het ging over genezen,/ had ik dat wel goed gelezen,/ ja: het stond er echt: genezen./ Dus ik naar de professor, de professor was heel blij,/ hij zei: meneer, straks hoort u er weer helemaal bij/ er gaat een wereld voor u open, dat beloof ik u./ Ik zei: Nou nee, dank u./ Hij zei: wat zegt u nu, ik zei:/ als u het niet erg vindt,/ laat mij maar lekker blind./ Wat moet ik in de wereld van de zienden?/ Ik zou niemand meer herkennen,/ mijn vriendin niet en mijn vrienden./ Ik zou opnieuw moeten beginnen als een kind,/ laat mij maar lekker blind.”
Ik zou nooit willen zien. Dat kán niet. Dan heb je 32 jaar in een totaal andere wereld geleefd. Je zou inderdaad opnieuw moeten beginnen als een kind, want je hele wereld stort in elkaar. Je wordt gespleten, je krijgt twee levens. Mensen die later blind zijn geworden en dan weer gaan zien, kunnen wél terug naar hun oude wereld. Maar als je dat nooit hebt gekend, dan kan het niet. Er zijn blinden bij wie het gelukt is om ze zicht te geven, en dat liep niet goed af. Je wordt gek, echt letterlijk gek. Laat mij maar lekker blind.’