Arthur Rimbaud: eeuwig adolescent

‘Ik denk dat ik in de hel ben’

Het overschrijden van de drempel naar volwassenheid is moeizaam en gevaarlijk. Bij Arthur Rimbaud liep het spel uit de hand: hij zou er nooit meer in slagen zich volledig van Satan te bevrijden.

De hel kent geen uitgang. Wanneer Aeneas in het dodenrijk zijn vader Anchises heeft opgezocht, keert hij terug in de werkelijkheid via de poort van ivoor, die, aldus Vergilius, alleen onware dromen doorlaat. Vaak wordt deze raadselachtige passage geïnterpreteerd als een verbluffende disclaimer, als zou de dichter willen aangeven dat hij zijn hand niet in het vuur steekt voor het waarheidsgehalte van het verslag van Aeneas’ tocht door de andere wereld. Maar dat staat er niet. De Aeneas die in het land der levenden ontwaakt is een boze droom geworden, een schim van wie hij was. Zoals Patrick Bateman aan het slot van American Psycho panisch vaststelt: ‘This is not an exit.’ Wie eenmaal de dood in de ogen heeft gezien, wordt nooit meer de oude.
In de afscheidsepisode uit Une saison en enfer (1873) doet Arthur Rimbaud de strijdvaardige oproep: 'Il faut être absolument moderne.’ Hij heeft een seizoen in de hel doorgebracht, maar wenst het verleden achter zich te laten om in een tijdloos heden te gaan leven. In de nacht wordt geworsteld met de engel, maar straks breekt een nieuwe morgen aan. 'Toch is dit de vooravond. Laten wij ons volledig openstellen voor het binnenstromen van ware kracht en tederheid. En bij dageraad zullen wij, gewapend met een vurig geduld, de schitterende steden binnengaan.’ Het eindpunt van de hellevaart is het hemels Jeruzalem, dat de dichter zich voorstelt als een fonkelende metropool, waar de nieuwe mens een koel en autonoom leven leidt.
Rimbaud is nog geen negentien jaar oud als hij zijn verbijsterende katabasis op papier zet, halverwege een verwoestende verhouding met de tien jaar oudere Paul Verlaine, een stuurloze en bij vlagen gewelddadige alcoholicus. Eindigt Une saison en enfer met de utopie van een wedergeboorte, er is alle reden om aan te nemen dat de ravissante adolescent het dodenrijk nooit vaarwel heeft kunnen zeggen. Misschien moet de verzameling prozagedichten waarmee hij zijn duizelingwekkende schrijverschap afsloot, Illuminations, gezien worden als het equivalent van Dante’s Paradiso, maar dat die hemel een aangename plek is om te verblijven mag betwijfeld worden. Zelfs het messiaanse visioen waarmee die bundel besluit bevat nog de uitroep: 'O wereld! en de heldere zang van nieuwe rampen!’
Is Rimbaud wel zo modern? Bewijst het feit dat zijn waanzinnige proza iedere generatie opnieuw in het hart raakt niet dat de dichter een universele ervaring heeft verwoord, die eveneens centraal staat in een groot aantal andere meesterwerken uit de wereldliteratuur? Naast de Aeneis, Dante’s Commedia en Bret Easton Ellis’ American Psycho kunnen we het epos van Gilgamesj noemen, Heart of Darkness van Joseph Conrad, The Waste Land van T.S. Eliot of Nooit meer slapen van W.F. Hermans, en de lijst valt naar believen uit te breiden. Vele levenden zijn door de dood heen gegaan, wat natuurlijk niet wil zeggen dat die hellevaarten allemaal precies hetzelfde betekenen. Dat een psychische crisis beleefd wordt als een tijdelijk afsterven, liefst gevolgd door een frisse wedergeboorte, lijkt echter evident.
Er zijn de afgelopen eeuw tientallen, zo niet honderden boeken geschreven over het mysterie van Rimbauds korte schrijverschap. De eerste gedichten die niet meer afgedaan kunnen worden als puberaal woordspel dateren van de zomer van 1871, toen Rimbaud bijna zeventien was. De twee bundels prozagedichten ontstonden tussen 1872 en 1874. Daarna keerde de jonge dichter zich rigoureus van de literatuur af. Na een zwervend leven vol ennui en verbittering stierf Rimbaud in 1891 op 37-jarige leeftijd, zonder ooit nog een gedicht of verhaal te hebben geschreven. Hoe kan dat?
Ik geloof dat er geen raadsel is. Rimbauds werk vertoont alle kenmerken van een crisis die menige adolescent zal herkennen. Uitzonderlijk is niet zozeer de hellevaart zelf, als wel, ten eerste, de weergaloze virtuositeit waarmee de taalkunstenaar die heeft vormgegeven, en, ten tweede, het uitblijven van de wedergeboorte. Het avontuur heeft hem niet gelouterd. Hij is afgestorven om nooit meer echt tot leven te komen. Daarom viel er niets meer te schrijven.
In veel culturen wordt de overgang van kindertijd naar volwassenheid gemarkeerd met rituelen, die sinds het baanbrekende werk van Arnold van Gennep aan het begin van de twintigste eeuw in de antropologische literatuur rites de passage worden genoemd. Het overschrijden van de drempel is een moeizaam en niet ongevaarlijk proces, dat tijdens de initiatie wordt verbeeld in een tijdelijke dood, waarin het kind zijn persoonlijkheid aflegt en na een uitvoerige loutering een nieuw karakter aanneemt. Het is niet ongebruikelijk dat de wedergeboorte benadrukt wordt door het toekennen van een nieuwe naam. De zogeheten liminale fase, waarin de initiandus zich - uren, dagen of zelfs weken - op de drempel tussen twee levens bevindt, kan gezien worden als een omgekeerde wereld, althans een niemandsland waarin normale waarden en categorieën ongeldig zijn, als betrof het een droom.
Het is niet verwonderlijk dat mythen over afdalingen in het dodenrijk vaak in verband zijn gebracht met initiatierituelen. De psychoanalyse heeft de hellevaart een ruimere betekenis toegekend, in die zin dat iedere duik in het onderbewuste als een tocht door de dood beschreven kan worden - overigens zonder spoor van bewijs, hetgeen de psychoanalyse tot een bij uitstek literaire aangelegenheid maakt. Het surrealisme is er, met zijn fascinatie voor de droom, mee aan de haal gegaan.
Arthur Rimbaud, die vanwege zijn hallucinatoire beeldtaal gezien wordt als een voorloper van het surrealisme, heeft zijn eigen passage van jeugd naar volwassenheid getracht weer te geven in zowel Une saison en enfer als Illuminations. Megalomaan als de meeste adolescenten zag hij zijn eigen crisis weerspiegeld in de razendsnelle modernisering van Europa, zodat het persoonlijk verlangen naar een aanvaardbare toekomst tegelijkertijd een utopisch vergezicht werd. Afkomstig uit het boerse en traditionele Charleville zocht hij het nieuwe in de grootsteedse chaos van Parijs en Londen, en dat in een tijd van oorlog en revolutie. Rimbaud voelde zich enige tijd verbonden met de Parijse Communards die in het voorjaar van 1871 een politiek experiment zonder precedent ten uitvoer brachten, totdat de revolte genadeloos werd neergeslagen. Dat de nieuwe wereld en de nieuwe mens, maar vooral de nieuwe Rimbaud uiteindelijk een illusie zouden blijken, klinkt al door in de hoogst ambivalente visioenen waaruit de bundel Illuminations is opgebouwd.
Rimbaud had als dichter een magisch vertrouwen in de werking van de taal. De analogie tussen taal en wereld is een voornaam element van zowel de joodse als de christelijke traditie. Gods scheppingsdaad geldt als het allereerste geval van management by speech, en sindsdien wordt de werkelijkheid als een boek gelezen, zij het dat men van mening verschilt over de taal waarin het geschreven is; omgekeerd worden woorden geacht in staat te zijn de dingen te veranderen. Rimbauds beroemdste gedicht, Voyelles (klinkers, vocalen), laat zien dat elke klinker een aspect van de werkelijkheid vertegenwoordigt. De afgewogen eenvoud van de eerste regels is onthutsend, omdat hij contrasteert met de revolutionaire inhoud ervan:

