Ik ben zo moe

Opeens word ik daadwerkelijk geconfronteerd met euthanasie. Op het moment dat ik dit schrijf, ligt mijn moeder in het ziekenhuis en ze weigert om goed bij te komen. Aan de familie - aan mijn broer en zus, en aan mij - is gevraagd wat er moet worden gedaan.

We zuchten.
‘Mijn moeder heeft gezegd dat ze er eigenlijk niet zo bij wil liggen…’ zeg ik.
Het is een loze zin.
'Ik bedoel… wat zijn haar kansen op herstel?’
'Er zijn kansen op volledig herstel’, zegt de dokter.
We praten wat en nemen afscheid en gaan naar mijn moeder toe. Er is een luik in haar schedel gemaakt; daar komen slangen uit. Ze heeft overal infusen. Haar haar groeit alweer aan, merk ik op. Het is grijs en niet blond, wat ik eerst dacht. Wat ik aanzag voor blond, is de oude jodium.
'Ze kan misschien alles horen’, zegt mijn broer, 'dus laten we niet hier over belangrijke dingen spreken.’
We knikken. We knikken veel naar elkaar de laatste dagen. Knikken is prettig. Je hoeft niets te zeggen. 'Ja’ kan op een bepaald moment onbarmhartig hard klinken - knikken is dan mooi.
We doen lief tegen mijn moeder. 'Volhouden, hoor.’ Het is of we het tegen onszelf zeggen.
Ze is nu twee weken in het ziekenhuis. Ze heeft drie operaties ondergaan. Ik merk dat het mij uitput. Ik kan eigenlijk niets meer. Ik kan niet denken, ik kan niet werken, ik kan het huis niet opruimen, ik kan niet eten.
Ik wil wat tegen mijn moeder zeggen, maar ik weet niet wat. Ik merk dat mijn broer en zus daar ook moeite mee hebben.
'Mam, doe je ogen eens open!’
Ze doet haar ogen niet open.
'Mam, als je me hoort knijp dan in m'n hand’, zegt mijn broer.
Hij stelt de vraag nog een keer. 'Ja, ik geloof dat ze kneep’, zegt hij.
'Geloof je het, of weet je het zeker?’
'Dat weet ik niet.’
Ik weet niet meer wat ik moet denken. Wil ik dat mijn moeder nu sterft, of wil ik dat ze blijft leven?Hoe leeft ze dan? We vragen het aan de artsen, maar niemand kan iets met zekerheid zeggen.
'Wat is de invloed van de narcose? Hoe zal ze eruit komen? Is een volgende operatie niet het einde?’
Stom: je hebt zoveel vragen, maar voortdurend denk je dat je de verkeerde vraag stelt. Zo hoor ik mezelf aan de neuro-chirurg vragen: 'Hoe zit het met een bezoekersregeling. Er zijn mensen die mijn moeder eigenlijk niet wil zien.’
'Onze verpleegsters en verplegers zijn hier geen portier’, antwoordt de arts terecht.
Ik merk niet eens dat het een stomme vraag is.
Mijn moeder reageert op niets, en dus besluiten we om weg te gaan.
'Dag mam.’
'Kijk, ze zwaait.’
'Nee, dat is gewoon een motorische reactie.’
We halen buiten de zaal diep adem.
'Jongens, nog even voor de duidelijkheid, dat we op een lijn zitten: we geven geen toestemming meer voor een vierde operatie, we zijn tegen reanimeren, we willen nog wel antibiotica en pijnstillers, en als dit zo blijft, gaan we over een week weer met de dokter praten. Klopt dat?’
Het klopt.
We gaan het ziekenhuis uit, en ieder gaat weer naar huis.
Een week geleden gingen we steeds met ons drieën ergens heen, maar we moeten nu ook weer gewoon aan het werk.
Ik besluit naar huis te lopen. Het weer is prachtig en ik heb de gang er goed in zitten. Bij elke stap denk ik steeds dezelfde regel: 'Dood zien is je eigen dood meemaken.’ Ik wil er iets mee zeggen wat ik anders wil formuleren, maar ik krijg het niet anders onder woorden gebracht. Ik ben zo moe.
Thuis zit ik op de bank. En ik zit. En ik zit. 'Volledig herstel is mogelijk’, zei die dokter. Ik durf de gedachte: ze sterft, niet toe te laten, maar ik heb die gedachte wel. Ik ga eieren met spek bakken.