Ik blijf altijd verongelijkt

Multatuli representeert het probleem van het schrijversengagement. Nu het eeuwigdurende debat over autonomie en engagement weer oplaait, doen we er goed aan terug te keren naar de eerste Nederlandse autonome auteur.

Multatuli, Gijsbert van Es (hertaling), Max Havelaar. Of de koffieveilingen van de Nederlandse Handelmaatschappij. € 10,00

Dik van der Meulen, Cees Fasseur, Hans van den Bergh (red.), Multatuli. Een zelfportret. Het leven van Eduard Douwes Dekker door Multatuli verteld. € 24,95

Bestaan er nog multatulianen? Atte Jongstra liet een parade van soms vermakelijke, dan weer gestoorde Multatuli-liefhebbers, -epigonen en -bewonderaars passeren in De multatulianen (1985). Hij schrijft: ‘De volgende zin had ik bedacht om een inleiding voor dit boek mee te besluiten: “De laatste der multatulianen zal binnenkort zijn overleden.” Ik schrijf het niet zonder spijt.’
Tegenwoordig wordt er niet meer gedweept en al helemaal niet met Multatuli. Dat betekent niet dat hij vergeten is geraakt. Dit jaar is het honderdvijftig jaar geleden dat Max Havelaar verscheen en het regent tentoonstellingen, wedstrijden, lezingen en boeken. Al deze activiteiten draaien om één vraag: wat is de betekenis van Multatuli en zijn belangrijkste roman voor het heden? Het gaat dit jaar dus minstens even vaak over kolonialisme, (on)eerlijke arbeid en vreemdelingenbeleid als over Max Havelaar. In het Amsterdamse poëziecentrum Perdu speelden Jaap Robben en Patrick Nederkoorn zelfs een voorstelling waarin op multatuliaanse wijze de vloer werd aangeveegd met het handelen van de banken rond de kredietcrisis.
Gijsbert van Es probeerde met zijn hertaling van Max Havelaar, die ook dit jaar verscheen, de tekst zélf weer op de voorgrond te zetten. Op zijn bewerking werd door de literaire kritiek besmuikt gereageerd, telkens met de terechte argumenten dat niet alleen veel van de subtiele ironie door Van Es’ explicaties teniet ging, maar dat de hertaling ook nog eens Multatuli’s 'levend Hollandsch’ de das omdeed. Van Es is er echter, ook niet ten onrechte, van uitgegaan dat de originele negentiende-eeuwse tekst voor scholieren van nu onleesbaar is geworden.
Misschien is Van Es’ keuze een symptoom van een grotere ontwikkeling: ook de literatuur die we gewend zijn als modern te beschouwen, wordt ons steeds vreemder. Thomas Vaessens wees er eens op dat Reve’s De avonden voor scholieren van nu al niet zonder annotaties te begrijpen zou zijn. Nog veel sterker geldt dat voor het bijna negentig jaar oudere Max Havelaar. Terwijl 'Max Havelaar’ als logo onverminderd actueel is gebleven, dreigt de roman dus veel van zijn zeggingskracht te verliezen.
Hoe terecht is het om 'Max Havelaar’ als beeldmerk te gebruiken bij hedendaagse kwesties als eerlijke handel met ontwikkelingslanden? Het is bijzonder sympathiek dat een keurmerk naar de bekendste idealist van de Nederlandse literatuur is genoemd, maar Multatuli doe je er weinig recht mee. De betekenis van zijn roman wordt zo teruggebracht tot een pleidooi voor een beter economisch beleid. Twee brochures, verschillende brieven en Ideeën schreef Multatuli om juist die lezing van zijn roman te corrigeren.
Telkens werd Max Havelaar ingezet in het contemporaine debat tussen conservatieven en liberalen over het cultuurstelsel. De bemoeienis van de overheid met de koffie- en suikerproductie in Indië had een flinke verhoging van de opbrengsten opgeleverd, maar voor de bevolking waren de maatregelen rampzalig. De liberalen meenden met een nieuw economisch systeem een einde aan de bijna permanente hongersnood te kunnen maken. De misstanden die in Max Havelaar beschreven werden zagen ze als een nieuw bewijs dat het cultuurstelsel misstanden in de hand werkte: pas bij een kapitalistisch systeem van vrije arbeid zouden Indië en haar bevolking kunnen bloeien.
Razend werd Multatuli ervan dat hij in het kamp van de liberalen werd geplaatst. Over het cultuurstelsel ging hij in de loop der jaren steeds minder negatief denken. Het ging hem in Max Havelaar dan ook vooral om het structurele misbruik dat de kolonie ontsierde. Door het navolgen van de regels en door het tonen van persoonlijke grootsheid zou Nederland die uitbuiting moeten tegengaan. Er is al vaker op gewezen dat de schrijver daarbij niet het einde van het kolonialisme voorzag. Zoals iedere Nederlander uit die tijd realiseerde hij zich dat het verarmde Nederland zijn koloniën volstrekt niet kon missen. Hij was beslist voorstander van hervormingen, maar niet de antikolonialistische fair trade man die tegenwoordig soms van hem gemaakt wordt.