A noir, E blanc, I rouge, U vert, O bleu: voyelles,
Je dirai quelque jour vos naissances latentes

'A zwart, E wit, I rood, U groen, O blauw: klinkers, er komt een dag dat ik zal spreken over uw verborgen geboorten.’ Maar het spreken is al begonnen, tijdens het gedicht worden de vocalen geboren, al heeft de dichter gelijk met zijn vermoeden dat de bevalling een mysterie blijft. In de twaalf regels die volgen werkt hij de vijf klanken successievelijk uit. De zwarte A wordt geassocieerd met nachtelijke golven en zwermen aasvliegen, de witte E roept schitterende ijsvelden op. De taal vangt aan met het contrast tussen warm en koud, levend en dood, duister en licht. Brengt de I ons bij het bloed en de roes, waarna de U beelden oproept van zeeën en grazige weiden, de laatste strofe biedt een apocalyps die zichzelf overschreeuwt:

O, Suprême Clairon plein des strideurs étranges,
Silences traversés des Mondes et des Anges:

  • Ô l'Oméga, rayon violet de Ses Yeux!

Hoe zoiets te vertalen? Paul Claes komt een eind in de buurt:
O, Opperste Klaroen vol vreemdsoortige schrilten,
Door werelden en Engelen doorkruiste stilten:

  • O de Omega, violette straal van ’t Oog!

