‘ik doe mijn werk’ ‘ik voel me niet prettig als ik als autoriteit behandeld word, die rol past me niet’

Na drie maanden de Spinoza-leerstoel in Amsterdam te hebben bezet, vertrok Richard Rorty vorige week naar huis. Op de valreep liet de even beroemde als bescheiden filosoof zich nog een gesprek over politiek en filosofie welgevallen.
EEN ‘GROTE GEEST’ tegen wil en dank. De Amerikaanse filosoof Richard Rorty voelt zich zichtbaar ongemakkelijk bij de loftuitingen die hem ten deel vallen en het aanzien dat zijn werk geniet. Met nauw verholen tegenzin voldoet hij aan de plichtplegingen die onontkoombaar zijn voor een filosoof van zijn kaliber. Liever werkt hij alleen en ongestoord in zijn kleine kamertje in het filosofiegebouw van de Universiteit van Amsterdam, waar hij tijdelijk de Spinoza-leerstoel bezet. ‘Als filosoof word je zo snel op een voetstuk gezet. Men verwacht dat je diepere of wijzere dingen te vertellen hebt dan andere academici. Ik voel me niet prettig als ik als autoriteit behandeld word, die rol past me niet.’

Een levenslange obsessie, noemt Rorty zijn offensief tegen de status van de filosofie. In 1979 zette hij de aanval in met zijn boek Philosophy and the Mirror of Nature, waarin hij de poging van de filosofie om de werkelijkheid te doorgronden tot een illusie uitriep. In Contingency, Irony and Solidarity (1989) stelt hij daar de ironie tegenover, een levenshouding van twijfel en openheid, met als enige uiteindelijke zekerheid dat hetgeen waar je voor staat noch met argumenten, noch met een verwijzing naar God of de moderne surrogaten van God zoals de Waarheid of de Natuur, verdedigd kan worden. Ook de twee delen van zijn Philosophical Papers (1991) zijn doordrenkt van zijn afkeer van filosofische grootspraak. Rorty kan niets met de pretenties van de filosofie om tot de ultieme waarheid te komen en verwerpt het klassieke verwijt van relativisme en nihilisme aan het adres van ‘postmodernen’ zoals hijzelf. Hij toont daarentegen aan dat we geen eeuwige en absolute waarheden over de Mens of de Wereld nodig hebben om tot een politiek standpunt te komen dat hoop op een betere wereld biedt.
De betere wereld die Richard Rorty voor ogen heeft is een wereld zonder wreedheid. Van alle politieke systemen is de sociaal-democratie volgens hem het meest succesvol geweest in de strijd tegen wreedheid. Hoewel vele filosofen, net zozeer als Rorty zelf, deze politiek ondersteunen en daar in hun werk veel aandacht aan besteden, meent Rorty dat de filosofie nauwelijks iets wezenlijks heeft bijgedragen aan het totstandkomen van de democratie: 'Het enige verband dat ik zie is dat een democratische samenleving behoefte heeft aan een filosofie waarin geen enkele bovenmenselijke autoriteit erkend wordt behalve de vrije consensus van mensen onder elkaar. Pragmatisme, wat sommigen ook wel postmodernisme noemen, is voor mij het besef dat wij als mensen er alleen voor staan, het zonder God of waarheid moeten zien te klaren.’
DEZE OPVATTING IS voor het eerst onder woorden gebracht door Nietzsche, voor Rorty hèt bewijs dat men filosofen niet op hun politieke opvattingen moet beoordelen. Nietzsche was namelijk een fervent antisemiet, antidemocraat en antifeminist. Rorty: 'Nietzsches visie op waarheid en kennis was voor de ontwikkeling van de filosofie van enorm belang, maar dat neemt niet weg dat hij verwerpelijke politieke ideeën had. In mijn beoordeling van hem als filosoof wil ik die twee dimensies uit elkaar houden.’
Zo wil Rorty ook zelf bekeken worden: 'Het is zo'n typisch Europese gewoonte om telkens naar de politieke relevantie van een filosofisch werk te vragen. Geërfd van het marxisme, neem ik aan. Daar kan van geen enkele cultuuruiting sprake zijn die niet in verband wordt gebracht met de economische situatie. Die geforceerde poging om alles in een logisch verband te plaatsen, wordt al snel belachelijk. Als ik iets over politiek zeg, is dat niet de opinie van een filosoof, maar van een burger, een burger die zich verzet tegen wreedheid en onvrijheid. Daar is niets ongewoons aan.’
RORTY ZIET IN het ontwikkelen van betrokkenheid met de lijdende medemens de enige mogelijkheid om wreedheid en onvrijheid een halt toe te roepen. Het is het besef van je eigen kwetsbaarheid waarom je je het leed van anderen aantrekt en ze betrekt in de groep van 'mensen zoals wijzelf’. Deze vorm van solidariteit staat volkomen los van elke filosofische beschouwing over de mensheid in het algemeen of over een gemeenschappelijk en wezenlijk menselijk kenmerk.
