Ilja Pfeijffers Dolores

Ik druip in jouw naam

Twee jaar geleden veroorzaakte Ilja Leonard Pfeijffer ophef door in literair tijdschrift Bzzlletin te beweren dat «onbegrijpelijke poëzie altijd beter is dan makkelijke poëzie». Tevens beweerde de dichter/classicus dat «wat gewoontjes is nimmer zal overweldigen, alleen het sublieme overweldigt». Hij ontlokte er felle reacties mee in dag- en weekbladen. Groene-medewerker Piet Gerbrandy, zelf ook dichter en classicus, legde in de Volkskrant uit dat Pfeijffer zijn hand overspeelde. Anderen waren explicieter: «Die Pfeijffer is gewoon een hypocriete zak», schreef de recensent van het Nieuwsblad van het Noorden en in NRC Handelsblad beweerde Pieter Steinz dat Pfeijffer «leugen op leugen» stapelde om zo «twee groeperingen uit zijn duim te zuigen». Uiteindelijk belandde Pfeijffer op bruine sokken in een boksring, waarin hij voor het oog van de televisiecamera van Nova de strijd aanbond met Serge van Duijnhoven, een collega-dichter voor wie verstaanbaarheid en «performance» belangrijke ingrediënten zijn van goede poëzie.

Inmiddels was Pfeijffer al bekend als dichter. Want al stond er destijds slechts één dichtbundel op zijn naam, hij had actief campagne voor zichzelf gevoerd om de Nationale Hofdichter te worden. In beide kwesties viel Pfeijffers zelfverzekerdheid op. Pfeijffer zelf: «Een gebrek aan zelfvertrouwen is een karakterfout die ik niet bezit.» Zijn ambitie, talent, lef en arrogantie leidden in vier jaar tijd tot de publicatie van een lezenswaardige en goed verkopende korte literatuurgeschiedenis van de klassieke oudheid, een 750 pagina’s tellend proefschrift over Pindarus, drie dichtbundels en een roman. Elsevier sprak afgelopen maand zelfs van «de onstuitbare opmars» van de dichter.

De twee hier besproken boeken vormen de zijpanelen van een vierluik dat Pfeijffer de Steppoli-tetralogie heeft gedoopt. De roman Rupert bracht de nieuwbakken romancier opnieuw in de nieuwskolommen van de dagbladen omdat hij zich zou hebben bezondigd aan plagiaat. Er zou wat al te nadrukkelijk en zonder bronvermelding zijn gestrooid met flarden van T.S. Eliots Waste Land. Een constatering waar de auteur, die het intertekstuele gebaar niet schuwt, luidruchtig om moest grinniken. In het lauwe poëzieklimaat van Nederland ziet Pfeijffer nooit eens een dichter «die zegt dat het één beter is dan het ander». Op deze pagina’s onttrekt René Puthaar zich aan die voorzichtigheid, en doet hij verslag van zijn worsteling met Dolores, een dichtbundel waarin lustig wordt gesjord en gepompt in het vaarwater van Catullus.

Ilja Pfeijffer

Dolores

Uitg. De Arbeiderspers, 96 blz., € 10,00

Stel, je schrijft iets over intertekstualiteit bij Ilja Pfeijffer. De te beschouwen bundel heet Dolores. Dolores? Is de vergezellende roman Rupert niet gemodelleerd naar Nabokovs Lolita? Lolita’s naam is Dolores Haze. Het bloedstollendste gedicht over la femme fatale, geschreven door Swinburne, heet ook Dolores. Wat zou haar relatie zijn met de oerdichter van de fatale liefde, de goddelijke Catullus? Misschien de passage, uit Lolita, waarin Humbert Dolores’ gaven bezingt, om dan te verzuchten: «that Lolita, my Lolita, poor Catullus would lose forever?» Waarin Dolores Lesbia wordt, en de verteller Catullus? Is haar naam daarom naar het Latijn van «dolor» gevormd, de woordstam die Swinburne in zijn ondertitel («Notre-Dame des Sept Douleurs») markeert?

Afijn, voor je het weet ben je afgedwaald en neuzel je over de betekenis van Swinburne voor Lolita.

