INTERVIEW MET PAUL KOOIKER

‘Ik breek af’

Fotograaf Paul Kooiker speelt met voyeurisme en de macht van de camera. Virtuositeit interesseert hem weinig: ‘Mijn foto’s zijn niet beter dan die van de eerste de beste amateur.’ Zesde deel in een serie over toonaangevende Nederlandse fotografen.

Medium kooiker

HET LAATSTE NUMMER van het fototijdschrift Archivo is gemaakt door Paul Kooiker en van de eerste tot de laatste pagina gevuld met foto’s van dat suikerzoete cliché der romantiek: de zwaan. We zien ze ronddobberen in groepjes op het meer, eenzaam zwevend door de lucht, met hun kop onder water en hun kont in de lucht op zoek naar voedsel. We zien close-ups van de ranke witte hals, van de kraalogen, van de zwartgevlekte snavel met een bungelende waterdruppel. Soms fotografeert Kooiker ze haarscherp, soms zo vaag dat er weinig meer overblijft dan een grove vormstudie.
Het project ontstond bij toeval, vertelt Kooiker (1964, Rotterdam) in zijn studio in een benedenwoning in Amsterdam-Oud-Zuid – kasten vol fotoboeken langs de wand, vintageprint van de bewonderde cultfotograaf Gerard Fieret aan de muur. Paul Kooiker: ‘Het ruwe materiaal verzamelde ik toen ik vorig jaar op vakantie was in Zürich. Ik verveelde me, hing een beetje rond aan het meer, en om de tijd te doden ben ik die zwanen gaan fotograferen. Pas toen ik thuis zat te sorteren dacht ik: hier zit een project in. Vanaf dat moment wilde ik alles over het onderwerp weten. Kwam ik een boek tegen over zwanen, dan kocht ik het direct, op internet zocht ik eindeloos naar informatie. Wist je dat in de Middeleeuwen de zwaan bekend stond als een onbetrouwbaar dier? Zijn witte verenpracht zou bedrieglijk zijn; daaronder huisde het zwarte vlees. Toen ik op Google vervolgens black meat intikte, kreeg ik alleen maar pornosites met grote negerlullen. Die dubbelzinnigheid vind ik intrigerend’

Kooiker behoort tot de interessantste conceptuele fotografen van Nederland. De laatste tien jaar maakte hij naam met sardonische en seriematige fotoprojecten. Hij doorkruiste wekenlang de straten van Parijs met als doel alle fonteinen van de stad te fotograferen en nam tijdens een vakantie naar China iedere dag foto’s van dezelfde zwemmende Chinese mannen die gelijkenis vertonen met de propagandafoto’s van een zwemmende Mao in de Yangtse-rivier. Op dit moment wordt hij in beslag genomen door een studie van naakten voor de eigen boekenkast: ‘Vaak hoor je zeggen dat je boekenkast een zelfportret is, in die zin bestaat deze serie uit dubbelportretten.’
Sommige fotografen hebben een stijl. Kooiker heeft stijlen. De ene keer fotografeert hij haarscherp met een medische camera, dan weer in grofkorrelig zwart-wit. Onscherpte, gemanipuleerde kleuren, grote prints, kleine prints, het kan allemaal – waarom zou je je als kunstenaar laten ketenen door conventies? Het resultaat is een ongrijpbaar oeuvre. Een oeuvre waarin de maker zelf afwezig lijkt. De Gerhard Richter van de Nederlandse fotografie.
Tijdens ons gesprek blijkt de fotograaf zelf minstens zo ongrijpbaar. Niet dat hij zwijgzaam of onbehulpzaam is. Integendeel, Kooiker is de hoffelijkheid zelve, bovendien lijkt hij niets liever te doen dan praten over fotografie. De fotografie van anderen welteverstaan. Gevraagd naar zijn eigen motieven daalt er een nevel van art speak over de tafel neer en lijkt iedere kritiek van hem af te glijden als regen langs een oliejas. Of er fotografen zijn van wie hij iets geleerd heeft? Nee, eigenlijk niet. Past hij in een traditie? Tja, moeilijk. Wat vindt hij ervan dat ik zijn werk exploitatie vind? Dat mag. Het is tenslotte ook een mening.

