Interview Naima El Bezaz

‘Ik ben voorzichtig, maar niet als ik schrijf’

tekening: Dick Tuinder

Naima El Bezaz behoort tot de nieuwe generatie schrijvers met een Marokkaanse achtergrond. In De verstotene ontworstelt het hoofdpersonage zich aan een streng orthodox milieu.

Medium el 20bezaz

Preuts noemt ze zichzelf. En ze heeft in haar leven nog nooit een druppel alcohol gedronken. Daarmee is ze het tegenbeeld van Mina, de hoofdpersoon in haar nieuwe boek De verstotene, een jonge vrouw die haar heil zoekt in drank, slaappillen en anonieme seks. ‘Ik kan niet over mezelf schrijven, dan klap ik dicht’, zegt Naima El Bezaz. Ze werd geboren in de joodse wijk van Meknès, Marokko: ‘Ik kom uit een gezin van lezers en dromers, er werd bij ons thuis veel gediscussieerd. Het was een kleurvolle tijd met veel vrijheid; allerlei groepen woonden door elkaar heen. De vrouwen waren erg aanwezig en dat heeft me gevormd. Ze hebben me opgevoed met het idee dat ik me nooit iets moet laten ontzeggen en dat ik moet vechten.’ Ook in haar nieuwe roman domineren de vrouwen. Naima El Bezaz: ‘De hervorming van de islam moet door de vrouwen worden ingezet. Mannen willen alles het liefst bij het oude laten. En bovendien, veel roestige elementen binnen de moslimgemeenschap worden juist in stand gehouden door de vrouwen. De nadruk op de maagdelijkheid komt van de moeders; besnijdenis, dat zijn de moeders. En natuurlijk is de dominante rol van mannen een probleem. Maar daar is al veel meer over bekend, en bovendien: veel van die mannen voelen zich gesteund door hun moeder. Het gaat mij erom hoe sterk de stem van de vrouw binnen het gezin kan zijn.’

El Bezaz ervoer al jong een bepaalde vorm van onrechtvaardigheid: ‘Ik was een onzeker meisje, dat echter wel de ongelijkheid tussen man en vrouw ontdekte: de jongens mochten bijvoorbeeld naar buiten terwijl de meisjes binnen moesten blijven. En het was heel belangrijk dat ik als meisje brood leerde bakken.’

Opstandig was ze niet: ‘Omdat ik de overtuiging had dat het met mij anders zou gaan. Ik weet nog goed – ik was zeven – dat ik een jonge Marokkaanse vrouw achter een kinderwagen zag. Om haar heen liepen nog meer kinderen, én ze was zwanger. Het voelde beklemmend. En ik wist: dat wil ik niet, no way.’

Haar vader woonde al in Nederland toen Naima geboren werd. In 1978, ze was vier, vertrok ook de rest van het gezin naar Nederland. Dat was een grote cultuurschok voor de jonge Naima: ‘Niet omdat we ons moesten aanpassen aan de Nederlandse cultuur; de steden in Marokko zijn ook modern. Maar we kwamen in een gemeenschap terecht van mensen uit het noorden, Berbers. De vrouwen in mijn familie waren vrijgevochten vrouwen. In Nederland zaten de Marokkaanse vrouwen gewoon thuis. Dat vond ik heel vreemd. Ik behoorde dus opeens tot “de Marokkaanse gemeenschap”, terwijl die niet bestaat.’

Ze verloor zichzelf in lezen en schrijven. Toen ze op haar twaalfde op school aankondigde dat ze later een boek zou schrijven, lachten haar klasgenoten haar uit. Ook leraren namen haar niet serieus: ‘Ik kon niet wennen aan dat nuchtere, calvinistische. Dat was vreemd: naast het vooruitstrevende dat Nederland me te bieden had, was er dat behoudende. Alsof mensen wilden zeggen: denk maar niet dat zoiets jou gaat lukken.’

Op haar achttiende won ze een gedichtenwedstrijd en werd gevraagd voor een lezing in de Meervaart. Het publiek bestond uit vierhonderd jongeren die pinda’s gooiden naar het podium. El Bezaz las het begin voor van haar eerste boek De weg naar het Noorden waarin twee Marokkaanse mannen door dronken jongens in elkaar worden getrapt. De zaal viel stil. Na afloop drukte Yvonne Kroonenberg haar een kaartje in de hand en bracht haar in contact met een uitgever.

