Interview Ireen van Ditshuyzen

«Ik doe dingen die hout snijden»

‹Buitenkans›, de nieuwe documentaire van Ireen van Ditshuyzen, toont het drama achter de Zuid-Afrikaanse verpleegkundigen die naar Nederland kwamen en van de weeromstuit weer vertrokken. Een typische ‹Van Ditshuyzen›: wat gebeurt er achter het bekende beeld?

De 59-jarige Ireen van Ditshuyzen beent in hoog tempo, haar wijde kleren om zich heen wapperend, door de gangen van De Plantage. Van het kantoor waar de redactie van TV Dits is gevestigd, de vele trappen op, naar de ruimte waar de presentatie van haar nieuwste documentaire Buitenkans plaatsvindt. Ze houdt de aanwezigen een schaal lekkers voor: «Hier, neem nog zo'n lekker bokkenpootje.» Dan gaat ze zitten om mee te kijken naar de beelden die straks in twee delen, op 17 en 24 september, voor heel Nederland te zien zijn. De reportage is een typisch Van Ditshuyzen-project. Het gaat over een groep Zuid-Afrikaanse verpleegkundigen, die op uitnodiging van uitzendbureau Randstad in het kader van het personeelstekort in de gezondheidszorg vol goede moed naar Nederland vertrok en na enkele weken zo gedemotiveerd raakte dat een groot deel ervan vroegtijdig terugkeerde naar het vaderland. Van Ditshuyzens commentaar na afloop: «Iedereen heeft het goede gewild, maar het is een drama geworden, voor alle partijen.»

Net als bij haar andere producties koos ze ruim een jaar geleden op basis van een kort krantenbericht voor een onderwerp dat haar raakte. «Anders kan ik het niet. Ik doe altijd dingen die hout snijden. Ik interesseer me voor het snijvlak van de verschuivende verhoudingen tussen mens en politiek.»

Binnen het steeds bredere aanbod op de televisie heeft Ireen van Ditshuyzen de afgelopen decennia haar eigen weg gevolgd met documentaires die opvallen door lengte, aanpak en onderwerpkeuze. Haar programma’s vergen enig zitvlees van de kijker. Het onderwerp speelt zelden in op gevoelens van sensatie en bevestigt evenmin vooroordelen. «Iedere vorm van platitudes wil ik voorkomen. Complexe zaken die worden vertaald naar een bekend beeld, daar heb ik een hekel aan. Ik probeer gistende maatschappelijke problemen zichtbaar te maken door zo neutraal mogelijk te tonen wat er aan de hand is. De standpunten van de verschillende partijen zet ik scherp tegen elkaar af, zodat de kijker gedwongen wordt zelf te oordelen. Het gaat niet om wat ík ervan vind. Ik probeer met mijn programma mensen aan te zetten tot nadenken. Je kunt met een film nooit antwoorden geven, maar wel vragen stellen. Het geknars in mijn hoofd vind ik heerlijk.»

Deze houding zit er van nature in, zo zegt ze zelf. Tijdens haar studie andragogiek in Amsterdam («een typisch jaren-zestigvak dat beoogt op wetenschappelijke wijze het menselijke gedrag te bestuderen») werd ze maatschappelijk actief. Als student voelde ze zich aangetrokken tot engagement op de hoek van de straat. Ze werd bestuurslid van de Nederlandse Studentenraad en richtte in de Amsterdamse Dapperbuurt een actiegroep op die streefde naar betaalbare huurwoningen voor de lagere inkomensklasse. «Het vertalen van grote maatschappelijke processen naar het menselijke niveau is altijd het uitgangspunt in mijn werk gebleven.»

Na haar studie leerde ze bij de VPRO het filmvak. Ze maakte documentaires, onder meer over stakingen bij de hoogovens en de sociale problematiek in Oost-Groningen, met mensen als Cherry Duyns en Pieter Verhoeff die net als zij destijds bevlogen beginners waren in het filmvak en uitgroeiden tot de harde kern van de kritische documentairemakers in Nederland.

