‘ik ben ulen spiegel’

TIJL UILENSPIEGEL, wie kent hem niet? De vraag is alleen: over welke Uilenspiegel hebben we het? Die van het epos van Charles de Coster? Oorspronkelijk werd het in het Frans geschreven, en de held die zo'n vertrouwde figuur in de Nederlandse literatuur lijkt, kent men waarschijnlijk van een vertaling, een van de vele. Maar er is ook de Tijl uit het oude Duitse volksboek; uiteraard kent men dat eveneens alleen van vertalingen, of van een jeugdversie die, afgaande op wat ik er zelf van onthouden heb, misschien nog het meest in de buurt komt van de vroegste mondelinge vertellingen.

In de veertiende eeuw moet de achternaam van de echte Till Eulenspiegel, zoals hij in de oudste Duitse drukken heette, een bijnaam zijn geweest, want achternamen bestonden nog niet. In zijn geboortestreek Braunschweig betekende ‘uhlen’ kussen of likken, en 'spiegel’ was de benaming voor de kont van een viervoetig wild beest. Ik houd me maar aan de gangbare schrijfwijze 'Uilenspiegel’. In hoofdstuk 20 van het eerste boek van De Costers Legende zet de vijftienjarige Tijl, zoon van Claes, in Damme een tentje op waar eenieder tegen betaling zichzelf in de spiegel kan bekijken; staande achter de lege lijst beeldt Tijl de ware aard van de klant uit. In plaats van 'ik ben U lieden spiegel’ zegt hij kortweg 'ik ben ulen spiegel’. De uitleg van de naam verraadt al iets van zijn gedaanteverandering. TOEN CHARLES de Coster in de jaren zestig van de vorige eeuw aan zijn epos begon, was Uilenspiegel al veranderd in een West-Vlaamse held. In de zeventiende eeuw was hij niet alleen zedelijk bijgeknipt maar had hij ook een andere geboortestreek en een graf in Damme gekregen, dat oorspronkelijk aan Van Maerlant toebehoorde. De Coster trof dus al een panklare nationale held aan toen hij op verzoek van het weekblad Uylenspiegel zijn eerste fragmenten over Uilenspiegel schreef. Het blad, dat in 1856 door een club van Franstalige vrijdenkers werd uitgegeven, was in het begin vooral studentikoos en nauwelijks politiek. Voor De Coster was Uilenspiegel nog steeds de schalk van de laatmiddeleeuwse verhalen. Uit het oude volksboek putte hij ongegeneerd, in de mening dat volksvertellingen nu eenmaal gemeengoed zijn; hij kon ook niet weten, wat een Zwitserse bibliofiel pas in 1969 ontdekte, dat er één auteur was geweest. De oudste bewaard gebleven editie, in 1510 te Straatsburg gedrukt, werd eind vijftiende eeuw, waarschijnlijk in het Hoogduits, geschreven door een zekere Herman Bote, een boekhouder. Ook deze putte uit vele bronnen, waarvan sommige via de Italiaanse en Latijnse literatuur zelfs teruggingen tot Perzische en Indische verhalen. Dat maakt de oude Ulenspiegel historisch interessanter maar literair niet beter; de verhalen zijn te boertig om satiren genoemd te kunnen worden. Als je ze nu leest, zijn het vrij onbehouwen grappen met een hoog scatologisch gehalte; zeker eenderde gaat over stront en dergelijke, voor de rest over geld, eten, pastoors en waardinnen. Uilenspiegel is een pestkop, uitvreter, spelbederver, en als het hem uitkomt speelt hij de vermoorde onschuld; echt kwaad bedoelt de schavuit het zelden, maar goed heeft hij het ook bijna nooit met iemand voor, tenzij met zichzelf. De grootste lol beleeft hij aan leedvermaak, als anderen elkaar door zijn toedoen in de haren vliegen; hij spaart trouwens geen mens, uit welke laag of stand dan ook. Het aardigste aan hem is misschien dat hij onverbeterlijk is, tot over het graf. NU DE UILENSPIEGEL van De Coster. In het eerste verhaal dat De Coster over hem publiceerde, 'Comment Ulenspiegel fut peintre’, volgt hij letterlijk het volksboek. In Hessen biedt de zwerver de landgraaf zijn diensten aan als schilder en hij int een stevig voorschot om diens hele stamboom te vereeuwigen. Als men het resultaat wil zien waarschuwt de schilder dat alleen diegene iets zal zien die echt en wettig is geboren. Iedereen zwijgt behalve een zottin; rap neemt de wel erg abstracte schilder de benen. De Coster heeft heel wat meer ruimte nodig omdat hij zijn verhaal in een groter verband moet plaatsen, maar meer nog omdat hij ook nog wat over de menselijke ijdelheid kwijt wil. Onder dreigementen bezweert elkeen de schilder hem of haar niet naar de werkelijkheid maar naar wens te portretteren, zoals een voorname dame 'met een bult op haar rug en een boezem welke glad was gelijk de kling van het zwaard der gerechtigheid. “Heer schilder,” zei ze, “indien je me voor die ene bult achteraan geen twee bulten vooraan geeft, word je gelijk de eerste de beste gifmenger gevierendeeld.”’ In De legende komt dit verhaal pas voor in hoofdstuk 57 van het Eerste Boek, en daar is het tevens het laatste verhaal van de wispelturige schelm. Hierna wordt Uilenspiegel een vurig patriot, een tragische held, een politieke figuur. Volgens Marnix Beyen, die onlangs een studie publiceerde over de politieke doorwerking van De Costers Uilenspiegel-motief in Vlaanderen, werd de Légende d'Ulenspiegel pas in de jaren zestig een politieke belijdenis, onder invloed van politieke pamfletten die voor annexatie van België door Frankrijk waarschuwden. Toen had De Coster al een hele serie Uilenspiegel-verhalen geschreven; de vrolijke en roemrijke avonturen werden ook pas later 'heldhaftig’ genoemd in de titel. De Coster verplaatste zijn verhaal naar de zestiende eeuw ten tijde van de Nederlandse strijd tegen de Spaanse verdrukking. In het hoofdstuk dat op het schilder-verhaal volgt, doet Karel afstand van zijn troon; onder het gehoor van zijn opvolger bevinden zich Oranje de Zwijger, de graven van Egmont en Brederode, de edelen van het Gulden Vlies, die hun heldhaftige of verraderlijke rol zullen spelen in de vrijheidsstrijd. Uilenspiegel heeft daarin als vertegenwoordiger van het volk de ware hoofdrol; hij hoeft ook door niemand verkozen te worden, hij is een natuurlijke leider, die overigens wel bij de hoge heren in en uit loopt. Maar eerst moet hij nog terugkeren van zijn bedevaart naar Rome, hem opgelegd om absolutie van de paus te krijgen omdat hij in een café stoutweg verklaarde dat de dodenmissen alleen de pastoors ten goede kwamen. Protestant is hij eveneens van nature, hoe kan het anders voor zo'n vrijgevochten type. Na drie jaar keert hij in Damme terug, in het jaar onzes Heren 1558, uitgerekend op de dag dat zijn vader vanwege ketterij - ook voor de lezer is hij ongemerkt Geus geworden - tot levende verbranding wordt veroordeeld. De zoon neemt een beetje as van de dode en telkens als nadien de nood aan de man komt, zal hij op het zakje slaan dat zijn moeder voor de as heeft genaaid en roepen: 'De asse van Claes klopt op mijn borst’. HET HELE EPOS van De Coster moge vergaan, die slagzin zal in het Vlaamse land altoos blijven bestaan. Zo stond onze held op een wervingsaffiche uit 1941 voor een autonoom Vlaams legioen in de SS, tegen een achtergrond van een leeuw en een hakenkruis, met als onderschrift: 'De asche van Claes klopt op mijne borst… Uilenspiegel roept ook U naar de Waffen-SS’. Het wonderlijke aan de figuur van Uilenspiegel is dat hij, en dat al van meet af aan, een soort mal was, zó invulbaar dat hij voor alle mogelijke doeleinden kon worden gerekruteerd, door fascisten, katholieken, liberalen, communisten, nationalisten en padvinders; met dit verschil dat links eerder een voorkeur voor de vroegere onfatsoenlijke fratsenmaker had en rechts een zwak voor de strijdende held, zijn kuise jaloerse bruid en rondborstige strijdmakker Lamme Goedzak. Marnix Beyen geeft een gedetailleerde beschrijving van de uiteenlopende gedaanten die Uilenspiegel op het politieke toneel in België aangemeten heeft gekregen. Zijn conclusie is dat de Vlaams-nationalistische interpretatie van Uilenspiegel geen wederrechtelijke toeëigening van De legende van De Coster is geweest; dat kan ik na lezing van het epos alleen maar beamen. Ik vraag me trouwens af hoeveel mensen ooit de moeite hebben genomen Uilenspiegels daden verder te volgen dan de grappen en grollen uit het eerste deel. Want vanaf het tweede boek wordt het epos één strontvervelende bombastische lofzang op de vrijheidsdrang en vaderlandsliefde van het Vlaamse volk. Als historische beschrijving van de strijd der Zeven Provinciën is het een tendentieus verhaal, en De Coster moest nogal goochelen om voor Groot-Nederland in de negentiende eeuw nog de benaming Vlaanderen te kunnen gebruiken; naar de letter was Vlaanderen beperkt tot het westen, de