Foucault en de mens

Ik denk, dus ik ben niet

Michel Foucault, een van de belangrijkste denkers van de twintigste eeuw, past in de typisch Franse traditie van de ‘intellectueel’, de traditie van denkers die ‘filosofie’ opvatten als het kritisch stelling nemen in allerlei actuele kwesties. Volgens Foucault was het een bijna komische vergissing dat de mens zich zag als oorsprong, centrum en doel van het universum. Descartes’ beroemde adagium ‘Ik denk, dus ik ben’, draaide hij liever om.

IN MIJN STUDENTENTIJD had ik twee helden: Jean-Paul Sartre en Michel Foucault. De een aan het begin van mijn studie, de ander aan het eind. Sartre gaf me mateloos vertrouwen in eigen kunnen. Het leven, zei Sartre, is een aaneenschakeling van beslissingen. Je ‘ik’ tekent zich af in de keuzes waarvoor je onophoudelijk wordt gesteld.
Aan het eind van mijn studie begon het structuralisme de wetenschappelijke praktijk te domineren. Het wierp Sartres filosofie omver. Niet het ‘ik’, maar anonieme structuren bepalen wat wij doen. Deze ideeën werden verkondigd door een groep briljante Franse wetenschappers: Claude Lévi-Strauss, Michel Foucault, Jacques Lacan. Ze bestreken een breed terrein van sociologie, filosofie, geschiedenis, psychoanalyse, taal- en literatuurwetenschap. Ik verslond hun werk. En omdat er in mijn studie geen structuralisme werd onderwezen, wisselde ik een werkcollege bij Frans in voor een boekenlijst structuralisme bij de hoogleraar filosofie Reinout Bakker. Boven aan die lijst stond Michel Foucaults Les mots et les choses (De woorden en de dingen, 1966). Het toeval wilde dat Foucault, in de maanden dat ik aan mijn leeslijst werkte, in Groningen een lezing gaf. Die lezing ging over Nietzsche. Het moet in 1971 zijn geweest. Ik was diep onder de indruk. Van De woorden en de dingen is, na een aanvankelijke vertaling in 1973, nu een sterk verbeterde vertaling verschenen. Waarom is het boek deze hernieuwde belangstelling waard?
Foucault zoekt in De woorden en de dingen naar de grondslagen waarop onze kennis berust. Hij noemt dat ‘archeologie’. In zijn boek onderzoekt hij wat de principes zijn van waaruit de ‘menswetenschappen’ (biologie, taalwetenschap, economie) worden gedacht. Zijn onderzoek strekt zich uit van de zestiende eeuw tot nu. Dat klinkt verbluffend en het wordt nog verbluffender als je ziet hoe grondig Foucault al die wetenschappen beheerst en welke grote lijnen hij trekt uit hun onderlinge vergelijking. Foucaults conclusie luidt dat alle wetenschappen in een bepaalde periode op zoek zijn naar hetzelfde en dus eigenlijk, binnen die periode, meer op elkaar lijken dan op diezelfde wetenschap een eeuw vroeger of later. De ‘grond’ van waaruit ze denken (hun ‘episteme’) is identiek. Neem de wetenschappen van de late Middeleeuwen. Ze werden geheel bepaald door het denken in ‘overeenkomsten’, ‘gelijkenissen’. De microkosmos was een weerspiegeling van de macrokosmos; de aarde een afspiegeling van de hemel; de mens van God, enzovoort. Alles leek op alles. Een ding kennen, betekende dat je het spel van analogieën begreep op grond waarvan dat ding samenhing met alle andere dingen waar het op leek.
In het midden van de zeventiende eeuw kantelt deze grondslag. Niet langer is het de gelijkenis die kennis oplevert, maar de vergelijking. Onderwerpen van kennis (dieren, planten, mensen, economie) worden vanaf dat moment geordend in een systeem op grond van hun onderlinge overeenkomsten en verschillen. Het is de tijd van de grammatica’s, de tijd waarin woordsoorten van elkaar worden onderscheiden en in tabellen worden weergegeven. Het is de tijd van Linnaeus, die een magistrale classificatie maakt van planten en dieren op basis van hun voortplantingsorganen. Linnaeus’ onderzoek is het sprekendste voorbeeld van wat deze ‘klassieke episteme’ nastreeft, namelijk het in kaart brengen, ordenen, classificeren, volgens zichtbare verschillen en overeenkomsten. De grammatica, plantkunde en economie van die tijd lijken onderling meer op elkaar dan, zeg, de plantkunde in de zestiende, de achttiende en de negentiende eeuw.
Aan het begin van de negentiende eeuw kantelt deze ‘klassieke’ episteme, om plaats te maken voor een episteme die gedomineerd wordt door ‘geschiedenis’. Hield de taalkunde zich tot die tijd bezig met de vraag welke overeenkomsten en verschillen er bestaan tussen taalvormen, vanaf het midden van de negentiende eeuw vraagt men zich af hoe deze vormen zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld. Hoe zijn woorden ontstaan? Hoe zijn ze veranderd? Welke wetten (historische fonetiek, historische grammatica) liggen daaraan ten grondslag? Uit welke talen en taalfamilies is onze taal ontstaan? Hoe kun je dat in stambomen zichtbaar maken? In de economie verdedigde Marx deze geheel nieuwe optiek met zijn historisch materialisme. De biologie (Lamarck, Darwin) keek niet langer naar de uiterlijke kenmerken op grond waarvan planten en dieren kunnen worden gedetermineerd, maar naar de manier waarop ze zijn geëvolueerd. De biologen zijn in deze nieuwe episteme op zoek naar sporen van vorige fasen in de evolutie van dier of plant.
Wat ‘waar’ was in de vorige episteme is niet langer ‘waar’ in de volgende. Darwins onderzoek zou in de achttiende eeuw ‘onwaar’ zijn geweest; Linnaeus is in de twintigste eeuw misschien niet onjuist, maar hij bevindt zich niet langer in het centrum van datgene waar het in de kennis van plant en dier om gaat. De consequenties zijn duizelingwekkend. Wetenschappen zijn volgens Foucault niet op zoek naar de waarheid (die bestaat helemaal niet), maar sluiten zich aan bij de heersende episteme. Het onderzoek dat op al deze gebieden wordt uitgevoerd is meer of minder ‘waar’ naarmate het meer of minder aansluit bij deze episteme. Na Foucault is deze lijn van denken voortgezet door wetenschapsfilosofen als Thomas Kuhn met zijn ‘paradigma’s’ en op dit moment door de zeer interessante Bruno Latour.

