Interview Elsbeth Etty

“Ik denk wel dat ik een moralist ben”

Haar columns in NRC Handelsblad wekken bij veel mensen irritatie. De laatste kwestie die beroering wekte, was haar stelling dat ze geen begrip heeft voor het huidige anti-Amerikanisme. Elsbeth Etty: “Ik heb absoluut niet de illusie dat iemand zich ook maar iets aantrekt van wat ik schrijf.”

De zaterdagse column van Elsbeth Etty in NRC Handelsblad heet ‘Van de week’. Het is niet zomaar een hoekje van de krant waar ze haar persoonlijke opvattingen of ervaringen kwijt kan, maar het is de bedoeling dat ze reageert op de actualiteit. Dat doet ze op een wijze die dikwijls de aandacht trekt, al is haar toon weleens moraliserend. Het verleden, ook haar eigen communistische verleden, speelt in die columns vaak een prominente rol.

In haar column «Begripsverwarring» van 22 september schrijft zij over de consequenties van de recente gebeurtenissen in Amerika, en over het verschil tussen «iets begrijpen» en «begrip kunnen opbrengen» voor. Een van de zaken waar ze nu geen begrip voor heeft, is het anti-Amerikanisme. Hierbij citeert ze Menno ter Braak, die in de jaren dertig terugkwam op de vijandige houding die hij een kleine tien jaar eerder had aangenomen tegenover de democratie. Hoewel hij nog steeds zeer gereserveerd stond tegenover de democratie als idee, was hij door de schijnbaar onstuitbare opmars van het nationaal-socialisme gaan inzien dat de democratie de enige staatsvorm was die zijn positie als intellectueel waarborgde.

De parallel tussen Menno Ter Braak en Elsbeth Etty lijkt evident. Politiek bewust als ze is, en actief geworden ten tijde van de Vietnamoorlog en de rechtse coup in Chili, moet Amerika voor Etty heel lang een soort empire of evil zijn geweest. Nu ons de oorlog is verklaard door het moslimfundamentalistische terrorisme, moeten wij ons blijkbaar toch achter de Verenigde Staten scharen.

Volgens Etty dienen er toch wat kanttekeningen geplaatst te worden bij deze samenvatting: “Toevallig heb ik een maand of twee geleden een stukje tegen het anti-Amerikanisme geschreven. Dat was naar aanleiding van het raketschild. Ik had dat stukje eigenlijk al heel lang in de pen zitten, want ik had de behoefte om uit te leggen dat de protesten tegen Amerika ten tijde van Vietnam of Chili iets anders waren dan blijken van anti-Amerikanisme. Toen keerde immers ook een groot deel van de Amerikaanse bevolking zich fel tegen het beleid van de regering. De Amerikanen waren toen natuurlijk de agressors, en ze ondersteunden heel foute regimes. Maar protest daartegen is toch iets heel anders dan anti-Amerikanisme. Ik ben nooit anti-Amerikanist geweest in de zin zoals Ter Braak en de zijnen dat waren, daarvoor voelde ik me ook veel te veel gevormd door de Amerikaanse cultuur.”

Hoewel wantrouwen volgens haar een van de belangrijkste karaktereigenschappen van een journalist behoort te zijn, heeft ze heel wat minder moeite met de regering-Bush dan vroeger met Johnson en Nixon. Het zijn historische situaties die niet met elkaar te vergelijken zijn. En toch worden er voortdurend vergelijkingen gemaakt. Etty: “Ja, maar daar moet je wel mee oppassen. Opvallend is dat de Amerikanen steeds de vergelijking maken met Pearl Harbor, maar ik vind de vergelijking met München veel beter. Dat wordt vooral duidelijk als je ziet hoe sommige mensen er, weliswaar met de beste bedoelingen, op reageren. Als je het helemaal door zou trekken, dan zou je de houding van GroenLinks bijvoorbeeld met Chamberlain kunnen vergelijken. Het is een soort appeasement-politiek. Ook voor de SP geldt het een beetje, maar die vind ik eigenlijk nog eerlijker, die zijn gewoon consequent tegen oorlog. Hoe het dan wél moet, geven ze ook niet aan, maar dat is toch nog iets helderder dan GroenLinks. Rosenmöller probeert echt aan alle kanten zijn handen vrij te houden en zich in te dekken.

Tot nu toe valt het allemaal dik mee. Ik heb ‘m in het begin net als iedereen ook enorm zitten knijpen en ik ben ook bang geweest voor overhaaste en buitenproportionele reacties van de Amerikanen. Er zijn nu allemaal van die knapperds die oproepen tot matiging, maar de Amerikanen zijn erg gematigd geweest tot nog toe. Ik vind trouwens niet, wat wel wordt gezegd, dat Kok te prematuur was in zijn pleidooi voor een ‹waardige› reactie. Hij had waarschijnlijk ook gewoon de schrik in zijn benen. Ik denk dat hij niet op dat moment elke reactie voor zijn rekening kon en wilde nemen, dat vond ik eigenlijk wel verstandig. Bolkesteins verwijt van ‹gemekker aan de zijlijn› vond ik dan ook heel demagogisch. Volgens hem is er geen enkele reden om de regering-Bush tot waardigheid te manen, daar gaat hij gewoon vanuit. Dat vind ik ook weer een beetje ver gaan, dat je daar gewoon vanuit gaat.”

