INTERVIEW MET FRANK VAN DER SALM

‘Ik bouw mijn eigen metropool’

Frank van der Salm fotografeert het stedelijke landschap; drukke plekken die uitgestorven lijken. Derde deel in een serie over toonaangevende fotografen.

SOMMIGE FOTO’S HEBBEN een monumentaal onderwerp. Andere hebben een monumentale vorm. De foto’s van Frank van der Salm (1964), van wie in het Fries Museum in Leeuwarden een solotentoonstelling loopt, hebben beide. Van der Salm fotografeert het stedelijke landschap. Twee, drie keer per jaar gaat hij op fotoreis om de flatgevels, parkeerterreinen en winkelgalerijen van de moderne metropool te fotograferen. Hij deed opdrachten voor de architectenbureaus Rem Koolhaas en Herzog & de Meuron, verkocht werk aan het Haags Gemeentemuseum en de Rabobank kerncollectie en maakte opnames in Barcelona, Chicago en Shanghai. Voor komend voorjaar staan reizen naar China en Dubai op het pro-gramma.
Wat direct opvalt aan de foto’s van Van der Salm zijn de mensen. Of beter: het nagenoeg ontbreken daarvan. Van der Salm fotografeert steden die eruit zien alsof er zojuist een epidemie is uitgebroken: uitgestorven, verlaten. Frank van der Salm: ‘Dat is een bewuste keuze. Mensen hebben op een foto al-tijd de neiging om alle aandacht naar zich toe te trekken; het gaat direct over wie die persoon is en wat hij doet. Bovendien fotografeer je mensen bijna altijd halverwege een actie, terwijl ik juist foto’s wil ma-ken waarop de tijd onzichtbaar is.’
Hoe lukt het u om de drukste plekken op aarde mensloos te fotograferen?
‘Dat is simpel: de scherpte van de foto is afhankelijk van de opening van de lens en de belichtingstijd. Als je op een plek waar veel mensen rondlopen de lens een half uur een klein beetje openzet, dan is er zoveel beweging dat alleen de locatie op de foto komt.’
Kunt u eigenlijk ongestoord werken?
‘Er komen altijd mensen op me af. In openbare gebouwen loop ik daarom tegenwoordig direct naar de beveiliging. Om te tonen dat ik hun toestemming graag wil hebben en dat ik niets sneaky aan het doen ben. Soms lukt dat, dan krijg ik een half uur de tijd om bijvoorbeeld een winkelcentrum te fotograferen. Soms niet, dan probeer ik het stiekem te doen.
Een aantal jaren geleden maakte ik een opname vanuit een parkeergarage, toen er een beveiligingsauto met zwaailichten de garage in kwam rijden. Die mensen wilden de opname hebben. Ik heb ze een onbe-lichte cassette gegeven.
Zo langzamerhand ken ik de trucs. Als ik opnames wil maken op een luchthaven, dan kom ik zondag-ochtend, want dan is de pr-afdeling er niet en heb ik alleen met beveiligingspersoneel te maken. Moet ik kiezen tussen verschillende beveiligingsmensen, dan spreek ik diegene aan die het slechtste Engels spreekt: even praten en stug doorlopen. Toen ik afgelopen jaar in Hongkong was, had ik een badminton-tas bij me waarin ik mijn statief had gestopt en een gewone koffer voor mijn camera.’