Aanvankelijk had ze het niet gemakkelijk binnen het progressieve bolwerk van ijdele mannen. «Het was een zware tijd, maar dat had ook te maken met mezelf. Ik zit nogal heftig in elkaar en kon toen nog niet zo goed mijn emoties doseren. Die mannencultuur was echt niet gemakkelijk voor een vrouw die wat wilde. Aangezien ik een enorme vechter ben, word ik al snel als lastig ervaren. Ik gá ergens voor, en dat levert weleens strijd op met mensen die mijn idee nog niet zien zitten. Het kost me enorm veel energie. Maar leuk vind ik het niet hoor, als mensen van mij schrikken. Ik ben snel, scherp en direct, maar wel oprecht. Langzaam heb ik geleerd om daar beter mee om te gaan. Na een meningsverschil zorg ik met een grapje dat je on speaking terms blijft.»

Ergens de tanden inzetten en vasthouden, dat heeft Van Ditshuyzen altijd gedaan. Ook al kost het nog zoveel moeite, het levert volgens haar precies op wat ze beoogt: lange lijnen in plaats van fragmentarische clichébeelden. Haar medewerkers, bij voorkeur jonge mensen «want die hebben lekker veel energie om zich te willen ontplooien», leert ze altijd: «Als je beet hebt, geloof erin, houd vast, uiteindelijk krijg je gelijk.»

Inmiddels heeft ze zo'n grote staat van dienst — meer dan honderd films waarvan vele bekroond werden met prestigieuze nationale en internationale filmprijzen — dat ze lastig mag zijn voor geldschieters en omroepen. «Maar het is iedere keer weer een ingewikkeld proces om geld los te krijgen. En ook blijft het veel gedoe om een idee te slijten. De meeste omroepen willen graag spectaculaire onderwerpen waarmee ze kunnen scoren. Daarbij denken ze aan het succes van het portret van André Hazes. Ik ben veel meer down to earth. Daarom kom ik eigenlijk altijd uit bij de publieke omroepen: Humanistische Omroep, Vara, NPS, VPRO, NCRV, KRO. En dan moet het idee ook nog eens passen in de jaarplanning van zo'n omroep. Wat ik mis in televisieland is een groep mensen met politiek instinct en hartstocht voor het vak die op een hoger niveau nadenken over de grote lijnen en ver boven de concurrentieslag van de omroepen staan. In de televisiewereld lopen zoveel mensen rond die hun identiteit ontlenen aan hun positie en niet aan de inhoud van het werk.»

Fulminerend: «In ons vak stikt het van de mensen die zichzelf tot god op een klein eilandje verklaren. Kijk eens naar de columncultuur. Wat moet ik toch met al die meninkjes waarvan de argumenten niet gestaafd worden door feiten en de informatiewaarde een bedroevend laag gehalte vertoont? Kran ten en televisie vind ik veel te gefragmenteerd. Het ontbreekt vaak aan een duidelijke scheiding tussen mening en feiten, waardoor het nieuws een aanjagende werking heeft in plaats van een analyserende. Het ontbreekt aan goede analyse, maar wel hebben journalisten het wijsvingertje snel geheven. Ik vind debat noodzakelijk, dat is in ons land verdwenen. Je ziet bij jonge mensen vaak dat ze razend zelfverzekerd uit hun ogen kijken. Ze hebben de wereld al in hun zak. Maar als je in een discussie doorvraagt en probeert een diepere laag aan te boren, dan kijken ze opeens schichtig om zich heen. Ik vind dat jonge mensen veel te weinig lezen.»

Bedachtzaamheid komt met de jaren, constateert ze, maar echt anders dan vroeger werkt ze niet. Nog steeds beschikt ze, ondanks het feit dat ze tegen de zestig loopt, over mateloze energie. «In de jaren zestig, zeventig was er politiek veel aan de hand. Maar dat wil niet zeggen dat het nu moeilijker is om sociaal-politieke onderwerpen te vinden. We staan volgens mij zelfs aan de vooravond van een andere tijd. Nu de gouden tijden van de jaren negentig een beetje op hun retour lijken te zijn, zie je dat mensen de relativiteit van welvaart beginnen in te zien. Het was: als ik het maar red, dan is alles oké, maar het wordt weer meer van belang dat we met elkaar iets hebben. Ik zie dat bijvoorbeeld bij de politie, waar ik voor een nieuwe film oriënterende gesprekken voer. Wat hoor ik bij aspirant-agenten van een jaar of 22? Ze willen niet vanwege de status bij de politie werken, maar omdat ze graag een bijdrage willen leveren aan de veiligheid voor de burgers. Dat is toch geweldig interessant. Ik merk tijdens mijn werk vaak hoe ik mezelf betrap op vooroordelen. Als ik dat kan overbrengen aan de kijker, ben ik goed bezig.»

