Wat moet je als schrijver doen? 

Ik ben weer thuis

Je kunt wel blijven denken dat je als schrijver edeler bent, meer ontwikkeld, invloedrijker, bewogener, politiek bewuster, toleranter dan ‘de anderen’, dan de lezers, de stemmers, de politici, de linkse vriendjes. Maar ontsnappen is niet mogelijk. Je blijft dezelfde boerenlul.

Medium groene  t hart middenklasse klein

Romanschrijvers horen tot de middenklasse. Dat is niet altijd zo geweest. Pas vanaf het einde van de achttiende eeuw ontstond de romankunst, schrijvers kwamen meestal uit de hogere bourgeoisie die van grote veranderingen droomde. De adel, het kapitaal en de geestelijke stand vormden in eerste instantie het lezers­publiek van deze onder hen gestelde ‘letterknechten’. Dit elitepubliek bleef zich lang interesseren voor literatuur, je kon er nu eenmaal de komende veranderingen in aangekondigd zien, men wilde op de hoogte zijn. Vanaf halverwege de negentiende eeuw emancipeerde literatuur zich. Er kwam een nieuw lezerspubliek. Schrijvers richtten zich voortaan niet meer alleen op de elite maar ook op lezers uit de groep waar ze zelf uit voortgekomen waren. De middenklasse.

Sindsdien kolkt het overal in literatuur, tegenwoordig vooral in bestsellers, van hulpeloze dromen, vage verlangens, zelfverklaringen, rancune, weerzin en angst. Schrijvers leggen keer op keer de zweep over hun lezers die, net als zijzelf, voortgestuwd worden door een opgejaagd gevoel nergens toe te horen. En nooit meer thuis te zullen komen. ‘Publikumsbeschimpfung’ (een ander woord voor zelfhaat) hoort in de romankunst de laatste honderd jaar, en vooral de laatste tijd, tot een veel beproefd literair middel om te ontsnappen aan de eigen gevangenschap. Iedere bestseller is tegenwoordig een angstmachine en een lezerskastijding. Romanschrijvers tonen keer op keer de domheid en kleinburgerlijkheid van hun lezers­publiek aan, waartoe ze natuurlijk zelf behoren. Of ze werken bij hun publiek (en dus bij zichzelf) in op het alom aanwezige en gekoesterde schuldgevoel over armoede in de derde wereld, het racisme, de verschrikkingen van de bio-industrie en de ongelijkheid in het algemeen en noemen dat geëngageerdheid. Wie als schrijver (en kunstenaar!) mee wil tellen moet zo snel mogelijk zijn schuldgevoel celebreren. Of lezers angst aanjagen over maatschappelijke onzekerheden, over psychopaten, porno, misdaad, pedofilie en andere boosaardigheden, waarmee schrijvers in de grond de status-quo in stand proberen te houden. Keer op keer hameren ze in hun romans op hetzelfde gerust­stellende gevoel: ‘zij’, de anderen, zijn slecht, wij niet, wij lezers en schrijvers weten beter en dat moet maar zo blijven ook.

Anil Ramdas (1958-2012) probeerde een uitweg te zoeken uit deze impasse. Hij schreef met Badal (2011) een prachtige, jaloersmakende roman over een schrijver die terugblikt op zijn carrière en die zichzelf daarbij niet spaart. Die zijn hang-ups, drankzucht, eigenwijsheden, egoïsme en zelfhaat tot in het kwadraat uitvergroot. Maar ook zijn er momenten van inzicht over zijn ‘positie als intellectueel’, over het verlangen mee te doen, geëngageerd te zijn, iets te betekenen zonder daarbij uitgeleverd te zijn aan grootheidswanen en de gedoemde illusie ergens mee te tellen. Mee te doen. Harry Badal, de ik-figuur, legt zichzelf tijdens een verblijf in Zandvoort – hij probeert zijn alcoholverslaving te overwinnen – op de pijnbank. Hij blikt terug in monologen en in gesprekken met zijn vriendin S, die hem niet alleen beschermt maar af en toe keihard onder handen neemt. Hij doet een ontsnappingspoging, hij analyseert de strategie van zijn mislukkingen. Wat stelde het allemaal voor, die essays over allochtonen, de oproepen aan hen te stoppen met zelfmedelijden, de (terechte) verwijten aan Nederlandse schrijvers in de grond een stelletje racistisch eikels te zijn en te blijven? Wat was het resultaat van dit schrijversleven tot nu toe? Drankzucht, eenzaamheid, zelfmedelijden, mislukt huwelijk, rancune en wanhoop. Het waren niet meer dan mislukte pogingen te ontsnappen aan de Surinaamse familie, de eigen klasse, de middenklasse, de lagere bourgeoisie, burgerlijkheid. Alleen om illusies in stand te kunnen houden over de mogelijkheid gelijk te hebben en alom gevierd te zijn. Bejubeld te zijn (door wie precies?). Koning te worden (in wiens naam?). En dan thuis te komen. Maar waar zou dat thuiskomen precies plaats moeten vinden? Bij wie? Bij de ouders? Maar het huis is afgebroken en de ouders zijn dood. En dus dan maar beseffen voorgoed uitgeleverd te zijn aan de middenklasse, inclusief alle illusies daarvan (ooit ontsnappen we… zullen we… bevrijden we…). En dat was het dan.

