‘Ik capituleer niet’

In een klein dorpje veranderen de bewoners langzaam maar zeker in neushoorns. Behalve de bangige en depressieve drinker Béranger.

Medium toneel

Dat is ongeveer het verhaal van Rhinoceros (1959), toneelstuk van de Roemeens-Franse schrijver Eugène Ionesco (1909-1994), dat over massahysterie en de risico’s van conformisme handelt. Een behoorlijk eng stuk dat ik zag als puber, toen de tv in 1961 de Nederlandse oerpremière uitzond, met fraai geschminkte rhinoceroskoppen. Het was een voorstelling van de Nederlandse Comedie, het toneeldebuut van de toen 23-jarige Kitty Courbois.

Een klas afstuderende acteurs en actrices van de Arnhemse Toneelschool speelt het stuk op het Internationaal Theaterscholen Festival ITs. In de regie van Marc Wortel, ooit als acteur in Arnhem opgeleid, daarna in Berlijn een regieopleiding gevolgd, als schrijver onlangs bejubeld om zijn stuk De witte vloed. De voorstelling begint in een gezelschap malloten, met vreemde tics en rare praatjes. De fabel van Rhinoceros wordt zo als het ware op z’n kop gezet. Die lui zijn al ver heen. Daar hoeft alleen nog maar een neushoornkop op. Appeltje-eitje. Maar de alledaagse waanzin, bestaande uit ronddolende rhinocerossen, begint bij de dorpsbewoners angsten en verlangens naar individualiteit omhoog te tikken. In die geraffineerde omkering doen Ionesco’s zwarte teksten en bizarre grollen hun werk effectief. Mooie voorstelling ook trouwens, kakofonisch eindigend in Bérangers wanhoopskreet: ‘Ik capituleer niet.’

Ook een niet-capituleerder, van een iets schunniger makelij en een anarchistischer bouwjaar, is Baal, de van talent dronken dichter en titel-antiheld uit Baal, het eerste avondvullende toneelstuk van Bertolt Brecht. De oerversie werd geschreven in 1919, met de oorlogsdonder nog in zijn kop. In het openingslied, Koraal van de Grote Baal, ook gepubliceerd in Brechts debuutbundel Hauspostille (1919-1925), is de toon meteen hard en helder:

‘Als im weissen Mutterschosse aufwuchs Baal

War der Himmel schon so gross und weit und fahl

Blau und nackt und ungeheuer wundersam

Wie ihn Baal dann liebte – als Baal kam.’

Villon, Rimbaud, Verlaine en ook de schrijver en Münchner kroegzanger Frank Wedekind waren inspiratiebron, niet zelden ook letterlijke bronnen die door Brecht werden geplunderd. De dertien aspirant-performers van de Amsterdamse Toneelschool Kleinkunstakademie die (regie: Tatiana Pratley) Baal spelen, hebben daar teksten van hun eigen helden aan toegevoegd: Simon Vinkenoog, David Bowie, Maarten van Roozendaal en Johnny (Selfkicker: ‘Kom klaar, klootzak!’) van Doorn. Alle dertien worden ze tijdens de voorstelling een of meer keren Baal. In een wonderschone, lekker smerige vormgeving van Sarah Nixon, muzikaal ondersteund door Wilko Sterke en Bas Odijk. Een voorstelling waar mijn hart van open springt. Omdat ze zo lelijk durft te zijn, ongelikt, ongemakkelijk. De avond is sterk op individueel spelersniveau, maar ook een echt gezamenlijke happening. Deze Baal doet ruimschoots recht aan het debuutwerk van een ondertussen verguisd, genegeerd en in de ban gedaan dichtersgenie. Het is ook zo’n voorstelling die je terug wilt zien. Zal niet gebeuren. De jongelui moeten immers aan het werk, voor zichzelf beginnen. In een toneellandschap dat zich qua troosteloosheid alvast ruim met Brechts Baal kan meten.


ITs Festival Amsterdam, t/m vrijdag 26 juni. itsfestivalamsterdam.com


Beeld: (1) Toneelschool Amsterdam speelt Baal van Bertolt Brecht, (Coco Duivenvoorde)