Ik doe veel goed

Over de gehele wereld heb ik viool gespeeld - en ik vertel dit heus niet om op te snijden. Mijn auditorium was vaak niet om trots op te zijn, zou je zeggen. Wat vindt u bijvoorbeeld van het concert dat ik in mei 1963 in de staatsgevangenis van Oklahoma gaf voor een gezelschap van verkrachters en moordenaars? Zij waren tot tranens toe geroerd.

Het gold trouwens ook voor de slachtoffers van het gijzeldrama op de Achilla Lauro, die ik met het vioolconcert van Johannes Brahms naar beste vermogen trachtte te troosten.
Kortom, geen mens, arm of rijk, heerser of knecht, voor wie ik niet bereid was om mijn viool uit het foedraal te halen. En toen ik uit het blad Nature vernam dat planten sneller groeien en bloeien dank zij Wolfgang Amadeus Mozart, verlegde ik mijn repetitieruimte, weer of geen weer, onmiddellijk naar Gods vrije natuur. Maar laten wij zwijgen over het verleden. Gisteren, na al die rampberichten via de radio, nam ik meteen een retourtje Londen om die vierenzestig miljoen kalveren bij het plaatselijke abattoir op te wachten. Ik aarzelde even tussen het slotkoor uit de Johannes Passion en de ouverture Tannhauser.
Neem ik door dit soort van leven, met al zijn spontaniteit, een morele stellingname in? Ik hoop van niet. Er is geen begrip dat ik zo verafschuw als ‘geengageerde kunst’. Wij artisten moeten van alle markten thuis zijn, maar mogen nooit met alle winden meewaaien, vindt u niet?