Rorty hierover: 'Met woorden en theorieën over de mens alleen zijn we niet in staat om onszelf in andere mensen te verplaatsen. Ik denk dat het nog steeds belangrijk is om leed levend te maken, te visualiseren. De media confronteren ons nu met afschuwelijke beelden van menselijk leed, en dat is politiek zeer nuttig. Door het concrete leed te tonen van een zwarte familie die in Zuid-Afrika uit haar huis wordt gezet, of van Chinese boeren die van hun land weggespoeld worden, zien wij in dat deze mensen “mensen zoals wijzelf” zijn, leden van eenzelfde wereldgemeenschap. De beelden spreken ons aan en dat alleen maakt het mogelijk om actie te ondernemen.’
Ondanks zijn overtuiging dat solidariteit helpt om wreedheid de wereld uit te helpen, is Rorty niet erg optimistisch. 'Volgens mij is de wereldsituatie nooit zo explosief geweest als nu. Ik zie niet in hoe de problemen opgelost kunnen worden. In grote delen van de wereld, zoals Rusland, China en veel landen in Afrika, hebben misdadigers de touwtjes in handen en worden de mensenrechten met voeten getreden.’
Om deze problemen op te lossen is politiek overleg nodig. Wil er sprake zijn van waarlijke communicatie, dan is het zaak om ook onze gesprekspartners als 'mensen als wijzelf’ te beschouwen. Maar hoe overleggen we met de politieke misdadigers die zoveel slachtoffers maken? Rorty: 'Daar praat je niet mee, die moet je aanpakken. Ik ben geen pacifist. Als er een Hitler opstaat, moet je oorlog voeren. Tegen een apartheidsregime moet je gewapend verzet organiseren. Het maakt me niet uit wat je met zulke misdadigers doet, of je ze levenslang opsluit of de dood in jaagt. Ze moeten gestopt worden, hoe dan ook.’
Zijn deze mensen dan geen 'mensen zoals wijzelf’? Rorty hierover: 'De poging om ook moordenaars te zien als broeders is niet te vertalen in een algemene doelstelling. Wanneer je een gevoel van globale gemeenschapszin wilt creëren, zijn er altijd groepen die er, terecht, buiten vallen. Als je zegt dat de Chinezen en Afrikanen leden zijn van dezelfde wereldgemeenschap, zeg je dat zij dezelfde dromen, angsten en menselijke relaties hebben als jijzelf. Als je Algerijnse fundamentalisten treft die mensen onthoofden en in brand steken, dan kun je niet met goed fatsoen zeggen dat zij dezelfde nobele motieven hebben.’
TOCH UIT RORTY in zijn lezingen en boeken telkens weer de hoop op een betere wereld, hoop op een wereld met minder wreedheid. Hij prijst de vooruitgang in onze wetgevingen, die mensen meer vrijheid geeft, zoals de afschaffing van de slavernij, de afschaffing van het verbod op homoseksualiteit, en het criminaliseren van verkrachting binnen het huwelijk. 'Als je je aandacht beperkt tot de Eerste Wereld, als we de Eerste Wereld konden isoleren van de rest van de wereld, was er reden om optimistisch te zijn. Maar we hebben wel degelijk te maken met de problemen die zich voordoen in Rusland, China en Afrika. Zoals het er nu naar uitziet, denk ik niet dat het veilige westerse wereldje nog lang heel kan blijven.’
Een stap in de goede richting vindt hij de Europese Unie. 'In Amerika is het federalisme een groot succes gebleken. Er moest wel oorlog gevoerd worden om zoiets onmenselijks als de slavernij af te kunnen schaffen, maar in het algemeen beperkt het juist onderlinge conflicten. Het is een geslaagde poging tot samenwerking. Voor Europa lijkt dat me het voor de hand liggende alternatief. De Europese volkeren en landen hebben zo lang en heftig met elkaar in de clinch gelegen; het voeren van oorlog lijkt wel een Europese gewoonte te zijn. Als men de handen in elkaar slaat zou je daar voorgoed vanaf zijn. In een verenigd Europa krijgt een nieuwe Hitler niet de kans om aan de macht te komen.’
Dat veel mensen zich zorgen maken over de Europese Unie omdat het erop lijkt dat de economie en het geld voorrang krijgen, en het sociaal beleid op de achtergrond dreigt te raken, wimpelt hij af. 'Dat gevaar bestaat natuurlijk, maar als je iets wilt doen aan de macht van multinationals kun je beter een groot en machtig politiek samenwerkingsverband hebben dan dat je daar als klein onbetekenend landje het hoofd aan zou moeten bieden. Ik snap het probleem niet zo. Ikzelf zou er heel wat voor over hebben om tot de sterkste economische macht van de wereld te behoren.’