Paul Kooiker groeide op in Rotterdam, in een gezin dat afgezien van de schilderijen van Co Westerik in de trein – ‘mijn vader was machinist’ – nooit met beeldende kunst in aanraking kwam. De documentaire die Jan Vrijman maakte van een woest schilderende Karel Appel was een verrassing; hij begreep het werk: ‘Iedereen in de klas deed een beetje lacherig over Appel, maar ik was zwaar onder de indruk, van zijn manier van schilderen én van zijn nonconformisme.’ Op zijn zeventiende verruilde hij de middelbare school voor de fotoacademie in Den Haag. Daarna volgde een opleiding aan de Rijksateliers. Kooiker hield zich er onledig met typische adolescentenkunst: hoogromantisch, zwartgallig, doordesemd van dood en vergankelijkheid. Paul Kooiker: ‘Ik fotografeerde schedels bij kaarslicht, of liet foto’s een half jaar rotten onder de grond om ze vervolgens op te graven en opnieuw te fotograferen. Als ik aan dat werk terugdenk schaam ik me nog steeds.’
Zijn persoonlijke doorbraak was een wandvullend encyclopedisch systeem waar hij iedere goede foto die hij ooit had gemaakt in onderbracht. Om het werk te schikken hield hij de categorieën aan van de geïllustreerde encyclopedie van Elseviers Weekblad. ‘Terugkijkend kun je zeggen dat het mijn eerste geslaagde kunstwerk was; het gaf zelfvertrouwen, opeens begreep ik dat als ik iets maar interessant genoeg vond, het het fotograferen waard was. Het leerde me ook dat je als fotograaf niet aan één stijl gebonden bent; dat je steeds weer iets anders kunt doen.’
Een conceptueel kader is nog altijd onontbeerlijk: ‘Een afbakening geeft je de vrijheid om daarbinnen alles te doen. Soms is die begrenzing de locatie waar de serie zich afspeelt, soms is het de afstand die ik tot mijn onderwerp neem. Wanneer ik zoiets eenmaal besloten heb, hou ik er ook streng aan vast. Maak ik een serie van naakte vrouwen in de duinen, dan mag daar niet opeens een vrouw in het bos tussen zitten.’
Voyeurisme en de macht van de camera zijn terugkerende thema’s in Kooikers fotografie. Utrechtse Krop uit 1999 is een serie hyperscherpe close-ups op een afstand van precies dertig centimeter van lichaamsdelen van familieleden en vrienden: een kalende kruin, twee harige bovenbenen, een teelbal die uit een glimmend sportbroekje glipt – grappig en, door de onmiskenbare tekenen van verval, confronterend tegelijk. Hunting and Fishing bestaat uit wazige portretten van vrouwelijke kennissen die naakt door de duinen rennen: lyrisch, speels, frivool. In 1996 won Kooiker de Prix de Rome met een serie van plassende vrouwen in het bos. De foto’s waren geschoten met een onscherpe lens, waardoor van veel vrouwen niet meer rest dan een paar vage vlekken: ‘Je eerste reactie is: ik wil het beter zien, dus ik moet er naartoe. Maar dat werkt niet, dan worden de beelden alleen maar onscherper.’ De kijker pesten – vindt-ie leuk: ‘Ik mag het publiek graag confronteren met zijn voyeuristische kant.’
Deze tactiek – het publiek confronteren met zijn voyeurisme – bereikte een grimmig hoogtepunt met Showground, een serie grofkorrelige naaktstudies gemaakt in Kooikers studio en geïnspireerd op modelstudies van negentiende-eeuwse schilders. De modellen, vertelt hij, vond hij bij modellenbureaus op het internet: ‘Ik koos bewust voor vrouwen die nooit geboekt worden voor reguliere opdrachten. Niet uit empathie, maar gewoon, omdat ik dat spannender vond. Vaak namen ze hun mannen mee, van die Jambers-achtige types die erop kicken als hun vrouw naakt wordt gefotografeerd.’ Schroom om te bellen had hij niet. ‘Bij een vreemde voel ik me toch een soort dokter die een patiënt ontvangt: “Kleed u zich maar even uit mevrouw, en gaat u daar liggen.” Vrienden en bekenden vragen om zich uit te kleden is veel moeilijker.’
