Ik, caesar!

In de tweede klas begon de heer Boulogne het proza van Caesar te behandelen. Irritante pubertjes met verkeerd lang haar waren we, en we hadden echt wel iets anders aan ons hoofd dan de correcte weergave van een ablativus absolutus. Dat de Latijnse volzinnen nog een andere functie hadden dan ons met het grammaticaboek vertrouwd te maken, kwam nooit ter sprake. Waarover Caesar het had is me op school dan ook nooit duidelijk geworden, al meende ik wel te weten dat de auteur een foute imperialist was van het type ‘Johnson moordenaar’.

Bij integrale lezing van De Bello Gallico blijkt hoe jammer het is dat we al zo vroeg met Caesar werden geconfronteerd. Niet alleen is Caesar een nog grotere schurk dan ik dacht, ook blijkt zijn gebeeldhouwde Latijn, als je het vlot kunt lezen, een belevenis. Het komt niet vaak voor dat een invloedrijk politicus echt kan schrijven.
Gaius Julius Caesar was er al jong van overtuigd dat hij de belangrijkste man in Rome zou worden. Met niets ontziende ambitie baande hij zich een weg naar de top, links en rechts tegenstanders uitschakelend. Toen hij de alleenheerschappij eenmaal in handen had, betoonde hij zich een energiek bestuurder. Maar zijn gezondheid ging achteruit en de conservatieve senaat ergerde zich aan Caesars populariteit. In 44 voor Christus werd hij vermoord. Volgens sommigen had hij de aanslag voorzien, maar niets gedaan om deze te voorkomen: hij had zijn doel bereikt, zijn leven was klaar.
Caesar moet een indrukwekkende figuur zijn geweest. Hij was lang en ijdel, had een ijzeren uithoudingsvermogen, was een briljant redenaar en stond bekend als onweerstaanbaar charmeur, die met zowel mannen als vrouwen het bed deelde: ‘de man van alle vrouwen en aller mannen vrouw’, zoals een tijdgenoot het uitdrukte.
'De grootste afstanden legde hij met ongelooflijke snelheid af. Kwam hij voor een rivier te staan, dan zwom hij eroverheen, of stak over op opgeblazen dierehuiden, zodat hij dikwijls eerder aankwam dan de boden die zijn komst moesten aankondigen.’ Ook als schrijver is Caesar een man die geen tegenspraak duldt. Met vanzelfsprekend gezag dwingt hij bij zijn lezers onvoorwaardelijk respect af. Zelfs wie aanvankelijk nog partij trok voor de Galliërs, geeft halverwege het boek zijn verzet op en besluit de veldheer door dik en dun te steunen. Caesar is een held, en Galliërs zijn dom, lelijk en onberekenbaar.
Caesar schreef zijn 'rapporten over de Gallische oorlog’ toen hij tussen 58 en 51 gouverneur van Noord-Italië, Zuid-Frankrijk en het voormalige Joegoslavië was. Zijn doel was geheel Frankrijk en België te onderwerpen, wat inderdaad lukte. Een halfslachtige poging ook Engeland op de knieën te dwingen liep op niets uit. Het boek was bedoeld om het Romeinse publiek ervan te doordringen dat Caesars oorlogshandelingen een zegen voor de staat waren. Hij vermeldde uiteraard niet dat hij zich ondertussen op een schandalige manier wist te verrijken, terwijl ook mislukkingen zo gepresenteerd zijn dat de lezer Caesar gelukwenst met de handige manier waarop hij door anderen veroorzaakte problemen heeft opgelost.
Dat sommige tijdgenoten wel degelijk vraagtekens plaatsten bij Caesars acties, blijkt pas als je andere bronnen raadpleegt. Suetonius schrijft anderhalve eeuw later: 'Vanaf die tijd liet hij geen gelegenheid voorbijgaan, ook al was het onrechtvaardig en gevaarlijk, om oorlog te voeren. Zonder enige reden viel hij evenzeer met Rome verbonden volkeren als vijandige en onbeschaafde stammen aan.’
Caesars meest geduchte tegenstanders zijn de Zwabische leider Ariovistus, de Belg Ambiorix, en Vercingetorix uit de Auvergne. Deze mannen worden afgeschilderd als krachtige persoonlijkheden die alles in het werk stellen om aan het Romeinse juk te ontkomen. De Germaan Ariovistus wordt teruggedreven over de Rijn, de stam van Ambiorix wordt volledig uitgeroeid, en na enkele uitputtende belegeringen wordt tenslotte ook Vercingetorix verslagen: de romanisering van Gallië kan beginnen.
Om de lezer in te prenten hoe gevaarlijk deze vijanden zijn, laat Caesar hen soms uitvoerig aan het woord. Wanneer er tijdens het beleg van Alesia stemmen zijn opgegaan om de verdediging van het bolwerk op te geven, spreekt Critognatus, een generaal van Vercingetorix, als volgt: 'Geen woord zal ik zeggen over het voorstel van mensen die voor de smadelijkste slavernij de term “overgave” hanteren: ik vind dat zij niet langer kunnen gelden als volwaardige stamleden en niet meer bij de krijgsraad mogen komen.’
Een van de eigenschappen die het proza van Caesar zoveel beter maken dan dat van iemand als Livius, is zijn helderheid. Wanneer Caesar een veldslag beschrijft, begrijp je werkelijk hoe die verloopt. Zelfs belegeringswerken en de constructie van een brug weet hij zo te schetsen dat je ze voor je ziet. Dat hij ook een heleboel informatie weglaat of vervormt, doet aan die helderheid niets af, integendeel. Het is zijn versie die we vernemen, maar die mag er dan ook wezen.
Vermaard zijn Caesars geografische en volkenkundige uitweidingen. Of wat hij over de Britten, Galliërs en Germanen beweert feitelijk juist is, valt moeilijk vast te stellen, maar pakkend is het wel. Een goed voorbeeld vormt zijn nuchtere beschrijving van de elandenjacht. Deze dieren hebben volgens Caesar poten zonder gewrichten, zodat ze, als ze eenmaal liggen, niet meer overeind kunnen komen. Ze slapen geleund tegen bomen. Jagers die een eland willen vangen, ondergraven de bomen waar hij altijd overnacht, op zo'n manier dat het beest dat niet kan zien. Wanneer het zich dan tegen een boom aanvlijt, valt deze om en is de eland verloren.
De mooiste zin staat in het tweede boek. Terwijl de Romeinen bijna in de pan worden gehakt, grijpt Caesar het schild van een soldaat uit de achterste gelederen vast, rent naar voren en inspireert zijn manschappen tot grote heldhaftigheid. De zin waarin deze gebeurtenis wordt beschreven, telt in het Latijn zeventien regels. De vertaler heeft er ter wille van de leesbaarheid tien zinnen van moeten maken, waardoor de retorische kracht enigszins verloren is gegaan. Voor een opstandige gymnasiast betekent zo'n zin niets minder dan een ramp. Maar de volwassen lezer laat zich willens en wetens inpakken. Wie zo kan schrijven, onderwerpt niet alleen de Galliërs, maar ook zijn publiek.