Opheffer

Ik ben verwend

De kleine decadentie maakt me bang. De kleine decadentie is: een volle koektrommel, kinderen die altijd snoep hebben, elke dag naar de film gaan, twee keer in de week een theatervoorstelling bezoeken, altijd goede kleren kunnen kopen, een auto hebben, een computer, wat computerspelletjes, een cd-speler. Kortom: alles wat een gewoon gezin heeft.

Ik ben klein decadent. Mijn dochter komt niets te kort. En dat maakt me juist bang. Ik ben bang omdat er niet genoeg geleden wordt. Laat ik het anders zeggen: er is te veel aandacht voor het lijden, maar er wordt zelf niet ge noeg geleden. En omdat er zelf niet genoeg wordt geleden, is de aandacht voor het lijden in het algemeen vals en onoprecht.

Het valse, decadente lijden. Dat is niet alleen het lijden dat je op tv ziet. Het is ook de aandacht die Enschede en Volendam krijgen. Het is verschrikkelijk wat daar is gebeurd (echt lijden, want er is jeugd vernietigd: erger kan niet) maar de media-aandacht en de politieke munt die eruit wordt geslagen (op eens heeft iedereen weer «brandpreventie» op de politieke agenda) zijn vals. Daarbij is de ramp van Enschede ontstaan door de ontploffing van een vuurwerkfabriek (feest, decadentie) en is de brand in Volendam eveneens ontstaan door vuurwerk op een feest waar de jeugd naartoe kon.

Decadentie maakt me bang. Decadentie veroorzaakt rampen. Het is een luxe vliegmachine die op een wijk valt, het is een luxe Zeppelin die uit elkaar ploft, het is de dure Titanic die zinkt. Decadentie.

Mijn hart raakt vervet doordat ik te veel eet, mijn kanker komt doordat ik te veel rook en drink, mijn zorgen betreffen mijn hypotheekschuld. Vals lijden. We lijden onder het genieten. Als we lijden, wordt dat commercieel geregeld. Ik zie mezelf opeens huilen in de bioscoop bij een «feelgood-movie». Drie maanden daarvoor was mijn moeder overleden. Toen ik haar dood zag, huilde ik niet. Ik aaide haar arm en haar voorhoofd, terwijl mijn zuster haar kuste en ik niet wist wat ik voelde, want ik maakte het zelf mee en kon op dat moment niet naar mezelf kijken zoals in de bioscoop.

Wat is echt lijden? Echt lijden is ontberen. Het ontberen van liefde, genegenheid en ook waardering. Het ontberen van voedsel; het niet kunnen waarmaken van je dromen — dat is lijden. Het moeten vechten en dat vechten doet pijn. De rijstebrijberg is lijden. Lijden is afzien, maar het is niet het afzien van een sporter — dat is vals lijden. Dat is religieus lijden. Een schaatser die afziet, pijn lijdt, doet dat net als Jezus Christus: hij lijdt voor ons, zodat wij niet hoeven te lijden. Dat lijden is gevaarlijk. Dat lijden zorgt ervoor dat wij voetballen van groter emotioneler gewicht vinden dan het instandhouden van onze relaties of onze gezondheid. Voetbal, sport, koopt ons lijden af. Daarom houden we ervan, net als godsdienst. In de islam doen ze aan symbolische zelfkastijding. Wij kijken naar een man die aan een kruis genageld is. Nonnen ontzeggen zich hun vrouwzijn en het moederschap en lijden voor ons in een klooster. Moeder Theresa doet goed voor ons — ik geef zo haar gironummer, maar niet heus.

Ik ben bang voor de kleine decadentie. Er liggen al wekenlang vijfhonderd Franse francs op de tafel in mijn slaapkamer. Ik wissel het niet in — ben ik te lui voor. Ik heb nog steeds een cadeaubon die ik niet inlever. Ik ben verwend.

Het enige wat aan mijn geluk ontbreekt, is een mooi meisje. Dat had ik, maar ben ik kwijtgeraakt. Toen ben ik bang geworden.