Van der Salm maakt imposante foto’s: groot, rijk aan detail, met een geometrische vlakverdeling die soms doet denken aan de modernistische schilders uit het begin van de twintigste eeuw. Eigenlijk, ver-telt hij, wilde hij schilder worden, maar op de Rotterdamse Willem de Kooning Academie ontbrak het hem aan talent. ‘In mijn hoofd waren mijn schilderijen altijd al af – stuk voor stuk meesterwerken – maar wanneer ik de verf op het doek aanbracht werd het modder.’
Verf en kwast maakten plaats voor een technische camera. Frank van der Salm: ‘Het grootste voordeel daarvan is dat je de lens en het filmvlak los van elkaar kunt manipuleren, waardoor je veel grotere con-trole hebt over welke delen van je foto’s scherp worden en welke niet. Omdat deze camera erg ge-bruiksonvriendelijk is – ik ben vaak wel een half uur bezig voor ik één foto heb gemaakt – word ik ge-dwongen om zeer geconcentreerd te werken. Ook is de camera met zijn balg, lichtmeter en gewicht van vijf kilo bijzonder onaantrekkelijk om te stelen. Wanneer ik in een ongure buitenwijk sta te fotograferen en een groepje zigeuners toont overdreven interesse, dan benadruk ik altijd dat het al zo’n oud ding is.’
Het duurde even voordat hij zich artistieke vrijheden durfde te permitteren. Toen hij net van de academie kwam, was hij streng in de leer. ‘Ik was in die tijd erg onder de indruk van de New Topographics, Ameri-kaanse fotografen als Lewis Baltz en Stephen Shore en het Duitse fotografenechtpaar Bernt en Hilda Becher. Die maakten statische, seriële foto’s van oud industrieel erfgoed en andere non-plekken.’ Prompt begon hij zelf New Topographic-achtige foto’s te schieten: ‘Met een vriend reisde ik naar Spanje en Portugal. We bezochten kustplaatsen als Lloret de Mar en Salou en gingen op zoek naar leegstaan-de fabrieken en braakliggende terreinen. Die fotografeerde ik recht van voren, in zwart-wit, scherp en afstandelijk.’ Van die dogma’s kreeg hij snel genoeg. ‘Dacht ik: waarom zou ik niet eens kleur gebruiken of met de scherptediepte spelen?’
1998 was een omslagjaar: hij ging samenwerken met zijn huidige galerie, MK in Rotterdam, en maakte een lange reis door Amerika. ‘Daar heb ik alle mogelijkheden van de landschapsfotografie uitgepro-beerd: het bekende natuurschoon natuurlijk, maar ook foto’s van een maquette van de Glen Canyon.’ Ook zegde hij de doka die hij met acht collega-fotografen deelde vaarwel. ‘Zien hoe een foto geboren wordt is magisch, maar het op temperatuur houden van de chemicaliën en het eindeloze gerommel in het donker begon me meer en meer tegen te staan.’ En dan waren er nog de eindeloze manipulatiemo-gelijkheden, dodelijk voor een perfectionist als hij. ‘Ik zat soms twee weken achtereen aan één foto te werken – daar draaide ik totaal van door.’