Wat een schitterende roman! Ik las hem met toenemende beklemde bewondering, verdomme, Ramdas had het niet alleen over zichzelf, maar over schrijvers in het algemeen, over schrijven, over mij. Een roman over mislukte ontsnappingspogingen. Wat moet je doen? Wat wil je bereiken en wat heb je bereikt? Badal gaat na waaraan hij zijn mislukkingen te danken heeft, bitter blikt hij terug op de artikelen en boeken die hij schreef, de angsten voor de redacteuren met wie hij te maken had, zijn zelf­vergroting en minderwaardigheids­gevoelens. Hij laat glasscherp zien dat zijn onmacht te maken heeft met zijn positie binnen de middenklasse. Zijn afkeer daarvan en tegelijkertijd zijn verslaving eraan. Je kunt wel blijven denken dat je als schrijver edeler bent, meer ontwikkeld, invloedrijker, bewogener, politiek bewuster, toleranter dan ‘de anderen’, dan de lezers, de stemmers, de politici, de linkse vriendjes. Maar ontsnappen is niet mogelijk. Je blijft dezelfde boerenlul die je altijd al was. Hoe zei John Lennon het ook al weer? ‘You’re all fucking peasants as far as I can see.’ En dan kwam Ramdas nog uit Suriname ook, tel uit je winst!

Manon Uphoff verbaasde zich in De Groene Amsterdammer van 11 mei 2011 al over de merkwaardig slechte kritieken over dit boek. Ze concentreerden zich op overeenkomsten en verschillen tussen de schrijver Anil Ramdas en de romanfiguur Harry Badal. Alsof dat voor een roman telt. Elsbeth Etty schreef een uitermate afstandelijke recensie, zonder enig oog voor de poging van Ramdas, ik zeg het Uphoff na, uit te breken uit de kooi waarin hij als schrijver en intellectueel gevangen zat. Joost Zwagerman maakte in de Volkskrant in een belachelijk afbrekend stuk geen enkel onderscheid tussen de schrijver Ramdas en de romanfiguur Badal. Waarom deze weigering Ramdas’ werk op zijn waarde te schatten? Toch te veel illusies over de eigen positie binnen de literaire amusementsindustrie? Niet van plan zich deze illusies te laten ontnemen? En zeker niet door Ramdas? Niet in staat de kooi te zien waarin men zich bevindt? Geen rekenschap meer af willen leggen, zoals Ramdas deed? Gauw maar weer op de televisie meepraten, zou ik zeggen, of een of andere bloemlezing uit de Nederlandse literatuur samenstellen. Veiligheid voorop. Gauw thuiskomen en thuis blijven.