streek van Damme. Bovendien wrikt het historische verhaal aan alle kanten doordat De Coster de rivaliteit tussen België en Frankrijk uit zijn tijd vertaalde naar de strijd tegen Spanje drie eeuwen ervoor. Verdere uitleg dan dat het een strijd om gewetensvrijheid was, geeft De Coster niet. UILENSPIEGEL wordt meer en meer een Robin Hood. Lamme Goedzak, de buik van Vlaanderen, neemt, eenmaal wakkergeschud, zijn rol van volkse held over. Goedzak, voor welke Holle Bolle Gijs de schrijver niet eens een Franse naam had, bood wel alle gelegenheid tot vindingrijke opsommingen van eten en drinken. Die paar sappige passages maken evenwel niet goed wat de schrijver aan pathos en retoriek voorschotelt, zonder enige maat, met als toppunt de ellenlange gezangen waarin Uilenspiegel te pas en te onpas uitbarst. De compositie is die van een lange winterkous; geen wonder dat De Coster nog eens een tweede epos voor een herboren Uilenspiegel overwogen heeft. Laat ik er één draad uithalen: op het eind van het Derde Boek biedt Uilenspiegel zich aan als bestrijder van de weerwolf die de streek van Damme teistert. En wie blijkt in die vermomming over brave burgers en bij voorkeur onnozele deerntjes heen te vallen? Josse Grypstuiver, dezelfde visboer die tien jaar eerder vader Claes op de brandstapel en Uilenspiegel met zijn moeder op de pijnbank heeft gebracht. Hij is de Satan zelve, geeft de slechterik ten overstaan van de baljuw toe, maar ter verdediging beroept hij zich, heel modern, op een liefdeloze jeugd en het feit dat geen enkel meisje hem vroeger zag staan. IN HET VIJFDE en laatste Boek vindt Uilenspiegel dan eindelijk toch nog 'de Zeven’ waarnaar hij vanaf hoofdstuk 2 op zoek was, hem voorzegd in een visioen na de dood van zijn vader. Hoewel je als lezer net als de held zelf allang vergeten was waarnaar hij zocht. 'De Zeven’ blijken de zeven Hoofdzonden die in een laatste visioen veranderen in zeven (lagere) Deugden. Dan slingert een machtige hand Uilenspiegel door de lucht. Hij blijft voor dood liggen. Als hij vervolgens niet was opgestaan, had de Vlaamse nationalist nooit z'n veelbelovende spreuk in het vaandel kunnen voeren: 'Kan men Ulenspiegel, de geest, en Nele, het hart van moeder Vlaenderen, zomaar begraven?’ Neen, natuurlijk. En Uilenspiegel toog met zijn geliefde Nele heen - beiden in zo'n twintig jaar geen spat ouder geworden - 'onder het zingen van zijn tiende (in andere vertalingen zijn zesde - jfv) liedeke, doch waar hij het laatst zong, weet men niet.’ Theun de Vries noemde het in het voorwoord bij zijn vertaling in 1947 'visionair proza’; het zal ook wel met de oorlogstijd te maken hebben gehad dat De Vries Uilenspiegel kenschetste als 'een zoeker naar de krachten van de nationale revolte’. Dan blijft Beyens beschrijving van Uilenspiegel als invulfiguur voor een eng patriottisme dichter bij de tekst. Dat Beyen besluit met te zeggen dat Uilenspiegels politieke carrière de literaire waarde van het epos onverlet laat, vat ik maar op als retorische plichtpleging, want ook in literair opzicht is het een mirakels wanproduct. MIJN VRAAG is ten slotte waarom deze onfrisse foliant, ofschoon er toch ettelijke recente vertalingen bestaan, opnieuw moest worden vernederlandst. De vertaler, die de gelegenheid te baat nam de tekst met een forse reeks pedante voetnoten op te luisteren, heeft voor zijn werkwijze een theorie die moeilijk te controleren valt. Omdat De Coster een zestiende-eeuws Frans van eigen makelij zou hanteren, vond Van de Poel het passend voor het boek een quasi-oud Zuid-Nederlands te verzinnen. Soms werkt dat goed, vooral als hij bondiger formuleringen vindt, ook al bezigt hij woorden die ik zelfs in het Algemeen Vlaamsch Idioticon niet kan vinden, maar voor het overige lijkt mij de oudste vertaling van Richard Delbecq en René de Clerq uit 1896 qua woordkeus en zinsbouw nog altijd meer in de geest van het origineel. 'Neen! Vlaanderen kan ook slapen, maar sterven, nooit!’ besloot Uilenspiegel in 1896; 'Moeder Vlaenderen kan misschien slapen, maar sterven, nee!’ zijn nu Tijls voorlopig laatste woorden in De legende en de heldhaftige, vrolijke en roemruchte avonturen van Ulenspiegel en van Lamme Goedzak in Vlaenderlandt en elders.