Het werkterrein van TV Dits omvat de «hele wereld»; van een vrouwengevangenis in Tadzjikistan tot allochtone kinderen in de Haagse Schilderswijk, van mondige carrièrevrouwen in de islamitische wereld tot een portret van de schrijver-diplomaat F. Springer — voor Van Ditshuyzen zijn het onderwerpen die met elkaar gemeen hebben dat onder het bekende beeld een andere laag ligt. «Dat is toch prikkelend! Onlangs las ik bijvoorbeeld in Die Zeit dat onderzoek heeft aangetoond dat werkende moeders vaak veel betere ondernemers zijn dan mannen. Juist door de combinatie van werk en kinderen zijn ze gevoeliger, efficiënter, sneller en beter. Dat is een totaal ander beeld dan door de media wordt geschapen, namelijk dat de veertigers heel wat aftobben met werk en kinderen. Vanuit de groep jonge vrouwen valt sociaal-economisch gezien een grote doorbraak te verwachten.»

«We zijn misleid»

De documentaire Buitenkans valt midden in de discussie over arbeidsmigratie die binnen Europa is opgelaaid. De Duitse minister Schily zei er onlangs voorstander van te zijn om economische immigratie op basis van wederzijds belang toe te laten. Ook in Nederland wordt daarover nagedacht. Voorstanders zeggen dat de stroom economische vluchtelingen die nu toch al naar Europa komt (en daarmee de procedure voor de echte vluchtelingen laat dichtslibben) zo beter in banen geleid kan worden. Tegenstanders menen dat dan een braindrain van de Derde Wereld wordt gestimuleerd. De nieuwe geschoolde arbeidskrachten zouden bovendien de lonen onnatuurlijk laag houden. Nog los van de vraag of het ethisch verantwoord is mensen van elders te halen om de westerse economie op peil te kunnen houden, blijkt het veel minder eenvoudig «een blik mensen» te importeren. Over dit thema werd deze week gedebatteerd, naar aanleiding van Buitenkans, in het Amsterdamse politiek-culturele café De Balie.

«Het was heel raar om naast blanke mensen te zitten die me omhelsden, dat ben ik niet gewend.» «Ik had het idee dat Europeanen ons niet als mensen zien.» «We zijn misleid, geïntimideerd, voorgelogen en beledigd vanaf de eerste dag.» Het zijn enkele uitspraken van de groep Zuid-Afrikaanse verpleegkundigen uit Buitenkans die aangeven hoe arbeidsmigratie totaal kan mislukken. Misverstanden, valse verwachtingen, verschillen in cultuur en opleidingsniveau vormden het patroon waarin goed bedoelde plannen al snel sneuvelden. Wat overbleef van de aanvankelijke bereidwilligheid elkaar te willen helpen, waren achterdocht en vijandigheid. Heimwee vormde de voedingsbodem waarop onlustgevoelens konden floreren.

Het idee leek zo prachtig: in Nederland schreeuwt de gezondheidszorg om verplegend personeel, terwijl elders in de wereld jonge verpleegkundigen na hun opleiding geen werk kunnen vinden of zelfs geen geschikte stageplek. Randstad Uitzendbureau besloot van de nood een deugt te maken door actief te werven in Zuid-Afrika, want behalve een grote werkloosheid onder verpleegkundigen zou de historische band met Nederland aanpassing vergemakkelijken. De eerste lichting van 33 Zuid-Afrikaanse jonge, zwarte verpleegkundigen, voor een deel afkomstig uit de townships, moest de voorhoede vormen van zevenduizend arbeidskrachten van buiten de Europese Unie. Ze zouden het begin markeren van een nieuwe generatie (geschoolde) gastarbeiders die met een tweejaarscontract aan de slag kunnen. De oplossing voor het nijpend tekort binnen de Nederlandse ziekenhuiswereld leek met dit project nabij.