Medium groene  t hart middenklasse groot 575

Wat moet je als schrijver doen? Hoe kun je ontsnappen? Je schamen omdat je het daar hierboven toch weer over had? ‘Schaamte is luxe van de rijken’ (Chika Unigwe). Ramdas zocht het in Badal in ‘Selbtsbeschimpfung’, je kunt dat natuurlijk, ter eigen geruststelling, de zoveelste romantische uitweg noemen uit de literaire impasse van de literaire bourgeoisie, maar ze is wat mij betreft in ieder geval verre te prefereren boven dat eeuwig wijzen naar en beschuldigen van ‘de anderen’ in de Nederlandse romankunst. Geen romans meer schrijven dan maar? Alleen nog over romans schrijven? De mensen thuis bezoeken en daar dan over schrijven? Het woord ‘non-fictie’ een normaal woord gaan vinden, net als iedereen? Non-fictie? Mee gaan doen met de ‘ouehoer-industrie’ (term is van Jeroen Mettes)? Jezelf tot voyeur van je leven uitroepen? Praatprogramma’s? Niet mee willen doen, maar wel als die of die meedoet? Voor niks meedoen? Gedichten schrijven voor Eenzame Doden en je daar goed bij voelen? Nagaan of je op lijstjes van schrijversnamen voorkomt (weer niet)? Opnieuw collega’s voor de laatste keer waarschuwen? Je toch naar voren proberen te vechten? Niet mee willen doen? Thuisblijven? Rancune koesteren? Wel mee willen doen? Je voornemen nooit meer een interview te geven, maar bij de eerste de beste gelegenheid je deuren open gooien? Niks doen met Facebook maar er wel op staan en ‘vrienden’ toevoegen? Je thuis opvreten bij de verschrikkelijke stukken die je voorgeschoteld krijgt? ‘James Kennedy ontleedt het vaderlands onbehagen’ in De Gids. Waarom ontleedt hij niet zijn eigen onbehagen? Bas Heijne leest geen romans meer. Waarom schrijft hij dan een pamflet over romans? Bemoei je met je eigen zaken, Heijne! Woedebuien om niks. Zelfhaat. Krankzinnige tuthola-zinnen uit luxe weekendbijlagen van de Volkskrant en NRC Handelsblad verzamelen en aan vrienden sturen? ‘De verschillende tinten wit in haar huis passen goed bij elkaar.’ ‘Wat doe ik als ik weer eens een leuke man tegenkom?’ ‘De bonen worden met de hand geroosterd en hebben een milde smaak, dankzij speciale zetmethoden.’ ‘Wij zeggen: prachtig voor op kantoor, passend in de keuken.’ Hiermee nu snel stoppen.

In de loop van de tijd zijn in de Nederlandse romankunst al heel wat meer pogingen gedaan om te ontsnappen. Neem bijvoorbeeld de uitweg via een hypergevoelige en/of ironische weergave van (klein)burgerlijke realiteiten. Klassiek is Gerard Reve’s veelgeprezen beschrijving in De avonden (1947) van een kleinburgerlijk gezin van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Jarenlang beschouwde ik dit als een bevrijdende en geloofwaardige weergave, vooral omdat Reve de weerzin tegen zijn eigen klasse sterk ironisch inkleurde en toch erin slaagde de ouders van de hoofdfiguur tot op zekere hoogte met mede­dogen weer te geven. Ironie als afweer, deze typisch romantische stijlfiguur, die toch ook enige solidariteit in de lucht probeerde te houden, beviel me. Ze hoorde destijds, nu nog natuurlijk, tot de normale vormen van afweer in de middenklasse waar ik toe behoorde (en behoor). Al herkende ik in mijn eigen familiesituatie weinig tot niets van Reve’s weergave. Maar zijn merkwaardige ironie voelde aan als passend, misschien is dat het juiste woord, je hoefde je niet langer minderwaardig te voelen, zoiets was het. Want als iets passend is, zit het lekker. Dat moet het bevrijdende geweest zijn.

Tegelijkertijd moet ik aangevoeld hebben dat Reve door deze stijl zijn hoofdfiguur in een sterk romantisch licht probeerde te zetten, het licht dat van iemand een uitverkorene maakt. De antiheld Frits Egters is, hoe je het wendt of keert, een uitverkorene, iemand die verheven is boven het kleinburgerlijke en banale, je voelt als lezer op je klompen aan dat hij na afloop van het boek een mooie toekomst tegemoet gaat. Nu is hij nog onbegrepen en een beetje verdrietig maar later zal het allemaal goed komen. Net als bij mij natuurlijk. Zou ik toen al gevoeld hebben dat ik toch niet zo zou willen schrijven? Dat ik het ergens anders zou moeten zoeken? Niet in afweer dus maar in achterdocht, bewondering en vage schoonheidsmystiek, dat allemaal maar moeilijk met elkaar valt te rijmen? In ieder geval is De avonden in de grond een sociaal-­democratisch werk waarin de wereld, ondanks de evidente misantropie, als veranderbaar en verbeterbaar wordt voorgesteld.

Wat dit betreft wijkt het boek weinig af van een ander hoogtepunt uit de sociaal-­democratische literatuur: Kees de Jongen (1923) van Theo Thijssen. Ook Thijssen maakt van zijn held een uitverkorene, sterker nog, de jongen Kees weet dat hij het is, hij is er zeker van, keer op keer houdt hij zichzelf met dit idee op de been, net zo lang tot ik het als jonge lezer nog begon te geloven ook en bij dit boek een prettig middenklassegevoel meegeleverd kreeg. Ik was weer thuis. Ook met mij, als Kees de volwassene, zou het goed komen, wist ik zeker, al bleef de twijfel knagen. Bij Thijssen ontbreekt de ironie en ook de ijzersterke, obsessionele beeldende kracht die van Reve’s roman een meesterwerk maakte, maar de grondslag van beide werken komt sterk met elkaar overeen.