Multatuli is en blijft nu eenmaal een negentiende-eeuwer. Zijn neiging tot weldoen en tot het tegengaan van maatschappelijke misstanden brachten hem meermalen tot de rand van de financiële afgrond (hoewel zijn gokverslaving daar ten minste evenveel aan zal hebben bijgedragen). Daarmee was hij een uitvergroting van de ideale auteur zoals de negentiende eeuw zich die voorstelde: een burger die met zijn werk bijdroeg aan een betere samenleving. Dat ideaal wordt weerspiegeld in een genre dat typisch negentiende-eeuws is: het liefdadigheidsbundeltje. Die kleine proza- of poëziebundeltjes werden massaal uitgegeven bij watersnood, hongersnood, scheepsrampen of financiële problemen van een weeshuis of een arm gezin. Alle opbrengsten gingen naar het goede doel: de schrijver trok zijn pen, de burger zijn portemonnee. Met de prozaschets Wys my de plaats waar ik gezaaid heb! haalde Multatuli in 1861 twee drukken. Het leverde dertienhonderd gulden op voor de goede zaak, een watersnood op Java. Multatuli werd voor het schrijven van het boekje gevraagd en distantieerde zich er in 1865 van, toen hij zich realiseerde dat weldadigheidsinitiatieven het zicht benamen op de echte, structurele maatschappelijke problemen die ongemoeid werden gelaten. Toch laat dit boekje zien dat Multatuli functioneerde in de burgerlijke schrijftradities van zijn tijd.
Zelfs die eigenschappen van Multatuli die we geneigd zijn bij uitstek als uniek en modern te benoemen, waren in 1860 niet echt bijzonder. Ik bedoel de zelfverzekerd politieke toon die hij aan durfde te slaan, in Max Havelaar en in alle teksten die zouden volgen. Het martelaarschap dat hij cultiveerde lijkt al net zo uniek: hij presenteert zichzelf keer op keer als het slachtoffer van zijn eigen onverwoestbare gerechtigheidsgevoel. Dat hij op de armoede van hem en zijn gezin wees, lijkt een provocatie te zijn van zijn medeschrijvers, die hun verworvenheden als gegoede burgers bewaakten. De bijzonderste passage in zijn werk is misschien wel het slot van Max Havelaar, waarin hij aan de koning durft te vragen of het zijn wil is 'dat daarginds Uw meer dan dertig miljoenen onderdanen worden MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN UW NAAM?’
Stuk voor stuk blijken dit tekstuele elementen die in vergeten eerdere geschriftjes zijn terug te vinden. Een aansprekende zaak is bijvoorbeeld die van Carel Clemens Elias d'Engelbronner, die in 1857 in een brochure met de weinig pakkende titel Open brief aan zijne Excellentie den heer Mr. J.J.L. van der Brugghen, Minister van Justitie zijn beklag deed. D'Engelbronner was jarenlang bij het ministerie werkzaam geweest. Eerst was hij rechterhand van minister van Justitie Floris van Hall, als hoofd van een geheime politie die was belast met het 'zakendoen’ met de radicale pers. Die politie probeerde door omkooppraktijken en drukpersvervolgingen in de jaren 1840 het opkomende radicaal-liberalisme te bezweren. In 1853 werd d'Engelbronner bevorderd tot secretaris-generaal van Justitie. Omdat hij verdacht werd van corruptie werd hij begin 1857 ontslagen. Dit bracht hem ertoe een gloedvolle zelfverdediging te schrijven met opvallend multatuliaanse trekjes - drie jaar voordat Multatuli zou debuteren. In een retorische stijl, wijselijk de beschuldigingen aan zijn adres verzwijgend, wees hij op de armoede van zijn gezin na zijn ontslag. Hij kreeg een aanbod om drieduizend gulden wachtgeld te ontvangen. In ruil daarvoor moest hij er wel het zwijgen toe doen. Dat weigerde d'Engelbronner. In een reeks brieven aan de koning, die hij in zijn brochure opnam, vroeg hij van zulk smadelijk wachtgeld verschoond te blijven. Liever had hij dat er een onderzoek naar zijn zaak werd gedaan. De koning trok het wachtgeld inderdaad in, maar weigerde ook een onderzoek in te stellen, zodat d'Engelbronner zich in zijn boekje kon gaan opstellen als een martelaar, die het slachtoffer van zijn goede geweten geworden was.
De zaak werd nog complexer toen Dirk Benjamin Adrian zich ermee ging bemoeien. Hij was een van de figuren uit de radicale scene van de jaren veertig die van de omkopingen had kunnen profiteren. Toen de betalingen na verloop van tijd werden stopgezet en er niet meer op zijn chantagepraktijken werd gereageerd, richtte zijn woede zich op d'Engelbronner. In 1852 viel hij hem aan op straat. Vijf jaar later bracht hij kort na de publicatie van diens Open brief een eigen tekst uit, Derde open brief aan Mr. C.C.E. d'Engelbronner, eervol ontslagen secretaris-generaal van justitie. Bijzonder genoeg kopieerde hij daarmee de technieken van zijn vijand: hij stelde zich voor als een oud-werknemer van d'Engelbronner, door hem onterecht ontslagen, zodat nu zijn gezin moest lijden. Ook in deze verwarde, paranoïde brochure werden telkens echte documenten geciteerd om de authenticiteit van de zaak te benadrukken. Overigens werd de zaak met d'Engelbronner later geschikt en het wachtgeld alsnog uitbetaald. Over hoe het afliep met Adrian is niets bekend.
