interview Amira Hass, joods journalist in bezette gebieden

«Ik draag de leegte met me mee»

Amira Hass is de enige joods-Israëlische journalist die nog permanent woont en werkt in de bezette gebieden. Aan de vooravond van een bezoek aan Nederland, waar ze enige tijd woonde, sprak De Groene Amsterdammer met haar.

«Ik werk in de veronderstelling dat mensen willen weten. Anders kan ik beter stoppen met schrijven. Als journalist is het mijn taak om mensen te informeren. Het is mijn taak om het centrum van de macht te controleren. En in mijn analyse is Israël in dit conflict het centrum van de macht. Ik word niet gedreven door het aantal mensen dat mijn artikelen leest, maar door de noodzaak om te vertellen. Ik wil een spiegel zijn, een soort bemiddelaar, want ik zie wat mijn lezers niet zien. En het gaat over ons. Het gaat over Israël als ik schrijf welke vernielingen het leger na de laatste inval heeft aangericht in Ramallah. Dan vertel ik mensen over hun eigen familie, over hun kinderen of over hun buren.»

Amira Hass probeert de ogen te zijn van Israëlische lezers die nog willen weten wat er werkelijk in de Palestijnse gebieden gebeurt. Ze werkt in Israël voor het liberale dagblad Ha’aretz. Al acht jaar woont en werkt ze in de bezette Palestijnse gebieden. Aanvankelijk woonde ze in Gaza om verslag te doen van de vorderingen van het Oslo-vredesproces, later ging ze naar Ramallah. Ze is de enige joodse journalist die permanent als correspondent in de bezette gebieden verblijft. De anderen komen er nauwelijks meer of bezien de toestand alleen vanuit een legerjeep. Het Israëlische leger heeft de joodse bevolking het verbod opgelegd om naar Palestijns gebied te gaan. Om die reden werd Hass in april door het leger gearresteerd toen ze ooggetuigenverslagen probeerde op te tekenen over de gebeurtenissen in Jenin.

Over haar ervaringen in Gaza schreef Hass in 1996 het boek Drinking the Sea at Gaza (in het Engels vertaald in 1999), een verslag van de almaar verslechterende leefomstandigheden van de Palestijnen. Terwijl de rest van de wereld in de veronderstelling verkeerde dat het vrede zou worden, duurden de verstikkende afsluitingen als reactie op terroristische aanslagen voort. De Israëlische bezetting is nooit weggeweest en de kloof tussen beide bevolkingsgroepen groeit in adembenemend tempo, schrijft ze.

Hass’ werk is controversieel. Ze wordt bejubeld en beschimpt. Ze krijgt veel positieve reacties uit de Arabische wereld en van Pale stijnen. Er is een (joodse) Amira Hass-fanclub (te vinden via USAJewish.com) die T-shirts met haar afbeelding en stickers met de tekst «Amira you is my woman now» verkoopt. Op de shirts is het hoofd van Hass — met bril en al — geplakt over dat van de als wulpse furie afgebeelde «vrijheid» van het beroemde schilderij van Delacroix: La Liberté menant le peuple. Maar er zijn ook oproepen om haar te ontslaan, scheldpartijen en doodsbedreigingen. Haar werk en persoon worden voortdurend aangevallen. Amira Hass: «Het is soms lastig als je iets schrijft en zoveel mensen vinden dat het beter niet geschreven had kunnen worden, als mijn integriteit in twijfel wordt getrokken of de waarheid van mijn verslagen. Het is een bedenkelijk soort bevrediging als anderhalf jaar nadat ik erover schreef allerlei politici het excessieve geweld in twijfel trekken.

Vóór alles komt de kloof tussen Israëliërs en Palestijnen voort uit een bezetting. Uit het gegeven dat de ene partij de andere domineert. De jaren van het Oslo-vredesproces hebben deze situatie niet wezenlijk veranderd. Israël is de soevereine macht, ook over het Palestijnse gebied — met of zonder beperkt zelfbestuur. Vanuit deze ongelijkheid zijn er totaal tegenovergestelde percepties van de werkelijkheid ontstaan. De Palestijnen geloven dat de intifada een reactie is op de bezetting. In Israël gelooft men dat de Palestijnen hen zonder reden hebben aangevallen juist op het moment dat Ehud Barak, de vorige premier, hun het beste voorstel ter wereld deed. De Palestijnen zijn de agressors, is de Israëlische conclusie. Door de Palestijnen wordt iedere terroristische aanval in Israël gezien als een gerechtvaardigde of begrijpelijke reactie op het blijven doden van Palestijnen. Israë liërs zien de terreur als een bewijs dat de Palestijnen hen uit Israël willen verjagen.

