Opheffer

Ik denk…

«Schat…» zegt de vrouw.

«Ja…»

«Is er wat?»

«Nee… ja… niks bijzonders… Ik ben bang…»

«Waarvoor…»

De man haalt zijn schouders op. Hij gaat voor het raam staan, maar hij ziet niks.

«Voel je je niet goed?»

«Jawel», zegt hij.

Hij weet precies wat hij wil zeggen, maar hij durft het niet.

«Het is gek…» zegt hij.

Zijn vrouw kijkt hem aan, ze weet dat ze nu moet zwijgen.

«Vroeger durfde ik niet te zeggen dat ik vreemdging… Waarom zou ik de vrouw met wie ik was kwetsen door haar te vertellen dat ik met iemand anders in bed had gelegen… Maar nu ben ik zo trouw als maar zijn kan… en nu durf ik niet te zeggen wat ik denk…»

«Wat denk je dan?»

«Je begrijpt het niet…»

De man gaat weer zitten. De vrouw pakt een deel van de krant en begint te lezen.

«Is het dan zo erg, wat je denkt?» vraagt ze opeens.

«Ja… Als het niet erg was, had ik het wel gezegd…»

Ze merkt zijn irritatie.

«Wat is erg?» vraagt ze

De man legt de krant neer en staart in het niets. Hij zoekt naar het begin van een redenering, maar hij kan het niet vinden.

«Beschaving… nee… wat ik denk is… nee…» Het lukt hem niet. Ze merkt dat het hem irriteert dat hij zijn gedachten op een of andere manier niet kan ordenen.

«Wat denk je!» probeert ze nogmaals.

«Dingen waarvoor ik me schaam.»

«Seksuele dingen… Ben je verliefd of zo?»

«Ach, hou op… onzin… nee… maatschappelijke dingen… zaken waarvoor ik me zou moeten schamen… zaken die ik niet wil denken, maar toch denk.»

En dan besluit hij het maar te zeggen: «We gaan naar de Middeleeuwen als we niet snel maatregelen nemen. We leven in een staat van oorlog, we moeten een sterk leger hebben, want we worden bedreigd, onze vrijheid wordt afgenomen, het blanke ras wordt bedreigd… Dat denk ik…»

Zijn vrouw kijkt niet eens naar hem. Hij zweet. Begrijp je verdomme wel wat ik zeg, denkt hij, maar tegelijkertijd ziet hij dat ze de portee niet begrijpt.

«Dat is het?» vraagt ze.

«Ja…»

«Nou… dat denk ik ook vaak!» zegt ze. Ja, maar bij jou is het domheid, jij denkt nooit een minuut na over de toekomst of over het maatschappelijk gebeuren, maar ik denk daar dagelijks over na, en ik ben tot deze conclusies gekomen, en die benauwen me, denkt hij, maar hij zegt het niet.

«Dus je bent niet alleen», zegt ze.

Dat is ook zo erg, denk hij, dat ik niet alleen ben, dat al die domme mensen net zo denken als hij. Al die domme klootzakken die niet uit hun woorden kunnen komen, die de ene achterlijke opmerking na de andere uit hun mond kakken, denken net zo als hij… Dat is onverdraaglijk.

«Alleen… waarom denk je dat het blanke ras bedreigd wordt?» vraagt de vrouw.

«Omdat die in de minderheid zijn… en steeds meer raken… Ik bedoel met het blanke ras eigenlijk de westerse intellectuelen… voor de goede orde, daar zitten ook negers en joden en van alles tussen… Ik bedoel het als metafoor… Het blanke ras…»

De vrouw reageert niet. Hij legt het ook verdomd slecht uit. Waarom is hij er in godsnaam over begonnen. Nu denkt ze dat hij een racist is. Hoewel… ze zegt helemaal niks, wat nog erger is.

Het wordt stil in huis. Hij hoort vrachtwagens door de straat rijden en denkt: ook de economie gaat naar de knoppen. Alles wordt overgenomen door India en China, er komt een grote vogelpest aan, een pandemie die veel slachtoffers zal eisen, de dollar crasht, de oorlog met de baarden is dichtbij, Iran maakt een atoombom… We doen of we het niet zien. Maar overal zijn zij aan het winnen. Zij, de anderen, die ons ons geloof willen afnemen. En natuurlijk komt iedereen hier, waar we het relatief goed hebben.

«Je maakt je toch niet echt bezorgd hè, om de toekomst», zegt z’n vrouw opeens.

«Nee…» zegt hij.

«’t Gaat wel over», zegt de vrouw.

«Ja…»

«En als het je tijd is… is het je tijd», zegt ze.

«Ja.»

Ik ga naar de hoeren, denkt hij, na mij de zondvloed is niet eens zo’n gekke gedachte. Wat rest mij dan alleen nog genot? Iets anders is er niet. Ik wil me laten pijpen door een jonge meid, ik wil de borsten voelen van een wat oudere hoer, ik wil laveloos dronken worden, want ik ben verder toch machteloos.

«Je ziet er ook slecht uit», zegt de vrouw.

«Ja…»

«Je moet gezonder leven…»

«Ja…»

De vrouw gaat naar bed met een boek van een Nederlandse schrijfster.

Hij blijft nog drie uur in de kamer zitten.