Het resultaat is ontnuchterend: dikke vrouwen in ongemakkelijke houdingen en onderdanige poses in een karig interieur. Een vrouw zit op een spiegel, haar topje omhooggeschoven waardoor de borsten zwaar naar buiten vallen; een andere ligt over een tafel uitgestrekt als een lijk klaar voor autopsie. De gezichten van de vrouwen zijn niet te zien; die worden afgesneden door de beeldrand of zijn afgewend van de camera, misschien uit desinteresse, misschien uit schaamte. De kale ruimte met de groezelige wanden en de papiertjes op de grond wekken associaties op met een martelkelder of een afwerkplek. Wie wat langer door Showground bladert, vermoedt een adder onder het gras. Hier maakt iemand bewust lelijke foto’s. Hier probeert iemand de schoonheidscultus te doorbreken zoals je die aantreft in glossy’s.
Maar nee. Kooiker: ‘Vind jij deze foto’s lelijk? Goh. Daar schrik ik een beetje van. Ik vind ze best mooi.’ Hij wijst naar een portret van een zittende vrouw. ‘Neem dit portret: die billen, die stoel, hoe dat in elkaar past, dat is toch niet lelijk?’ Hij wil toch niet zeggen dat hij vindt dat de vrouwen er flatteus op staan? ‘Misschien niet flatteus. Wel realistisch. Tachtig procent van de vrouwen die je op straat ziet lopen, ziet er zonder kleren zo uit. Erotische pin-ups met opgeblazen siliconentieten, dat vind ik pas eng.’
Dat bedoel ik niet. Afstotelijk aan deze foto’s is niet zozeer het uiterlijk van de modellen, als wel de gedepersonaliseerde manier waarop Kooiker ze heeft afgebeeld: ‘Het worden inderdaad objecten, grote stukken vlees. Dat ze bij jou associaties opwekken met een gruwelkelder of een afwerkplek vind ik niet per definitie iets slechts. Ik wil dat je gaat nadenken over wat je ziet: wie zijn die vrouwen; wat is hier precies aan de hand; waarom liggen ze erbij zoals ze erbij liggen? Om die spanning is het me te doen.’
Is hij zich ervan bewust dat hij zijn modellen exploiteert? Veel vrouwen zijn achteraf teleurgesteld in hun portret en hadden iets anders verwacht: ‘De deal is vanaf het begin duidelijk: ik betaal, zij poseren. Dat zo’n model een foto verwacht die probleemloos in de Veronica-gids past, daar kan ik niet mee zitten. In die zin ben ik egoïstisch. Daarbij: een autonoom kunstenaar exploiteert altijd zijn onderwerp. Een schilder die voor een leeg doek staat is ook een dictator.’
Hij geeft het toe: hij wil de wereld niet mooier of idyllischer maken dan-ie is: ‘Ik ben niet geïnteresseerd in een geïdealiseerd portret, ben überhaupt niet geïnteresseerd in mooie plaatjes – ik val daarbij in slaap. Sommige fotografen zijn virtuoos. Ik niet. Ik fotografeer niet beter dan de eerste de beste amateur. De waarde van mijn werk zit niet in de foto’s zelf, maar in wat ik ermee doe – in het sorteren, het bewerken. Ik kan niet anders dan seriematig werken. Een van mijn foto’s is gewoon een foto; pas wanneer je er tien bij elkaar zet, heb je een kunstwerk.’
Beschouwt hij zichzelf als een cynicus? ‘Geen cynicus. Wel een demystificator. Net als alle kunstenaars waar ik van houd – Michel Houellebecq, Lars von Trier, Boris Mikhailov – ben ik geïnteresseerd in ongemakkelijke waarheden. Ik breek af, strip kaal, ben iconoclastisch. Amateurfoto’s en cliché-onderwerpen lenen zich daarvoor het beste. Zo’n zwaan en zo’n fontein, dat is natuurlijk totaal over the top, daar kun je eigenlijk niet meer mee aankomen. Maar daarom is het voor mij juist een uitdaging om van zo’n onderwerp een project te maken dat toch interessant is.’

Paul Kooiker, Black Meat; Archivo. Dit najaar verschijnt Fall of Man bij Van Zoetendaal

Bestel deze foto online

Medium kooiker