De Palestijnen maken dagelijks mee dat er onschuldige slachtoffers vallen; de Israëliërs zien dat niet. Als ze er wél van weten, heet het ‹vergissing›, of ‹geen opzet›. De Palestijnen concluderen daaruit dat Israël niet tegen terrorisme strijdt of zijn burgers wil beschermen, maar een geheim plan uitvoert om alle Palestijnen te verdrijven. Er is een situatie ontstaan waar twee volkeren naast elkaar leven, maar elkaar absoluut niet verstaan. Niet iedereen wil van die onwetendheid af. Het is makkelijker om een verkeerde voorstelling van zaken te aanvaarden als je de werkelijkheid niet kent.

Ik ben niet objectief, zoals mensen graag zouden zien. Ik ben deel van het conflict. Net als mijn Israëlische collega’s die hun dienstplicht vervullen in de bezette gebieden. Geen van ons is objectief. Als ik in Ramallah ben, loop ik het gevaar door een Israëlische granaat te worden geraakt. En als ik in Jeruzalem ben loop ik de kans slachtoffer te worden van een terroristische aanslag. Ik kan dus niet neutraal zijn. Sterker nog, het gaat over de toekomst van mijn joodse samenleving. Maar nu ik zo lang in de Palestijnse gemeenschap leef, maak ik me ook persoonlijk zorgen om hún toekomst. Ik zie de kinderen van mijn Palestijnse vrienden zoals ik ook kinderen in Israël zie. In die zin gaat het niet alleen over journalistiek. Ik ben geen Nederlandse journalist die het na vijf maanden voor gezien houdt, zijn spullen pakt en vertrekt. Ik heb de zeldzame mogelijkheid om in deze twee werkelijkheden te verkeren, de werkelijkheid van twee gemeenschappen die me aan het hart gaan.

Mijn ouders waren nooit zionisten en ze keerden als overlevenden van de holocaust terug naar Oost-Europa om mee te bouwen aan een socialistische maatschappij. Mijn vader overleefde het getto in Roemenië, mijn moeder overleefde Bergen-Belsen. Twee of drie jaar na de holocaust vonden ze zichzelf terug in Israël. Ze hebben me uitgerust met bruikbare instrumenten om in deze situatie te kunnen functioneren. Als overlevenden van de holocaust, als trotse joden én als communisten met een kleine c, communisten in de zin dat ze de gelijkheid van mensen koesteren. Dat is een waardevolle uitrusting. Toen ik vijf was heb ik gevraagd waarom ze naar Israël waren gekomen. Daar konden ze eigenlijk geen antwoord op geven. Pas toen ik in Amsterdam woonde, heb ik dat begrepen.»

Amira Hass woonde in de jaren tachtig twee jaar in Nederland. Daar begreep ze voor het eerst hoe Europa een grote begraafplaats voor het hele joodse verleden was geworden. «En hoe de samenlevingen in Europa dat bijna als een vanzelfsprekend verschijnsel zagen», zegt ze. «Dat mensen die tweeduizend jaar in Europa hadden geleefd van de aardbodem waren verdwenen. Ik was geobsedeerd door deze kwestie. Ik woonde in de Valeriusstraat in Amsterdam en stukje bij beetje hoorde ik verhalen van onderduikers die ontdekt waren en verdwenen. Ik begreep dat het vacuüm dat de overlevenden aantroffen toen ze terugkwamen, onverteerbaar voor ze was.

Het was een bittere gewaarwording. Ik raakte daar werkelijk door geobsedeerd, iets wat ik nu geloof ik niet meer zou kunnen zijn. Ik redeneerde dat ik, nu ik in Amsterdam woonde, ook alle joodse plekken moest kennen. Ik had een plattegrond met alle belangrijke plaatsen, die ik de niet-toeristische kaart van Amsterdam noemde. Ik zag oude foto’s van een leven dat was verdwenen. En ik wist wat er met die mensen was gebeurd. Die leegte werd zeer tastbaar voor mij. Onderwijl ging het gewone leven van de anderen door. Er is geen reden waarom dat niet door zou gaan. Het toont hoe mensen langs de leegte kunnen leven, terwijl anderen haar wél ervaren. Dat is waarom ik Nederland heb verlaten. Ik kon er niet langer blijven. Ik leefde de leegte. De Nederlanders niet.

Het is méér dan zwijgen. Het is jouw leven niet, je ziet het niet eens. En dat is wat me tot vandaag gek maakt. Dát is mijn erfenis. Ik draag deze leegte met me mee. Ik kan me niet voorstellen dat er zo’n enorm gat is waar de één in verkeert en de ander aan voorbij leeft. Negeren aan de ene kant en pijn aan de andere kant. Parallel aan elkaar.

Dat is wat me ook in Israël voortdrijft, zonder dat ik een vergelijking wil maken. Er is geen vergelijking. Maar mijn keus om onder de Palestijnen te leven komt deels hieruit voort. Ik kan het gemak waarmee sommigen aan onrecht voorbij leven niet tolereren. Die leegte waarin verlies wordt veroorzaakt, is typerend voor een dominante samenleving, Het is een van de instrumenten van overheersing.»