Kunnen we zeggen dat Multatuli door de boekjes van d'Engelbronner en Adrian beïnvloed is geweest? Dat is onwaarschijnlijk. De in 1856 ontslagen Eduard Douwes Dekker reisde in 1857 vanuit Indië naar Europa en heeft van de hele zaak, destijds veelbesproken, waarschijnlijk niets meegekregen. Het lijkt toeval dat er zo'n frappante parallel bestaat tussen de retorische strategieën van deze teksten - of misschien moeten we zeggen dat die strategieën ergens in deze periode tot het vaste repertoire van de polemische schrijver gingen behoren.
Hoe groot de parallellen ook zijn, de zaak van d'Engelbronner en Adrian is vergeten geraakt en de 'zaak van Lebak’ niet. Het feit dat kolonialisme een aansprekender historisch thema is gebleken dan persschandaal kan niet de enige verklaring zijn. Nee, de zaak van Douwes Dekker is waarschijnlijk vooral niet vergeten omdat hij zijn grieven vormgaf in een roman. Juist de geniale structuur die hij gebruikte en zijn buitengewone stijl hebben deze tekst uitgetild boven de vluchtigheid van een pamfletje. Dat antwoord is gemakkelijk, maar compliceert de zaak tegelijkertijd geweldig. Want waarom werd dit pleidooi, half een politieke aanklacht, half een vraag naar persoonlijke genoegdoening, eigenlijk in een romanvorm gegoten?
In de veel geciteerde brieven aan zijn vrouw presenteert Multatuli het vooral als een sluwe methode om de boodschap zo krachtig mogelijk te kunnen presenteren en zo veel mogelijk lezers te bereiken: 'Het moet overal gelezen worden als lectuur van vermaak, en dat besef moet de regering dwingen erop te letten, omdat men geen boek dat in aller handen is, ter zijde leggen kan als een brief.’ Waarschijnlijk realiseerde Multatuli zich nauwelijks welk levensgroot probleem hij in het leven zou roepen. Multatuli’s debuut is het eerste teken dat er in Nederland zoiets ontstond als een 'autonomiserend literair veld’ - de term is van de Franse socioloog Pierre Bourdieu. De literatuur zou, net als de andere kunstdomeinen, vanaf de negentiende eeuw steeds verder professionaliseren en een eigen maatschappelijk domein worden met eigen spelregels. Die spelregels beschermen de schrijver tegen inmenging van buiten en dus tegen zaken als drukpersvervolgingen, maar maken de literatuur tegelijkertijd tandeloos. De negentiende-eeuwse liefdadigheidsauteur had nog de illusie met zijn schrijverschap aan maatschappelijke veranderingen bij te dragen. Na Multatuli werd dat steeds lastiger: hij en veel van de schrijvers naast hem konden nauwelijks meer politiek iets betekenen, juist omdat ze hun maatschappijkritiek in romanvorm goten. Tegelijk gaf juist die vorm ze een stem.
Ook ontstond de complexe verhouding met het publiek die zo kenmerkend is voor het oeuvre van Multatuli. Voor publicatie van Max Havelaar had hij even geprobeerd om in ruil voor het ongepubliceerd blijven van de roman financiële genoegdoening en eerherstel te krijgen. Toen dat op niets was uitgelopen, ging hij over tot publicatie en werd daarmee definitief een broodschrijver. Voortaan was hij, als een van de eerste Nederlandse schrijvers van de negentiende eeuw, afhankelijk van de kooplust van zijn publiek. Tegelijk verachtte hij het (burgerlijke) leespubliek ook. Dit leverde een haat-liefdeverhouding op die hij uitdrukte in Minnebrieven: 'Publiek, ik veracht u met groote innigheid.’ Hij kon alleen in zijn levensonderhoud voorzien door over zijn grieven te blijven schrijven. Daarbij kon hij niet anders dan zijn publiek afstoten én aantrekken tegelijkertijd.
Dat is de actualiteit van Multatuli. Hij representeert het probleem van het schrijversengagement, ook dat van de hedendaagse schrijver. Nu het eeuwigdurende debat over autonomie en engagement weer oplaait, doen we er goed aan terug te keren naar Multatuli. Dat moeten we niet doen omdat hij de eerste 'geëngageerde’ schrijver zou zijn of de eerste auteur die met zijn teksten voor zichzelf probeert op te komen. We moeten het zelfs niet doen omdat hij zich zo welsprekend tegen het kolonialisme zou hebben gekeerd, maar omdat hij Nederlands eerste autonome schrijver is.

Laurens Ham werkt aan een proefschrift over autonomie in de Nederlandse literatuur vanaf de negentiende eeuw