MARTIN SIMEK INTERVIEWT MARTIN SIMEK

‘Ik dacht dat vrijheid iets buiten mij was’

Op 21 augustus 1968 vielen de troepen van het Warschaupact Tsjechoslowakije binnen om een einde te maken aan wat de historie is ingegaan als de Praagse Lente, een poging van een klein, machteloos land binnen het sovjetblok om stap voor stap en ook een beetje stiekem het communisme een menselijk gezicht te geven. Martin Simek, 22 jaar cartoonist van De Groene Amsterdammer onder het pseudoniem AnoNe (JaNee), was toen negentien jaar jong. Een week na de inval pakte hij zijn koffer, stak twee tennisrackets onder zijn arm en vertrok naar het Westen. In Nederland maakte hij naam als tenniscoach, cartoonist, tv-maker en radio-interviewer. Straks is het veertig jaar geleden dat de Russen zijn land binnenvielen. Zoals sommigen iedere ochtend aan ochtendgymnastiek doen, vraagt hij zich nog iedere dag af: ben ik al vrij? En gaat naar bed met: nog een nachtje slapen.

WAAR GEEFT U de voorkeur aan, vousvoyeren of tutoyeren?
‘Het is me om het even; ik pas me aan aan de toon van het gesprek.’
Dat je daar als vluchteling zin in hebt, om je na veertig jaar nog altijd aan te passen.
‘Als je bereid bent om je aan onbelangrijke details aan te passen, kun je op de momenten dat het er echt om gaat voor jezelf kiezen.’
Was vluchten voor jezelf kiezen?
‘Ik heb in Nederland de status van politiek vluchteling aangevraagd en gekregen, en dat houdt in dat in mijn vaderland blijven geen optie was. Daar probeerde ik de autoriteiten en ook mezelf van te overtuigen. Maar in werkelijkheid was het natuurlijk wel een keuze, vluchten of niet vluchten. Eigenlijk de eerste keuze die ik kon maken, want ik ben in 1948 in Praag geboren, het jaar waarin mijn land aan de communisten werd uitgeleverd. Ik wist niet anders dan dat er geen keuzes waren.’
Voorbeeld graag.
‘Dat merkte ik als kind aan alles, daarvoor hoefde het niet eens de verkiezingsdag te zijn die me nog altijd bijstaat. Vóór zeven uur ’s avonds moest iedereen zijn stem hebben uitgebracht op de enige partij waarvoor je kon “kiezen”. Het feit dat ik het nog weet, is al tekenend. Ik zal drie geweest zijn en zeven uur zei me niets, want ik kon nog geen klokkijken. Dat tijdstip was een obsessie voor mijn vader. Hij ging zo laat mogelijk naar het kieslokaal. Dat was de enige vorm van protest die hij zich kon permitteren. Blanco stemmen of niet stemmen was geen optie. Die hele zondag was de spanning voelbaar bij ons thuis. De frustratie van mijn vader speelde hoog op. Hij, die in armoede was geboren, die alles in zijn eentje had bereikt, die de ontwikkeling van zijn exceptionele talent ook al door de Tweede Wereldoorlog had moeten opschorten, was nu, op zijn 43ste, voorgoed uitgerangeerd. Een machteloze man, in de kracht van zijn leven, die zijn mond moest houden om zijn vrouw en drie kinderen te beschermen.
Op het allerlaatste moment klonk de stem van mijn vader door het huis: “We gaan!” Ik hoorde het heel goed, maar hield me verborgen in de voorraadkast. De boosheid van mijn vader richtte zich nu op mijn moeder: “Hoezo, je weet niet waar je kind van drie is?” Toen mijn moeder me achter de jampotten vond, leverde ze me niet uit aan mijn vader. Ze voelde aan dat er meer achter zat dan zomaar verstoppertje spelen. Ik huilde en huilde en was ontroostbaar. “Ik ben bang dat ze het aan me zien”, zei ik snikkend. Mij werd sinds ik het kon begrijpen op het hart gedrukt dat ik buitenshuis nooit en te nimmer mocht vertellen wat mijn ouders en mijn veel oudere broers thuis bespraken.
“Wat zullen ze aan je zien, Martínku?”
“Dat ik denk dat de communisten dom zijn.”
Mijn vader barstte in lachen uit. Zijn zondag was gered. “Geen angst, Martínku, de communisten zijn zo dom dat ze niet merken wat je denkt, als je maar je mond houdt”, zei hij, en nam me op zijn schouders.
Vrijheid is dus sinds ik me kan herinneren: mogen kiezen. Dat kiezen iets is wat je ook moet leren, daar ben ik pas in het Westen achter gekomen.’