Je hoeft nog geen notoire anti-Amerikanist te zijn om je enigszins ongemakkelijk te voelen bij al die bombast en patriottische vendelzwaaierij?
Etty: “Ach, ik kan me het van die Amerikanen wel een beetje voorstellen. Ze hebben natuurlijk een andere cultuur en achtergrond dan wij, Nederlanders. Ze hebben altijd moeite gehad om een bindend element te vinden. Dus dat ze dat zo opgelegd proberen, dat laat alleen maar zien welke enorme tegenstellingen ze moeten overbruggen. Je hoeft dat ook niet meteen te veroordelen. Ik hoorde iemand een vergelijking maken met het nazidom, die zei: moet je horen, als ze dat in Duitsland doen, dan zou je gillend weghollen. Nou kunnen ze dat daar niet meer doen, en zullen ze het ook niet meer doen, maar ik vind het in Amerika niet bijzonder alarmerend en bijzonder erg. Wel vind ik dat je daar best kritisch naar mag kijken. Het is niet nodig dat wij nu ook allemaal met vlaggen gaan lopen en onze kritische vermogens maar meteen inleveren om Het Grote Kwaad te gaan bestrijden.

Maar zoals een Marcel van Dam zich gedraagt, dat is ook hoogst ergerlijk. Volgens hem zijn de aanslagen in New York en Washington het gevolg van de Amerikaanse Israël-politiek. In Het Lagerhuis stond hij met ontzettend veel poeha te vertellen dat de Amerikanen toch echt geen blanco cheque mochten krijgen. Hij gooit alle standpunten in een pot en neemt dan zelf een positie in waar helemaal niets op af te dingen is, tenzij je doorvraagt, maar dat doet niemand bij hem. Je zou eigenlijk aan hem moeten vragen: Which side are you on? Ik denk dat hij daar dan toch niet uit zou komen. Ik vind dus wel dat je je die vraag moet stellen, dat je er niet komt met alleen maar ontwijkende antwoorden geven.

Je moet op een gegeven moment een keuze maken. Moet je horen, overmorgen gebeurt het hier, en dan kijken we toch ook vreemd op als niemand te hulp schiet of als er een heel groot voorbehoud wordt gemaakt. Je kunt zeggen wat je wilt, maar de Amerikanen hebben eerder laten zien dat zij meededen toen het nodig was, en toen was het eigenbelang nog aanzienlijk moeilijker aan te wijzen voor hen. Achteraf kun je zeggen dat ze het gevaar van het fascisme wel degelijk hebben ingezien, en dat het dus eigenbelang was, maar op dat moment waren de meeste Amerikanen daar helemaal niet van overtuigd. Ik ben dan wel van na de oorlog, maar ik begreep altijd al dat zij de bevrijders waren, dat het zonder hen hier heel anders was afgelopen.”

Nu we het toch over het verleden hebben, wekt uw CPN-verleden niet af en toe irritatie op?

Etty: «Er komen nogal wat brieven op mijn columns, naast negatieve ook heel wat positieve. Bij de negatieve brieven zitten echter nogal wat echte scheldbrieven, zo van: mevrouw, u moet uw bek houden want… en dan krijg je weer het hele verhaal dat ik van de CPN geweest ben. Het is zo vaak een manier om maar niet op mijn argumenten te hoeven ingaan. Dat vind ik gewoon jammer. Bij Paul Scheffer wordt zijn CPN-verleden er nooit bij gehaald, en die is even lang lid geweest als ik. Bovendien zijn er verhalen die een volstrekt eigen leven gaan leiden, en die met de werkelijkheid niets te maken hebben. Zo stond er in het Historisch Nieuwsblad onlangs een verschrikkelijk scheldstukje tegen mij, waarin stond dat ik niet over tolerantie mocht schrijven, omdat ik in 1990 Van Doorn zou hebben weggestuurd bij NRC Handelsblad.

Om te beginnen heeft zo iemand volstrekt geen idee hoe een krant werkt en wat mijn positie daar is, alsof ik bij machte zou zijn om iemand weg te sturen! Ik was in die tijd redacteur van de opiniepagina, maar toen die antisemitische column van Van Doorn verscheen, was ik ziek. Ik denk dat als ik er geweest was, en het stuk gelezen had, dat ik Van Doorn zou hebben opgebeld met de vraag: wilt u dit zo geschreven hebben of is het min of meer een slip of the pen? Ik heb dat altijd zo gedaan met columnisten, en vaak waren ze me ook dankbaar. Ik ben er nooit op uit geweest om mensen hun nek te laten breken, integendeel. Uiteindelijk heeft de toenmalige hoofdredacteur Ben Knapen dat stuk «Vrijheid en betamelijkheid» geschreven, waarna Van Doorn is opgestapt. Dat ik de man zou hebben weggewerkt, is dus volmaakte onzin. Maar keer op keer duikt dat verhaal weer op.»

