Ik droom over japanners

Mijn moeder is tachtig en heeft af en toe last van de oorlog, wat ze op een nogal komische manier uit. Ze slaapt, droomt dan eng, en begint vervolgens te schreeuwen als een kind.
Tachtig jaar, en ik hoor hoe ze geklonken moet hebben toen ze vier of vijf was.
Mijn broer en ik konden vroeger ons lachen niet houden als we dat ‘s nachts hoorden. Bij dat geschreeuw hoorden we dan ook mijn vader. Hij noemde mijn moeder 'moesje’, zodat we uit de ouderlijke slaapkamer naast het gegil voortuderend: ‘Rustig nou maar moesje, word maar wakker’, hoorden.

Dat deden we dan na.
Mijn vader noemde mijn moeder alleen moesje als wij er niet bij waren.
Later riep mijn vader ons er wel eens bij als mijn moeder weer een aanval had, want ze kon nogal tekeergaan en dan moesten we zorgen dat ze zichzelf of een ander niet verwondde. Mijn vader hield dan mijn moeders polsen vast, want daar was ik te jong voor. Ik moest zorgen dat ze niet uit het bed viel. Mijn broer mocht met een nat washandje langs haar bezwete hoofd wrijven terwijl hij dan riep: ‘Mama, wakker worden.’
Soms had ze een aanval met open ogen - maar dan keek ze niet. Het is een blik die niet goed te beschrijven valt.
De menselijke geest is raar; mijn moeder 'ontwaakte’ altijd plotseling. Ze was ineens terug - hier en nu. En als mijn vader en ik en mijn broer dan gek deden, dan moest zij ook lachen met een verlegen gene.
'Ik deed zeker weer raar.’
Mijn vader gaf haar dan een slokje drinken, en wij gingen naar bed, nadat we onze ouders weer welterusten hadden gekust.
De menselijke geest.
Er waren wel eens dubbeldromen. Zo werd mijn moeder een keer gek van angst wegens een droom van een hond die haar verscheurde. Ze ontwaakt ineens. Vertelt de droom. En vervolgens droom ik van die hond.
Zo heb ik nog nooit een Japanse soldaat gezien. Ik weet niet wat het Japanse uniform is. Ik heb zelfs nauwelijks een plaatje gezien van een Japanse kampcommandant. Toch droom ik, geboren in Amsterdam in 1953, zelfs met enige regelmaat over soldaten, kampen, honger en Japanners. Niet erg, alleen gek.
Wat ik ook vreemd vind, is dat ik niet precies weet hoe en waar mijn vader in het kamp heeft gezeten. Ik weet een paar dingen van hem. Bijvoorbeeld dat mijn vader een keer ingegraven heeft gezeten (dat was een straf, je moest een kuil maken, daar in gaan staan, dan werd die kuil weer dichtgegooid zodat alleen je hoofd boven de grond uitstak) en toen heeft een Japanse soldaat op zijn kop gepiest.
Mijn vader vertelde dit verhaal lachend.
En ik lachte met hem mee.
Ook vertelde hij dat er onder het kedek (zo heet in Indie de gevangenismuur) een hond was doorgekropen. Mijn vader aaide die hond. Dat zag een Japanner en toen werd die hond opgehangen terwijl mijn vader gedwongen was te kijken.
Dat vond ik een zielig verhaal. En daar moest ik om huilen.
Ik heb mijn vader wel honderd keer gevraagd dat verhaal steeds weer opnieuw te vertellen.
Veel verhalen vertelden mijn ouders niet. Mijn zuster kent er wat, en die heeft ze ons onlangs verteld.
Mijn moeder zegt voortdurend: 'Als je wat wilt weten, vraag het dan maar.’
Wat moet je vragen?
Ik vroeg laatst: 'Wat vind je nu het ergste van de oorlog. Nu, na al die jaren?’
Ze zei: 'Mijn dromen. Het is waar. De oorlog heeft geen vijf jaar geduurd, maar vele jaren langer als je al die dagen bij elkaar telt dat ik rot heb gedroomd en daar de dag erna nog naar van ben.’
'Wat was je ergste droom?’
Maar die vertelt ze niet. Die schijnt, net als de oorlog destijds, toch te erg geweest te zijn.
Gelukkig kan mijn moeder niet dromen over haar dromen.