En de dictatuur, heb je daar iets van opgestoken?
‘O ja, genoeg. Dromen aan de ene kant, en van dag tot dag te leven aan de andere. Mits in de juiste dosis werken dromen als opwekkende middelen. Ze maken het dagelijkse leven draaglijk, net zoals poëzie dat ook kan, of literatuur of muziek. Maar je bent je er onder een dictatuur te allen tijde van bewust dat het dromen zijn, dat je je leven er niet op kunt bouwen. In vrijheid zijn dromen veel gevaarlijker, omdat ze tenminste in theorie haalbaar zijn. Lukt het je niet, dan blijf je met de frustratie achter.’
En wat het leven van dag tot dag betreft?
‘Je móet wel in een dictatuur, en daar is realiteitszin voor nodig. Je moet je mouwen opstropen en je moet een groot doorzettingsvermogen hebben. En niet alleen dat, want om de dagelijkse strijd om te overleven over een lange periode vol te houden, heb je humor nodig, je natuurlijke antidepressivum. Ja, wil je het onder het communisme leuk hebben – en dat wil je, want het leven gaat onder alle omstandigheden door – dan moet je voortdurend kunnen omschakelen van prozaïsch en praktisch naar romantisch en euforisch. Niet alleen moet de schoorsteen blijven roken, je moet ook de moed er nog in zien te houden. Anders dan je misschien zou verwachten, is dat juist onder die omstandigheden niet moeilijk, want dat het zwaar is, hoef je aan niemand uit te leggen. Dat geldt voor iedereen, want dat is het voordeel van een dictatuur: het is altijd de schuld van de maatschappij.
In de vrije, westerse wereld worden heus ook stokken tussen je spaken gestoken, maar als je de maatschappij daarvan de schuld geeft, ben je een zeur. Om flink te zijn geef je jezelf maar de schuld, want bij de buren is het toch allemaal wél gelukt? Bij de buren lukt het natuurlijk ook niet, maar dat gaan ze jou niet aan je neus hangen. Die staan weer benauwd over de heg te gluren hoe goed het jou afgaat. En zo houdt de vrije, westerse burger zelfs onder zijn “beste vrienden” de schone schijn op, net zo lang tot het zijn tweede natuur is geworden, en uiteindelijk – dat is de terminale fase van de ziekte – houdt hij ook voor zichzelf de schijn op.’

Waar heb je al die jaren geleefd? Hoe zit het dan met het eeuwige geklaag en gezeur waar Nederlanders het patent op hebben? Het is niet goed of het deugt niet bij ons, en hoe zit het met het leger van zelfbenoemde ‘slachtoffers’ die vinden dat ze natúúrlijk recht hebben op een uitkering, ziekteverlof, depressie en dergelijke? Er is geen verslaafde die vindt dat het zijn eigen schuld is.
‘Nu hebt u het over tweederangsburgers, zoals ze in het Westen worden gezien. Bij ons had je geen tweederangsburgers, behalve de onderdrukkers zelf natuurlijk, die met de rug werden aangekeken. Daar wilden zelfs de hoeren liever niet mee naar bed. Een klein beetje tweederangs waren voor ons mensen die de strijd om te overleven hadden opgegeven. En dan nog onder voorbehoud, want het fijne van de directe aanleiding voor hun ondergang wist je niet; iedereen onder “Stalin” kon zich zo’n aanleiding goed voorstellen.
In het Westen, waar vrijheid bestaat – tenminste de vrijheid die een maatschappij je kan geven – leeft men in zijn poging om het beste eruit te halen in een schijnwereld vol stress en schuldgevoel, terwijl men onder een dictatuur, waar je objectief maar weinig van je leven kunt maken, vaak – weliswaar mager en slecht gekleed – met een échte glimlach op de lippen rondloopt. Vandaar dat ik vandaag net zo bedacht ben op schijn als op communisten. Schijn duld ik niet om me heen, en al helemaal niet als ik in de spiegel kijk.’
Bij ons proberen we het beste eruit te halen, onder de communisten probeerden jullie er het beste van te maken.
‘Dat heeft u goed samengevat.’
Waar droom je van in een totalitair regime?
‘De alles overstijgende droom was natuurlijk vrijheid: als ik in Amerika zou leven zou alles anders zijn, beter zijn, zelfs de zon zou vaker schijnen. En omdat Amerika in onze perceptie goed en almachtig was, was het ook niet uitgesloten dat de draak met de vele koppen, het communisme, op een dag door de goede prins, Amerika, verslagen zou kunnen worden. Dus je leefde in een permanente roes van een mogelijkheid: een kans op vrijheid, een soort hemel op aarde die op een dag zomaar zou kunnen aanbreken. Want misschien was de prins al bezig, dat wisten wij niet, want wij hadden alleen propaganda en geen nieuws. Althans, zo leefden we tot de Russische inval op 21 augustus 1968. Toen was de droom van vrijheid voorgoed voorbij en werd Tsjechoslowakije een wachtkamer tot het sovjetimperium economisch in elkaar zou storten.’
Hoe vervelend was het dagelijkse leven?
‘Je stond uren in de rij voor vlees, voor groente, voor textiel en toiletpapier, bij de boekhandel, als je naar de film wilde of naar het theater…’
Boeken, films, theater? Er was toch niks?
‘Jaaaa. Klassiekers: Dostojevski, Shakespeare, maar ook The Catcher in the Rye, en de censuur liet soms een steekje vallen. Dan mochten we plotseling A Streetcar Named Desire zien, of we zagen een vrouw die niet keihard hoefde te werken schaterlachend met een opwaaiende jurk op het rooster van de metro staan. Marilyn Monroe, Brigitte Bardot, die hebben wij heus ook wel gezien, allemaal vrouwen met wie het heel goed leek te gaan zonder dat ze aan de socialistische heilstaat aan het bouwen waren.
In de rij staan voor vlees was natuurlijk vervelender dan in de rij staan voor een boek. Zo’n rij had zelfs iets opwindends, want daar liep je de kans geestverwanten te ontmoeten, al moest je altijd oppassen. Maar zelfs oppassen hoeft niet vervelend te zijn, want oppassen is niets anders dan goed kijken en luisteren. Al deed je dat zo onopvallend mogelijk, je bestudeerde de anderen, en je kon er donder op zeggen dat jij ook bestudeerd werd. Men was bang voor elkaar, dus men had aandacht voor elkaar.
In het vrije Westen hoef je niet op elkaar te letten, en dat is aanvankelijk een hele opluchting. Tot je merkt dat je dood mag vallen. How are you? – dat is Amerika, en je moet het niet in je hoofd halen om daar echt antwoord op te geven.
Uit aandacht, al was het uit angst voor elkaar, werd vaak iets moois geboren. Op een hobbelige, kronkelende landweg van menselijk verkeer verveelt de bestuurder zich nooit, al vloekt hij en droomt hij van de geasfalteerde snelweg. Je bent in staat een moord te begaan als je over die hobbelige landweg je oude moeder of je kind naar het ziekenhuis moet brengen. Maar als de gedroomde autoweg er eindelijk is, valt er weinig te beleven, behalve gas geven. Soms vraag je je af of het de bedoeling is dat alles makkelijk moet gaan in het leven.’
Het lijkt haast wel fijn, zo’n dictatuur.
‘Alles wat je overkomt in het leven is ook een kans. Overal kun je van leren, al zou ik niet vrijwillig onder Hitler willen leven, maar ja, ik doe ook niet aan bungeejumping.’

