Ik doe heel gewoon

Ik probeer de mensen met wie ik omga wel eens duidelijk te maken dat ik weliswaar een gevoelig sociaal wezen ben, maar dat ik tegelijkertijd een afschuw van mensen heb.
‘Alle mensen?’
Ja, alle mensen! Mensen zijn wezens die je moet mijden.

Al van jongs af aan heb ik gedragsmoeilijkheden. Ik kan heel netjes een handje geven, ik weet wanneer ik een hoed moet afnemen, ik kan met twee woorden spreken en weet hoe me te kleden, want mijn wiegje stond in Amsterdam-Zuid en mijn vader heeft altijd twee keer modaal verdiend. Maar toch heb ik me altijd onhandig met mezelf gevoeld.
Altijd keek ik op tegen mensen die zwierend door het leven gingen. Ze kwamen een cafe binnen en kusten de mooiste vrouwen, en die vrouwen wilden ook alleen maar met hen praten! Ze keken even een boek in, en haalden achten en negens voor hun tentamen. Ze waren vriendjes met de professor (‘Ik ga naar het zomerhuisje van Piet’) en neukten zijn dochter. In die tijd zat ik voor de spiegel met een beslagen bril mijn puisten uit te knijpen! En als ik dan op een feest was of in een cafe of in een restaurant of bij de hoogleraar thuis, dan moest ik raar doen! Zonder dat ik het wilde.
Zo heb ik, terwijl ik aanzat aan een officieel diner, per ongeluk overgegeven.
Zo kreeg ik een bloedneus tijdens mijn mondeling tentamen, waarna de hoogleraar flauwviel.
Op de begrafenis van een studievriend sprong de rits van mijn gulp en moest ik mijn broek ophouden, waarvoor ik me nog kan generen.
En nooit wist ik hoe ik moest doen.
Want hoe doe je gewoon? Doe je gewoon als je doet wat je wilt?
Ik ben op het ogenblik een soldaat in Srebrenica. Het is 5 mei. In Nederland worden de Canadezen ontvangen. Ik verveel me dood. Ik kijk uit over een mijnenveld. Mijn grootmoeder zeurt over haar kampverleden. Die had tenminste nog lol, dat zegt ze altijd. Mijn grootvader zat in het verzet en die zegt ook altijd dat de oorlog de mooiste tijd van zijn leven was. Ik zie wat kinderen uit Srebrenica lopen. Wat ga ik doen als normale gezonde Hollandse jongen? Ik ga die kinderen in het mijnenveld lokken. Met geld. Ik trek de aandacht van die kinderen en gooi dollarbiljetten en andere munten die ze niet hebben - want ze hebben niets - in dat mijnenveld. En dan maar wachten. Mijn is dijn. Dat wordt lachen.
En omdat ik daarna zin heb om wat te neuken, ga ik een meid uit het dorp nemen, want eigenlijk beschermen we die lui en mogen ze zich wel eens dankbaarder tonen. Vooral nu we hun kinderen ook nog eens geld hebben gegeven.
Zo zou ik me gedragen als ik gewoon zou doen. Want ik kan eigenlijk niet met de mensen opschieten. En ik hoef niet bang te zijn dat het zal uitkomen.
Er zal een onderzoek komen. Ik zal ondervraagd worden. Ik zal alles ontkennen, en later, omdat een vriend mij verraadt, zal ik vertellen hoe de werkelijkheid was. Dat die kinderen ons, met hun arme gezichten, aankeken. Dat ze met ons een spelletje wilden doen. Nou, waarom niet. Ze deden me aan mijn eigen kind denken, generaal. We speelden. Een soort ballen. Met muntjes. Toen kwam er een dollar in het mijnenveld terecht. Dat vonden ze heel spannend. Die kinderen. Wij wisten waar de mijnen lagen. Dus ik liet die kinderen zoeken. En die verkrachting? We hadden een verhouding. Het was geen verkrachting. Dat heeft ze later zo gezegd, omdat ze ook geld wilde, en toen zei ik: 'Dan ben je een hoer.’ Daarom heb ik haar toen ook geslagen. Dat zou mijn vader ook doen als mijn moeder een hoer bleek.
Ik doe gewoon.
Ik wou dat ik kannibaal was.