‘ik ben zelf ook een schertsfiguur’

DE DRUKPERS MAG dan zijn uitgevonden door de Chinezen en het dagblad door de Fransen, de riooljournalistiek is onbetwistbaar een produkt van het land van de onbegrensde mogelijkheden. Zeker, de Amerikanen beschikken over een kwaliteitspers die presidenten ten val kan brengen, maar ‘van alles wat je over Amerika kunt verkondigen, is het tegenovergestelde even waar’, zei A. den Doolaard ooit.

Hij beschreef hoe hij in zijn wilde jaren eens op pad ging met een Newyorkse misdaadverslaggever. Zodra de eerste moord werd gemeld, reed de man in volle vaart achter de politieauto aan. In een armoedige woning troffen ze naast de stomdronken bewoner een lijk, een spel kaarten en een pistool aan. De verslaggever nam de personalia op, maakte een flitsfoto en gaf door de telefoon een volkomen fictief verslag aan zijn redactie door, waarin de dronkeman zonder omhaal als de moordenaar werd aangewezen. De volgende dag stond het hele kletsverhaal op de voorpagina, met namen, toenamen en een foto van het lijk: ‘Hartenaas kostte hem zijn levensbloed.’
Zo'n scoop zou Walter Winchell (1897- 1972), de peetvader van het gluurdersgilde, uit het hart gegrepen zijn. Als immigrantenzoon van joods-Russische afkomst - hij heette eigenlijk Walter Weinschel - verdiende hij enige tijd de kost met een vaudeville-nummer, maar toen hij in 1919 een journalist mocht helpen bij het schrijven van een reportage, voer opeens het beest in hem. Hij begon een roddelblad voor het theater, maar stootte spoedig door naar het echte werk bij The New York Graphic, de spreekbuis van de stapelgekke miljonair Bernarr MacFadden. Niets was te dol voor deze gezondheidsfreak, die onder het motto 'For fornication, against vaccination’ president wilde worden. Bij wijze van campagne wilde hij alle artsen uitroeien en een standbeeld van zijn naakte dochter op tournee door het land sturen, als tastbaar bewijs voor de zegeningen van het nudisme. Maar eerst moesten de geesten rijp worden gemaakt. 'Dedicated to the Masses, not the Classes’, luidde het devies van The Graphic. MacFadden wilde geen nieuws in zijn krant, maar louter amusement voor de 'gewone man’. Voor Winchell geen probleem: hij stampte het ter plekke uit de grond.
BERICHTEN OVER buitenechtelijke avonturen op Broadway, omkoping bij de Miss America-verkiezingen, afrekeningen in de onderwereld, ontaarde moeders, ontsnapte gorilla’s, vrouwen met baarden en buiksprekers met diarree - hij flanste ze in elkaar waar je bij stond. De jaren twintig waren de hoogtijdagen van de alcoholische en seksuele drooglegging van Amerika en Winchell zette onder het mom van de vrije nieuwsgaring zijn lezers alle verboden vruchten voor: 'Roddel is de kunst om op zo'n manier niets te zeggen dat bijna niets ongezegd blijft.’ De lezers vraten zijn column en Winchell gaf al gauw een totaal nieuwe invulling aan de vijf W’s van de journalistiek: Wie heeft het met Wie gedaan, Wanneer, Waar en Waarom? Het kon hem niet schelen dat hij huwelijken kapotmaakte, carrieres brak en musicals liet floppen: niet zelden waren de slachtoffers de volgende keer zijn beste tipgevers. En als de roddel hem niet vanzelf in de schoot viel, dook hij de kroeg in, sleurde acteurs uit de kleedkamer of belde mensen uit hun bed: 'What do you know that I don’t know?’
Winchell belichaamde de roaring twenties met hun uitbundig vertier en hun obscene schaduwzijde. Hij kende alle gangsters, gokkers en hoeren van New York en genoot van zijn macht. In ruil voor een goed diner of een uurtje Adam and Eve-ing met een hip-flipper (buikdanseres) wilde hij wel een naam uit de krant houden of een lovende recensie schrijven. Maar eenmaal achter de schrijfmachine gezeten ontlaadde hij zich pas echt. 'Hij reageerde bijna lichamelijk op roddel’, aldus een medewerker. 'Hij kirde gewoon van pret als hij weer een sappig brokje te pakken had.’
ALS WALTER WINCHELL schreef, deed hij dat met elke vezel van zijn lichaam. Hij dronk, vloekte, worstelde met zijn beperkte woordenschat en schaterde om zijn eigen grappen. Volgens collega’s schreef hij als een automobilist in een file, gillend, joelend en beukend op de claxon: 'Whoopee!’ De wereld had voor hem geen geheimen en beschuldigingen van smaad wuifde hij achteloos weg. Die bewezen immers dat hij het bij het rechte eind had: 'Ik ben zelf ook een schertsfiguur, de grootste van heel Broad way, maar ik geef het tenminste toe.’