Ook het feit dat er in Europa sprake is van tientallen verschillende talen hoeft volgens Rorty geen enkel probleem te zijn. Dit is typisch, omdat hij zelf in zijn werk zo de nadruk legt op het belang van een overeenstemmend 'vocabulaire’, eenzelfde manier van denken en spreken, waardoor communicatie en het maken van eenduidige afspraken mogelijk is. 'Europa heeft wel veel verschillende talen, maar een gemeenschappelijke cultuur. Men kijkt, al dan niet met ondertiteling, naar elkaars tv-programma’s, men leest al dan niet vertaalde uitgaven van dezelfde boeken. Dan kun je niet meer van verschillende vocabulaires spreken. De tijd is voorbij dat je bepaalde dingen in het Engels kon denken en niet in het Frans of Duits. Taalgrenzen doen er steeds minder toe. Er is volgens mij geen taalprobleem.’
Toch valt het te betwijfelen of we in Europa inderdaad een gemeenschappelijke cultuur hebben. Het verschil tussen het Noorden en Zuiden van Italië is al immens. Rorty vergelijkt dit met de culturele verschillen die in Amerika ook niet onoverkomelijk bleken: 'De slaveneconomie van het Zuiden had niets gemeen met de handelseconomie in het Noorden. Ook was men totaal anders opgeleid. De cowboys in het westen waren zelfs helemaal niet opgeleid. Toch is juist het federalisme in staat gebleken deze verschillen te overbruggen.’
ALS RORTY, DIE toch regelmatig politieke commentaren publiceert, dan echt geen heil ziet in het nut van de filosofie voor politiek, waarom is hij dan filosoof en geen politicus? 'Je rolt in het ene vak en na een tijdje beheers je geen ander kunstje meer. Ik zou geen politieke speech kunnen houden, want ik neig ertoe in paradoxen en met ironie te spreken. Dat is geen duidelijke taal; dan kan ik maar beter filosoof blijven. Daar heb ik vrede mee. Het is toch ook niet zinloos om kunstenaar te zijn? Als filosoof breng je je leven door met het herschikken van filosofische ideeën; een kunstenaar creëert op zijn manier nieuwe patronen. Het is geen ramp als je werk geen invloed heeft op iets anders. Het is een prettige activiteit in zichzelf, dat is genoeg voor mij.’
De invloed die een denker kan hebben op politiek en samenleving is volgens Rorty een kwestie van toeval. De gehele loop van de geschiedenis wordt volgens hem bepaald door een opeenvolging van fortuinlijkheden en onfortuinlijkheden: 'Eens in de zoveel tijd komt er iemand op met waarlijke originaliteit en een krachtig voorstellingsvermogen. Het zijn de daden en eigenschappen van enkele individuen die bepalen in welke richting de dingen gaan zoals ze gaan. Als Picasso niet die persoon was geweest die hij nu eenmaal was, zou er geen enkele noodzakelijkheid zijn, die bepaalt dat de kunst zich zou ontwikkelen zoals is gebeurd. Dit geldt ook voor politici en filosofen.’
Geldt dit ook voor Rorty zelf? Originaliteit is een vereiste, zegt hij zelf. 'Ik heb wel eens gezegd dat ik nooit een origineel idee heb gehad. Ik pik ideeën die ik opdoe uit filosofieboeken en romans en schik ze in een nieuw patroon bij elkaar. Dat zou je originaliteit kunnen noemen, als je wilt. Want het kan een frisse blik op de wereld veroorzaken. Maar ik heb het proces of mijn werk al of niet aanslaat bij lezers niet in de hand. Het schijnt nogal aan te slaan, maar daar ben ik niet mee bezig als ik aan het werk ben. Ik vind het eigenlijk nogal verrassend allemaal.’
RICHARD RORTY voelt zich als filosoof eerder verwant met de kunst en de literatuur dan met de politiek. Hij is niet geïnteresseerd in succes. Evenmin heeft hij de ambitie om een bepaalde boodschap over te dragen of een bepaalde zienswijze te prediken. Hij doet gewoon zijn werk, en ziet wel hoe dat ingepast wordt. 'Als ik een lezing moet houden, vraag ik me niet af of ik echt iets waardevols te zeggen heb, iets wat gezegd móet worden. Het enige wat ik doe, is nagaan of ik nieuwe ideeën heb die ik nog niet eerder heb opgeschreven. Ik denk dat iemand zijn leven lang boeken kan schrijven of schilderijen kan maken, maar dat het pas mogelijk is voor mensen die ná je komen om terug te kijken en er iets interessants over te zeggen. Dit is niet mogelijk voor de kunstenaar of filosoof zelf. Je kunt jezelf niet in een context zetten en tegelijkertijd gewoon je werk doen. Dat is aan anderen. Ik bedenk van tevoren niet of hetgene wat ik te zeggen heb de moeite waard is, dat laat ik graag aan anderen over om achteraf te beoordelen.’
Het is ook aan anderen om te bepalen hoe hij zich voelt en wat voor iemand hij is. Dat laat hij graag aan zijn vrouw over. 'Ik kan je echt niet vertellen wat voor mens ik ben. Dat moet je maar aan mijn vrouw vragen. Mensen die je na staan hebben vaak een beter inzicht in je persoon dan jijzelf. Dat geloof ik oprecht.’