Maar De woorden en de dingen hebben (naast het waarheidsbegrip) nog een tweede mikpunt en dat is de mens. De mens in humanistische zin, dat wil zeggen de mens als centrum van de wereld en als oorsprong van kennis, taal en cultuur. Foucault beschouwt deze mens als een product van de voorlaatste (‘moderne’) episteme. Deze episteme heeft de mens voorgespiegeld dat hij oorsprong, centrum en doel is van het universum. Maar, zo zegt Foucault in het laatste deel van zijn boek, we beseffen onderhand dat dit een bijna komische vergissing is. Iemand die spreekt of denkt is geneigd om op de vraag: ‘Wie spreekt?’, ‘Wie denkt’, te antwoorden: ‘Ik.’ Maar als je gaat graven om te zien hoe de zaak werkelijk zit (als je ‘archeologie’ bedrijft), merk je dat degene die spreekt een taal gebruikt die duizenden jaren voor hem al bestond; dat degene die denkt ideeën reproduceert die zijn eigen denkraampje verre te buiten gaan. Wie spreekt en denkt profileert zich dus niet als individu, als ‘mens’ (al denkt hij dat wel), maar verdwijnt daarentegen in een structuur die hem verre overstijgt. Foucault draait Descartes’ beroemde adagium ‘Ik denk, dus ik ben’ om. Hij corrigeert het tot ‘Ik denk, dus ik ben niet’ en daarmee slaat hij, vanuit zijn optiek gezien, de spijker op de kop.
Foucault veronderstelde dat het humanistische drogbeeld in de tweede helft van de twintigste eeuw zou verdwijnen, dat het zou worden ‘weggespoeld als een gezicht van zand aan de rand van de zee’ (laatste woorden van De woorden en de dingen).
Foucault is een van de belangrijkste denkers van de twintigste eeuw. Hij is geen filosoof in de traditionele zin van het woord, eerder een bestrijder van de filosofie, net als zijn grote voorbeeld Friedrich Nietzsche. Hij is een kritische denker die zich het liefst bezighoudt met sociale en politieke kwesties (gevangeniswezen) en die om die reden past in de typisch Franse traditie van de ‘intellectueel’, de traditie van denkers die ‘filosofie’ opvatten als het kritisch stelling nemen in allerlei actuele kwesties. Die traditie kent beroemde voorgangers als Voltaire en Sartre. Sartre? Maar is Foucault met zijn structuralisme en zijn verdwijning van de mens niet de tegenpool van de schrijver van Het existentialisme is een humanisme? Dat was zeker het geval. Ik bedoel dat Foucault zijn Woorden en dingen inderdaad schreef als een aanval op Sartre, een denker van wie hij niets moest hebben. Maar het vreemde verschijnsel doet zich voor dat Foucault zijn mening over de mens ingrijpend herzag. In de laatste jaren van zijn leven kende hij aan de mens een steeds groter vermogen tot zelfstandig handelen toe, uiteindelijk definieerde hij de ‘mens’ als degene die zich profileert in verzet tegen machtsstructuren. En hoewel het traject waarlangs Foucault tot dit standpunt kwam sterk afwijkt van dat van Sartre, is het eindpunt van zijn denken op een bizarre manier identiek aan dat van zijn tegenstander.

Michel Foucault, De woorden en de dingen: Een archeologie van de menswetenschappen, Vertaald door Walter van der Star
Boom, 470 blz., € 44,90

Maarten van Buuren is hoogleraar moderne Franse letterkunde aan de Universiteit Utrecht, en publiceerde onlangs De innerlijke ervaring: Essays (Historische Uitgeverij