In 1928 stapte hij over naar The Mirror van William Randolph Hearst en joeg de oplage binnen een jaar omhoog van 430.000 naar 580.000. Een jaar later, toen Broadway inzakte als gevolg van de beurscrisis, breidde hij zijn werkterrein uit naar de radio. Behalve met zijn dagelijkse syndicated column in maar liefst vijfduizend bladen, joeg hij nu ook met zijn radiorubriek O.K. America! Hollywood en Washington de stuipen op het lijf.
De nationale bekendheid steeg hem naar het hoofd en in 1932 ontdekte hij - geinspireerd door Roosevelt en de New Deal - opeens een missie en stelde zijn hele roddelcircus in dienst van de strijd tegen het grootkapitaal, de armoede en de onderwereld. Als jood zag hij ook al vroeg het ge vaar van het oprukkend nazisme in Duitsland. Zijn columns en programma’s werden een bizarre mengelmoes van insinuaties, donderpreken en politieke uitvallen. Hij beweerde dat hij eigenhandig misdadigers ving en uitleverde aan de FBI, dat Capitol Hill wemelde van de nazispionnen en dat hij Duitse duikboten onder de Brooklyn Bridge had gezien.
Zijn vrije tijd bracht hij door met FBI-directeur J. Edgar Hoover, die net als hij de Newyorkse Stork Club frequenteerde en hem soms van een gewapende escorte voorzag. In het schemerlicht van de nachtclub groeide hun folie a deux uit tot een obsessie. 'Twee mannen die samen de wereld wilden redden’, schrijft Winchells biograaf Neal Gabler. 'Twee buitenstaanders die hun argwaan tegen de wereld vertaalden in professionele paranoia’ (Neal Gabler, Winchell: Gossip, Power and the Culture of Celebrity).
MAAR WINCHELLS grootste kracht was tevens zijn grootste zwakte: hij kon niet overtuigen, hij kon alleen maar stemming maken. Hij verzond telegrammen aan Roosevelt en ambassadeur Joe Kennedy in Londen en liet de antwoorden inlijsten boven zijn bureau, maar naar hem luisteren deden ze niet. De collega’s van de gezaghebbende dagbladen haalden de schouders op voor zijn ongelikte stijl ('Hitler is een homo, dood aan die vuile flikker!’), en de redacties van de grote publieksbladen versleten hem voor gek omdat hij zijn roddel met politiek vermengde. Tot overmaat van ramp 'miste’ hij als reporter de Tweede Wereldoorlog. Als luitenant ter zee bracht hij de oorlogsjaren aan de wal door (hij kon niet eens zwemmen) en net toen hij in 1945 zijn oude stiel weer oppakte, overleed zijn vriend Roosevelt.
Amerika was opeens Amerika niet meer. Zijn geliefde radio werd verdrongen door de televisie, de New York Post deed in onvervalste Winchell-stijl een boekje over hem open (The Truth about WW) en Burt Lancaster nam namens heel Hollywood wraak door hem te portretteren in de film The Sweet Smell of Success. Verbitterd sloot Winchell zich aan bij de communistenjacht van senator McCarthy, maar overspeelde volledig zijn hand. Zijn typetje - de tough guy met de gleufhoed - deed op de televisie gedateerd aan, zijn grappen waren flauw en zijn hemeltergende rancune werd op den duur zelfs de conservatiefste Republikeinen te machtig. Steeds meer uitgevers wezen hem de deur, prominenten begonnen hem te mijden en ten slotte ging hij door voor de raaskallende dorpsgek van omroepland. Toen televisiekijkend Nederland begin jaren zestig kennismaakte met zijn stem, als dwingende voice-over in de populaire serie The Untouchables, was Winchell een cornered rat.
Welbeschouwd had hij zichzelf overbodig gemaakt. Niet alleen beschikte elke zichzelf respecterende krant inmiddels over een society column, maar de roddelpers was een miljardenindustrie geworden en de sterren zochten steeds vaker welbewust de publiciteit. 'De verhalen waarvoor ze je vroeger voor de rechter sleepten, verkopen ze nu zelf’, schreef Winchell verongelijkt. Hij beet zich vast in achterhoedegevechten, joeg zijn laatste vrienden tegen zich in het harnas en vergalde het leven van zijn dochter. Hij plaatste advertenties voor zichzelf en wachtte, wegterend in zijn Ambassador- suite, bij een telefoon die nooit rinkelde. Toen hij in 1972 overleed, kwam alleen zijn dochter op de begrafenis. Bij de herdenkingsdienst liepen de gasten voortijdig weg. Walter Winchell was allang geen nieuws meer.