Je kunt als uitweg ook proberen ‘de ander’ tot onderzoeksobject van je werk te maken. Op zoek te gaan naar ‘het gewone’ en tegelijkertijd het bijzondere van je soortgenoten, de medemens. De randen van de romankunst op te zoeken dus en de waarheid proberen te vinden in een weergave van een zo realistisch mogelijke werkelijkheid. De Amerikaanse antropoloog Oscar Lewis (1914-1970) schreef in 1961 The Children of Sanchez, met als ondertitel: Auto­biography of a Mexican Family. Hij ondervroeg, verspreid over jaren en gedurende urenlange sessies met een bandrecorder, een Mexicaanse familie over hun leven. Hij fingeerde de namen, wat aan dit werk onmiddellijk een fictieve sfeer gaf. Hij dacht zelf niet een ‘roman’ te hebben geschreven maar een wetenschappelijke studie, ‘a scientific research project’, over het dagelijks bestaan van een arme familie in Mexico City.

Hij gaf in het voorwoord toe dat hij uit de verhalen, die door vrije associatie tot stand kwamen, een coherent geheel samenstelde, wat de documentaire pretentie ervan sterk ondergroef. Het boek leest nu overigens nog als een spannende en overtuigende moderne roman, waarin verschillende vertellers, de kinderen Sanchez, hun licht laten schijnen over steeds dezelfde gebeurtenissen. De ene zoon zegt dat vader altijd sloeg, de andere beweert dat het wel meeviel. Later gaf de ondervraagde familie harde kritiek. Zo was het allemaal niet bedoeld, hij had ze van tevoren verkeerd geïnformeerd, hij maakte het allemaal mooier en had een eigenaardige belangstelling voor hun ­seksuele leven. Lewis’ boek is nu nog steeds goed te pruimen als een roman waarin de schrijver zijn voor­oordelen over arme Mexicanen nooit ­helemaal wist te onderdrukken. Als antropologisch onderzoek wordt het niet meer serieus genomen.

In Arnon Grunbergs dwingende romankunst is de belangrijkste metafoor de altijd vergeefse poging van de antihelden te ontsnappen aan de doem van de eigen geschiedenis en de eigen hang-ups. Zijn hoofdfiguren proberen zich tevergeefs te bevrijden van hun burgerlijke bestaan, ze lopen erop stuk. Wat dit betreft is zijn werk met Badal te vergelijken. Bij Ramdas ontbreken ironie en kastijding van ‘de ander’, bij Grunberg is ironie de beslissende stijlfiguur en is de afstand tot ‘de ander’, vermoedelijk uit zelfbescherming, zeer groot. Juist dat laatste geeft aan zijn werk een tragische ondertoon. Grunberg onderneemt in zijn reportages pogingen ‘de ander’ op te zoeken, te begrijpen, niet met de bedoeling die te kastijden. In het voorwoord bij Kamermeisjes & soldaten (2009) stelt hij dat hij vooral wil weten ‘hoe mensen dat doen, leven’. Er zit iets scherps in deze formulering, iets kwetsbaars, alsof hij wil suggereren dat hij zelf niet goed weet hoe je dat doet, leven. Dit gevoel laat hij in zijn reportages verder meeklinken, het is een vorm van vertwijfelde jaloersheid over wat mensen doen, leven namelijk. Waarom ik niet, dat is zijn boodschap. Hiermee krijgen zijn reportages een betrokken laag mee, hij zet zich niet af tegen de mensen waar hij mee optrekt, hij ziet ze als voorbeelden die hem de weg kunnen wijzen om iets te doen wat hij zelf niet goed (meer) kan, leven.

Het blijft uiteraard riskant ‘andere’ mensen te bekijken en ze te beschrijven. Aapjes kijken loert op alle hoeken en voordat je het weet val je terug in weerzin en neerbuigendheid. Maar Grunberg slaagt erin zijn weerzin meestal niet te dichtbij te laten komen. Zijn meest gedurfde reportage leverde hij wat mij betreft met Onderduiken voor beginners (2010). Hij verbleef gedurende tien dagen bij negen gezinnen in Leidsche Rijn en schreef over dit enigszins over the top-_project verslagen voor _NRC ­Handelsblad. Aapjes kijken is hier prominenter dan in andere reportages en ook weerzin breekt af en toe door. Maar toch slaagde hij erin een merkwaardige vorm van solidariteit met de bewoners tot stand te brengen. Want ook hier klinkt zijn grondtoon door die in wezen solidair is. Misschien is het de grondtoon van zijn hele werk. Waarom ik niet? Waarom kan ik niet in Leidsche Rijn wonen? Wat is er met me aan de hand? Ik ben maar een schrijver, ik ben toch niet gek.