De weg naar het Noorden verhaalt over een Marokkaanse man die naar Europa probeert te komen. Het boek werd een bestseller en staat in de toptien van de literatuurlijsten. Daarna volgde de verhalenbundel Minnares van de Duivel met mystieke duizend-en-één-nachtachtige verhalen. Net als De weg naar het Noorden heeft ook dit boek een vaste plek op de literatuurlijst van scholieren. Nu is er dus De verstotene, een roman totaal anders van toon, taal en onderwerp dan haar eerdere boeken. Ditmaal voert El Bezaz Mina op: een jonge vrouw met een Franse moeder en een Marokkaanse vader. Het gezin is orthodox in de leer, en wanneer Mina als jong meisje te veel vragen stelt en zich te kritisch uitlaat over haar geloof wordt ze verstoten uit het gezin.

‘Ik heb bewust gekozen voor een vrouw die half Frans, half Marokkaans is. Ze is een metafoor voor de huidige westerse samenleving. Ik pretendeer niet dat ik me kan meten met Maarten ’t Hart of Jan Siebelink, maar het gaat bij Mina ook om de ontworsteling aan een streng, orthodox milieu. Ik wil laten zien hoe vormend zo’n achtergrond is en dat je daar nooit meer helemaal vanaf komt. Het blijft altijd in je sluimeren. Dat geldt voor alle religies, mensen kampen met dezelfde schuldgevoelens en angsten.’

Daarbij is El Bezaz’ Mina ook een pleidooi voor een kritische houding ten aanzien van religie. Het motto van haar boek luidt sapere aude: durf na te denken. Dat dit geen eenvoudige opgave is, lijkt ook te maken te hebben met de vooronderstelling dat volledig integreren in wezen onmogelijk is. Naima El Bezaz: ‘Ook al zie je er westers uit, ook al gedraag je je zoals ieder ander, je bént anders, je reageert anders. Je kunt zoveel integreren als je wilt, maar je wordt pas geaccepteerd wanneer je helemaal hetzelfde bent als de anderen. En dat kan niet. Dus je moet niet willen lijken op anderen, maar je aanpassen, en tevreden zijn met de mooie dingen die je hebt meegekregen uit je eigen cultuur.’

El Bezaz groeide zelf op in vrijheid van geest. Maar ze zag Mina in moslima’s, in protestantse en gereformeerde vrouwen. Ze zag ze in haar eigen omgeving en bij de lezingen die ze al ruim tien jaar geeft op scholen en festivals. Mensen benaderen haar, allochtoon en autochtoon, met vragen over haar boeken en het geloof. Soms haalt ze zich de woede van gelovigen op de hals, zoals toen ze in Kopspijkers een seksueel getinte passage las uit Minnares van de Duivel en zich kritisch uitliet over de dubbele moraal binnen de islam: de maagdelijkheidscultus en de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. ‘Toen begon de hausse, de haat. Was ik een nestbevuiler.’

Ze voelde zich niet meer veilig, werd uitgescholden op straat. Maar ze besloot zich er niks van aan te trekken en door te blijven gaan met het beantwoorden van de vragen van de soms woedende jongens en meisjes op scholen. Zo legt ze bijvoorbeeld uit dat het gebruik om na de huwelijksnacht het laken met bloedvlek te tonen nergens in de koran staat, net zomin als dat het volgens de koran verplicht is om de vrouw binnen te houden en niet te laten werken.

Al genoot El Bezaz relatief veel vrijheid, ze ervoer ook een bepaalde druk: ‘Ik denk dat je als vrouw sowieso in een bepaald keurslijf zit, of je nu wel of niet westers bent.’ Bij haar speelde vooral de angst over het maagdenvlies – het zou kunnen scheuren als je sprong – en de sociale controle: ‘Alles wat een meisje doet, wordt vertaald naar de familie.’

Haar schrijven gaat dus niet alleen haar maar ook haar familie aan. De verstotene wordt nu gelezen. En ja, ze is op haar hoede. Ze schreef het boek in een roes. Toen ze het terugkreeg van haar redacteur schrok ze: de expliciete seksscènes, de seks met een joodse man en de passages waarin Mina vindt dat stukken uit de koran herschreven moeten worden: ‘Dat is gewoon link, je moet in deze tijd erg oppassen wat je doet.’ Haar grens? Ze denkt na. ‘Ik ben wel voorzichtig, maar niet als ik schrijf. Het zou heel erg zijn om iets niet te schrijven uit angst. Maar ik ben me bewust van de kracht van woorden. Ooit zei iemand: “Die El Bezaz moet oppassen, want woorden zijn als hagel, die kunnen onschuldige omstanders raken.” Daar ben ik het mee eens. Maar in literatuur zal ik mezelf nooit een beperking opleggen.’