Het neemt niet weg dat het onbegrijpelijk is dat u een decennium eerder nog communist bent geweest.

Etty: «Daar kan ik me wel in verplaatsen. In 1983 heb ik mijn lidmaatschap opgezegd en ik begreep toen al niet meer waarom mensen wél lid bleven. Mijn beste vrienden behoorden daartoe, en van hen begreep ik maar niet waarom zij zich er nog aan konden committeren. Sindsdien kan ik me goed voorstellen dat mensen naar hun voorhoofd wijzen en zich afvragen hoe het toch in godsnaam mogelijk is dat iemand lid van die club werd. Ik ben me dat nog veel meer gaan realiseren toen ik aan de biografie van Henriëtte Roland Holst werkte. Toen heb ik me natuurlijk ook veel beter dan voorheen in de geschiedenis van het communisme verdiept. Als je dat allemaal leest, dan denk je echt: Jezus, hoe was het in godsnaam mogelijk? Tegelijkertijd moet je je ook proberen te verplaatsen in de motieven van mensen die toen van die partij lid werden. De mensen die begin jaren zeventig lid werden, de halve studentenbeweging, dat waren geen stalinisten. Ze zijn ook geen lid geworden van een stalinistische partij, maar van een partij die de Russische invasie in Tsjecho-Slowakije in 1968 met zoveel woorden had veroordeeld. En ik weet ook zeker dat als die partij dat níet had gedaan, als het een traditionele stalinistische partij was geweest — wat ze achteraf toch bleek te zijn, daar gaat niets van af, hoor — dat ik geen lid zou zijn geworden.

Bovendien zijn de meesten ook enorm hard aan de slag gegaan om alles wat maar zweemde naar stalinisme af te schaffen. Eerst hebben we geprobeerd de universiteit te democratiseren en daarna probeerden we de CPN te democratiseren. Achteraf bleek het natuurlijk een waanzinnige illusie, maar het is me veel te oppervlakkig om te zeggen: ze zijn communist geweest en dus politiek ontoerekeningsvatbaar, en dus moeten ze hun mond houden. Dat zou dus betekenen dat je geen ontwikkeling kunt doormaken.»

Als je uw columns leest, dan valt een zekere mate van moralisme op. Dat werkt weleens vermoeiend.

«Van die neiging tot moralisme ben ik me wel bewust. Ik vond het ook wel grappig om nu het tweede deel van de biografie van Ter Braak te lezen. Die had natuurlijk ook een enorme afkeer van domineesland en van moraliseren, behalve als hij het zelf deed. Ik denk wel dat ik een moralist ben… Nou ja, ik vraag het me toch af, misschien valt het reuze mee. Zodra je min of meer gedwongen bent om je mening te formuleren, ben je voortdurend met jezelf in gesprek. Je bent voortdurend bezig om normen te zoeken en die onder woorden te brengen. Dus ik kan me wel voorstellen dat als het uiteindelijk op papier staat, het overkomt als een wijzend vingertje. Maar ik heb absoluut niet de illusie dat iemand zich ook maar iets aantrekt van wat ik schrijf. Hoogstens hoop ik dat mensen die zelf over dat soort dingen nadenken er iets in herkennen, of dat ze denken: o ja, zo kun je er ook tegen aankijken. Nee, ik wil niemand het goede pad wijzen.»

Intellectuelen dienen dus niet zozeer de juiste weg te wijzen, maar vooral vraagtekens te zetten bij de marsroutes van autoriteiten en bij de volgzaamheid van het grote publiek?

«Je moet columnisten en mensen die in dagbladen publiceren niet zomaar gelijkstellen met intellectuelen, dan gaat het toch meer over denken op iets langere termijn. Wij, columnisten, journalisten en publicisten spelen wel een belangrijke rol in de meningsvorming, maar ik zou het toch verkeerd vinden als wij de plaats innemen die van oudsher intellectuelen horen in te nemen.

Helaas hebben schrijvers en intellectuelen in Nederland niet erg de neiging zich in het politieke debat te mengen. Dat zag je weer eens heel duidelijk tijdens de Kosovo-oorlog. In Frankrijk en Duitsland bloeide het debat en hier werd enorm defensief gereageerd, zo van: ik wil hier eigenlijk helemaal niets mee te maken hebben. Ik vind de Duitse en Franse traditie veel aangenamer, maar het is nu eenmaal niet anders. Je kunt mensen immers niet dwingen zich te uiten op terreinen waar ze zich misschien helemaal niet thuis voelen.»

Begin november verschijnt bij uitgeverij Balans een bundel met columns die Elsbeth Etty het afgelopen jaar schreef, met als titel Een koe op zolder.