Wat heb je van de vrijheid geleerd?
‘Dat je jezelf overal mee naartoe neemt, je lichaam, maar ook je geest. Vandaar dat je vrijheidsgevoel, je innerlijke vrijheid, onder alle systemen hetzelfde blijft. Net zoals een verdwaalde druppel, gescheiden van de oceaan, onmogelijk kan vermoeden dat hij het antwoord in zich draagt op de vraag wat water is, zo dacht ik dat vrijheid iets buiten mij was. Iets groots, overweldigends. Dat ik het zelf zou kunnen herbergen, dat kwam niet eens bij me op.
Ik kende in Praag twee jonge studenten tandheelkunde die twee jaar voor de inval trouwden en het eerste wat ze voor hun huis kochten, eerder dan het bed en de ijskast, was een schilderij. Een prachtig schilderij waar ze voor gespaard hadden. Toen ze net als ik in 1968 vluchtten, had ik hoge verwachtingen van ze. Nadat de Muur was gevallen, konden ze eindelijk het prachtige schilderij in Praag ophalen en meenemen naar hun nieuwe leven in München. Wat blijkt? Het detoneert totaal met de rest van het huis. Hoe kan dat? Waren het soms andere mensen geworden? Nee, denk ik. Ze zijn hetzelfde gebleven. Toen ze dat schilderij kochten, wilden ze blijkbaar bij het hoogst haalbare voor niet-communisten horen: de Praagse intellectuele elite. In het Westen willen ze opnieuw bij het in hun ogen hoogst haalbare horen: de welgestelden die graag tonen dat ze welgesteld zijn. Erbij willen horen was kennelijk altijd al hun leidmotief.’

Vind je wat je te zeggen hebt belangrijk?
‘Op het moment dat ik het uitspreek wel natuurlijk, anders zou ik zwijgen. Maar ik ben nog niet zo ver dat ik kan zwijgen, al durf ik het steeds vaker. Ik heb twintig jaar lang vrijheid moeten ontberen, en openlijk in het openbaar mogen spreken is voor mij nog altijd een belevenis, een verworvenheid. Vrijheid zit hem echter niet in het spreken zelf, maar in de keuze tussen zwijgen en spreken. Die keuze zie ik soms niet, omdat ik te obsessief aan het woord ben, waarschijnlijk een compensatie voor de jaren dat ik mijn mond moest houden.’
Met andere woorden: je lult te veel.
‘Ja, u hebt gelijk, en het is nauwelijks een troost dat ik niet de enige ben. Als interviewer word ik steeds allergischer voor meningen. Ik wil van mijn gasten ervaringen, ervaringen, ervaringen. Meningen interesseren me alleen zolang ze op eigen ervaring zijn gebaseerd. Reinhold Messner mag wat van bergbeklimmen vinden, en Ada de Jong natuurlijk ook, die haar man en drie kinderen aan de Mont Blanc verloor. Tweedehands meningen zijn de ramsj van de democratie. Een mening is geen borrelnootje bij een glaasje. Een mening moet je veroveren.’
Hoe zie je de toekomst voor de mensheid? Je hebt onlangs op je oude dag toch nog twee kinderen gemaakt.
‘Mag ik daar met een cartoon op antwoorden?’