Helaas slaagt Claes er niet in de klassieke cesuren (steeds na de zesde lettergreep) van Rimbauds alexandrijnen te handhaven, waardoor ook het rijm van 'rayon’ op 'Clairon’ vervalt, en daarmee de synesthetische analogie tussen de schelle klank van de bazuin en de felle straling van wat in Claes’ vertaling slechts één oog is geworden. Maar de twee hoofdletters O waarmee de laatste regel begint staren de lezer aan als de helderblauwe oogopslag waarom Rimbaud bekendstond. Het gedicht is taal en wereld tegelijk, het representeert de geboorte van een goddelijke dichter die de kosmos wil omvatten én veranderen - en die zich daarbij, naar ik vermoed bij zijn volle bewustzijn, onsterfelijk belachelijk maakt. Belachelijkheid en onsterfelijkheid vormen nu eenmaal een onverbrekelijke eenheid. Weinigen hebben dat zo goed gezien als Rimbaud. Zestien jaar oud was de dichter. Wat moet zo iemand nog schrijven als hij dertig is?
Een flirt met de duivel is niet ongebruikelijk bij zestienjarigen, evenmin als de roekeloze neiging alle zintuigen te ontregelen, zoals Rimbaud in zijn befaamde zienersbrief aanbeveelt. Ik is een ander, constateert hij terecht, dus radicaal zelfverlies zou wel eens het enige project kunnen zijn dat de mens ertoe in staat stelt de wereld te ervaren zoals ze is. Wie opgroeit wil grenzen overschrijden, maar doorgaans dwingt het eigen organisme of sociale druk de experimenterende jongere op den duur weer in het gareel. Bij Rimbaud is het spel uit de hand gelopen. De verbintenis met Satan werd zo reëel dat hij er nooit meer in zou slagen zich volledig uit de hel te bevrijden. Weliswaar overleefde hij zijn inferno en moest hij ook het paradiso van de illuminations verlaten, maar de rest van zijn leven speelde zich af in limbo, in het waste land aan de zomen van de Rode Zee.
Une saison en enfer is dialogisch van karakter, de tekst is met zichzelf in discussie, engelen en demonen voeren een strijd op leven en dood, waarbij de auteur toekijkt met een onleefbare mengeling van ironie en betrokkenheid. Hier is een hyperintelligente, tegen wil en dank idealistische adolescent aan het woord die een onwinbare strijd probeert te beslechten. In de vertaling van Hans van Pinxteren: 'En dit is het leven nog maar! - Stel dat de verdoemenis eeuwig is! Iemand die zichzelf verminken wil is toch verdoemd? Ik denk dat ik in de hel ben, dus ben ik daar ook. Zo wil de catechismus het. Ik ben een slaaf van mijn doop. (…) Een misdaad, vlug, dan stort ik in het niets krachtens de wet van de mensen.’ Meteen valt hij zichzelf in de rede: 'Zwijg, zwijg dan toch…! Al die smaad en verwijten hier: Satan die zegt dat het vuur onwaardig, dat mijn woede vreselijk dwaas is. - Weg…! Wanen die mij worden ingeblazen, toverij, bedrieglijke geuren, infantiele wijsjes. - En dat terwijl ik de waarheid ken en zie wat rechtvaardig is: ik heb een helder en gezond oordeel, ik ben op een haar na volmaakt.’ Rimbaud hoorde stemmen. Maar wie was hij zelf?
In Illuminations, een Engels woord dat onder meer in verband wordt gebracht met verluchte middeleeuwse handschriften, stadsverlichting en mystieke extase, lijkt het ik van de dichter vervlogen te zijn. In het hoofdstuk Jeunesse associeert de spreker zijn situatie met die van de Heilige Antonius, die in de woestijn werd belaagd door verzoekingen. Hij ziet zijn opstandigheid als 'tics van kinderlijke trots, inzinking en ontsteltenis’, dat neemt niet weg dat zijn ambitie enorm is: 'je zult dit werk op je nemen: alle mogelijkheden van harmonie en architectuur komen rondom je zetel tot leven. Volmaakte, nooit vermoede wezens zullen zich tot je proeven lenen. Om je heen zal dromerig de nieuwsgierigheid samenstromen van menigten uit vroeger dagen en ledige luxes. Je geheugen en je zintuigen vormen slechts de voedingsbodem voor je scheppingsdrift. Wat de wereld aangaat, als je die verlaat, wat zal daar van geworden zijn? In ieder geval niets van waar het nu op lijkt.’ Wie zijn adolescentie zo heftig en zuiver ondergaat, verdient het nooit volwassen te worden.


ARTHUR RIMBAUD
ILLUMINATIONS
Paris: Publications de La Vogue,
1886, 43 blz.

ARTHUR RIMBAUD
UNE SAISON EN ENFER
Bruxelles: Alliance typographique,
1873, 53 blz