Vanaf het begin zaten de camera’s van Ireen van Ditshuyzen er boven op. De eerste beelden tonen wikkende en wegende kandidaten die uiteindelijk besluiten de «buitenkans» te wagen. Geld en ervaring geven de doorslag om het beperkte toekomstperspectief voor henzelf en de (grote) familie ver van huis een positieve wending te geven. Op Schiphol nemen ze onhandig lachend de Hollandse hartelijkheid in ontvangst. Een deel gaat werken in het Haagse perifere Westeinde Ziekenhuis, een ander deel wordt ingezet in het Amsterdamse VU-ziekenhuis. In vijf weken worden ze klaargestoomd voor het echte werk. Nederlands leren, uitleg krijgen over het reilen en zeilen op de ziekenafdeling, het op orde maken van de gehuurde flats in de Bijlmermeer, instructies met betrekking tot de strippenkaart, de knoppen van de televisie, de locatie van de winkels, het aantrekken van de blauwe fleecejacks tegen de Noord-Europese kou, informatie over de Nederlandse gewoonten («De Nederlanders zijn nogal direct. Dat bedoelen ze echt niet kwaad») — alle inburgeringsstappen worden nauwgezet vastgelegd door de camera. In alle onwennigheid probeert iedereen elkaar zo vriendelijk mogelijk van dienst te zijn. Twee intercedentes van Randstad hebben de eerste vier maanden een volledige dagtaak aan het begeleiden van de nieuwkomers. Ze doen dat, zo registreert de camera, met oneindig veel geduld.

Maar het gaat al snel mis. De aanleiding vormt het contract: het beloofde salaris voor de periode van twee jaar is niet een netto maar een bruto bedrag, wat neerkomt op een normaal aanvangssalaris van 2600 gulden. Ook al is dat nog altijd meer dan het dubbele van de lokale honorering, de financiële misrekening werkt als een rode lap op een stier binnen de Amsterdamse groep. Op bijeenkomsten beraden ze zich op wat te doen. Niemand wil het contract tekenen, want «we zijn belazerd». «Waarom moeten we onvrijwillig pensioenpremies afstaan?» Ook valt de huurprijs van zeshonderd gulden per maand voor een keurig ingerichte driekamerflat tegen. De plek waar ze zijn ingekwartierd ervaren ze bovendien als een belediging, want «waarom moeten we in zo'n slechte wijk zitten met ongure types. Vast en zeker omdat we zwart zijn.»

En is dat begrip eenmaal gevallen, dan beginnen de achterliggende emoties hoog op te spelen. Het groepsproces dat volgt, maakt de documentaire uniek. Gewone dingen, zoals misverstandjes op het werk, taalonzekerheid, controle van afdelingscollega’s, worden vertaald naar politieke termen. «We laten ons niet kleineren.» «We mogen niks doen, we zijn niet achterlijk.» En: «We moeten munitie verzamelen om weerstand te bieden.» Spoedig valt alles tegen: de prijzen in de winkels, het werk waarbij ze veel minder technische handelingen mogen verrichten dan ze gewend zijn in eigen land («In Nederland is verpleegkundige meer een sociaal beroep, bij ons meer een technisch vak»), de sfeer op het werk.

Ook bij de ontvangende partij begint de lol ervan af te gaan. Je ziet ze denken: waren we er maar nooit aan begonnen. De collega’s op de afdeling ergeren zich, vrijwel onzichtbaar, aan de vergeefse energie die het kost om de twee werkculturen te overbruggen. De verhoudingen verslechteren zodanig dat uiteindelijk de Zuid-Afrikaanse ambassadeur en minister Borst eraan te pas moeten komen. Beiden zijn boos, de ambassadeur omdat hij het idee heeft dat zijn landgenoten worden misbruikt, de minister omdat ze geen vat op de zaak krijgt en onder ogen moet zien dat de hele onderneming een vulmiddel is voor de gaten in haar eigen beleid.

Wat een buitenkans voor iedereen had moeten worden, eindigt in desillusie voor alle partijen. Het best wordt dit geïllustreerd door twee jongens die, na een slechte beoordeling van het ziekenhuis, thuis in trainingspak voor de tv zitten te zappen. Ruim de helft keert huiswaarts. Bij de achterblijvers klinken, eenmaal losgeweekt van de sterke groepsgeest, voorzichtig wat positievere geluiden. Nu, een jaar later, zijn er nog zes overgebleven die het erg naar hun zin hebben.

De documentaire laat overigens niet zien dat de «match» in het Haagse Westeinde Ziekenhuis veel geslaagder is dan in Amsterdam. Een verklaring daarvoor kan zijn dat het perifere ziekenhuis een vriendelijker werkklimaat heeft dan de academische VU. En mogelijk ook dat het ziekenhuis, gevestigd op de kop van de Schilderswijk, een allochtone patiëntenpopulatie en vele gekleurde handen aan de bedden heeft. Randstad zegt achteraf: «Een stukje droom is uitgespat. We hebben veel geleerd. Misschien is het wel erg calvinistisch om te weten wat goed is voor een ander.»