Sindsdien vindt het afwerken van de foto plaats bij het Amsterdamse bedrijf Eyes on Media, dat gespe-cialiseerd is in het scannen, bewerken en printen van foto’s. Op een donderdagochtend ontmoeten we Van der Salm en zijn assistent André Beuving (bijnaam: ‘de superlaborant’) in het gebouw van Eyes on Media voor een rondleiding. We krijgen uitleg bij exotische apparaten als de drumscanner – één scan: honderd euro – een digitale belichter en de op één na grootste printer van Europa. Op de eerste verdie-ping heeft Beuving zijn werkkamer. Hier, in het schemerdonker, zullen de mannen straks weer weken achtereen werken aan Van der Salms nieuwe foto’s. Wanneer het werk niet wil vlotten en irritaties de kop op steken, lopen ze de gang op, naar de kantine, om te tafeltennissen.
Maken jullie veel gebruik van Photoshop?
Frank van der Salm: ‘Ik probeer het tot een minimum te beperken. Het digitale proces is voor de kleurba-lans, het contrast, om een rare kleurzweem uit een lucht te halen; niet om gekke dingen te doen. Slechts een enkele keer gebruik ik Photoshop om een beeld te manipuleren. De foto Sequence uit 2004 is daar-van een voorbeeld. De flatgebouwen op die foto vielen me op tijdens een wandeling door Hongkong. Ik ben teruggegaan en heb twee deels scherpe opnamen gemaakt, die ik later aan elkaar wilde plakken. Op mijn hotelkamer realiseerde ik me dat ik een fout had gemaakt: om twee foto’s aan elkaar te zetten heb je opnames nodig die gelijk zijn – en deze opnamen verschilden qua scherpte. Ik ben nogmaals te-ruggegaan en heb twee opnames van gelijke scherpte gemaakt, maar toen was de lucht weer veran-derd. De definitieve foto heb ik uiteindelijk met Photoshop uit vier verschillende negatieven samenge-steld.’
Uw foto’s zijn soms wel twee meter breed. Zijn die grote formaten een gemakkelijke manier om uw prijs op de kunstmarkt op te krikken?
(stellig) ‘Het formaat van mijn foto’s is een inhoudelijke beslissing. De prijs gaat omhoog naar gelang je marktwaarde, niet naar gelang het formaat van de foto. Als je fris van de fotoacademie komt en je biedt reusachtige foto’s aan voor tienduizend euro per stuk, is er heus niemand die ze koopt.’
Wat rechtvaardigt die kolossale afmetingen?
‘Mijn foto’s hebben monumentale onderwerpen en die komen het best tot hun recht op een grote print. De details zie je ook beter zo.’
Landschapsfotograaf Ansel Adams had geen anderhalve meter nodig. >
‘Ja, maar jij weet niet of je op zijn foto’s details hebt gemist.’
Het lijkt een simpele truc om de kijker te imponeren.
‘Maar kunst moet toch imponeren? Kunst bestaat niet zonder overdrijving. Een slechte foto wordt trou-wens niet beter als je hem opblaast. Misschien wel slechter: je ziet beter dat hij slecht is.’
Werken uw foto’s ook op een formaat van dertig bij twintig centimeter?
‘Werkt een schilderij van Marc Rothko op dertig bij twintig? Ik denk het niet. Een doekje van dertig bij twintig, daar kun je niet in verdwijnen. En dat is een van de kwaliteiten van zijn werk. Die kleur en die ruimte, die moeten je hele blikveld innemen – het heeft een totaal ander effect dan bij een schilderijtje waar je de muur nog omheen ziet.’
Rothko was een schilder. U bent een fotograaf.
‘Ja? En? Ik vind dat onderscheid zo’n onzin. Ik neem honderden beslissingen voordat een foto eruit ziet zoals hij eruit ziet. Het type camera, de keuze voor een lens, het diafragma, de belichtingstijd…’ Hij wijst naar een reproductie van het werk Arcade (2006): ‘Jij weet toch helemaal niet of dit winkelcentrum er in het echt zo uitzag? Daar ga je enkel van uit omdat het een foto is. Wat je niet ziet, is dat hij uit verschil-lende foto’s is samengesteld. Het stoort me enorm als mensen alle soorten fotografie op een hoop gooi-en, het gebrek aan aandacht, de onachtzaamheid.’
Het Fries Museum toont uw werk van de laatste tien jaar. Is het in die tijd veranderd?
‘Vroeger had ik een meer documentaire aanpak, waarbij de vorm van tevoren vaststond. De laatste ja-ren probeer ik dat te vermijden. Ik wil geen foto’s meer maken van een moderne stad, maar van dé mo-derne stad. Ik bouw mijn eigen metropool. Daarom bevatten mijn foto’s nauwelijks logo’s en andere za-ken die een beeld te veel aan een specifieke plek ketenen. Ik zou het moeilijk vinden om te fotograferen in een stad als Amsterdam. Die is me veel te eigen en barok.’
De parkeergarages en torenflats op uw foto’s zijn inderdaad niet aan één plek gebonden, ze kunnen overal staan. Bent u somber over het inwisselbare uiterlijk van moderne steden?
‘Ik ben geen cultuurpessimist en mijn foto’s zijn geen pamfletten. Ik gebruik fragmenten van de wereld waarin we leven, zonder daar verder een uitspraak over te doen. Het probleem van documentairefoto-grafie vind ik dat ze altijd een mening heeft. Vaak komt dat neer op reclame voor ellende: “Kijk eens hoe erg deze mensen lijden, hoe erg en lelijk dit alles is.” Het is allemaal zo duidelijk en vastomlijnd. Begrijp me goed: ik vind iemand als Martin Parr (Britse fotograaf die bekendheid verwierf met cynische foto’s over de vrijetijdsindustrie – sk) een uitstekende fotograaf, maar het heeft niets met mijn werk te maken. Mijn werk heeft geen journalistieke waarde; het laat de dingen veel meer open.’

Frank van der Salm, Multiplicity, Het Fries Museum, Leeuwarden, tot 13 april

Het portret van Van der Salm door Gustaaf Peek is in beperkte oplage te koop via www.goene.nl