Bovendien, voor je het weet, vergeet je dat Pfeijffer jongleert met citaten uit het werk van goddelijke schrijvers, maar zelf een charlataneske woordkramer met valse papieren is. De woordkramer laat om de haverklap zijn borst uitdijen, liefst op het centrale marktplein van de literaire republiek. Daar smult het publiek van zijn verbale potpourri’s en ratatouilles. Het duizelt de meute bij zoveel geronk, gehijg, geratel en gebalk. Wat een bard! Hoe authentiek! En het is toch ook net echt? Want een dichter, dat is toch iemand met woeste haren en de borst op slagschiphoogte? Iemand die orgelt met woorden? Iemand die een doodnormale, veuls te banale zin door een overdadig gebruik van synoniemen, inversies en bijvoeglijke naamwoorden tot een overrompelende volzin kan opblazen, een oerzinnelijke zin die geurt en ademt en steunt en dondert?

De heldin van Dolores, gemodelleerd naar Catullus’ Lesbia, is alleen dichterlijk van vlees en bloed. J.P. Guépin heeft ooit terecht de «ware autonomie» van de klassieke poëzie geprezen: Catullus noemde zijn heldin Lesbia omdat zijn gedichten (terwijl zijn liefde door de nymfomane Clodia was bedrogen) werden beademd door het verrukkelijke voorbeeld van Sappho. Jaren na Luceberts Aan Lesbia plaatst Pfeijffer zijn Dolores ook in het vaarwater van Catullus, maar ach, zie eens hoe hij haar introduceert:

en maar want toen ik jou toen ik jou zag zitten

leunen en liggen in jouw weergaloze jij-vorm

met het pronte volrijm van jouw deinend distichon

op het dwingend strakke metrum van jouw maten

Deze vrouw is gemaakt van poëzie, wil Pfeijffer zeggen. Maar hij klinkt als een gepensioneerde consul, een dirty old man, die op de veranda van zijn tweede huis is opgehitst door de rondingen van een Toscaans herderinnetje. Van liefde is geen sprake. «Wat ben je toch een mallerd», lacht zijn vrouw als de man zijn vrijmoedige gerijmel opbiecht. «Énig, dat begin, dat is van Kees van Kooten, hè?»

Inderdaad, en ook met Joop Braakhekke loopt Pfeijffer weg:

en ik wil je dubbel onderstrepen nu en romig opkloppen

tot een knalframbozenfuifsoufflé van veertienhonderd meter

En met Bertus Aafjes, in diens kostelijke uitdossing als pornograaf:

zij strijkt zich stralend con vibrato op zijn huid

en bespeelt zijn kleppen en pistons o virtuoso hij rijst

als een kolom van een ongehoord akkoord

dat schreeuwt om in crescendo opgelost te worden

Tot welke kluchtige hoogten zou erotische poëzie kunnen worden opgevoerd, als een kolom van een ongehoord akkoord dat schreeuwt? Ook Cor Boonstra, die tegenwoordig niets beters te doen heeft, dicht een woordje mee:

en jij zag mijn aandeel als optie mijn vraag

naar jouw aanbod met winstoogmerk dus nam je mij

over met kille efficiency om mij onder te brengen

in de sterfhuisconstructie van jouw hooghartig

en vanzelfsprekend dolores zijn

Wat Sappho voor Catullus was, is Jan Kuitenbrouwer voor Ilja Pfeijffer. Daarvan getuigen talloze staaltjes turbotaal als «teleurbier», «excuusbekenden», «marteljurkje» en «hola bola beuzelblaat». Ik geef toe: het klinkt heel eigentijds, heel vlot.

In het negende gedicht tracht Pfeijffer zijn rijstebrij te zouten met de naam van Lesbia, want nog eens: de aan Catullus ontleende motieven in Dolores zijn talrijk. Op dat punt aangekomen erkende ik voluit dat men slechte literatuur als een persoonlijke belediging kan ervaren. Vooral wanneer die literatuur zich dierbare dingen toe-eigent op een wijze die harteloos, gemakzuchtig en brallerig is. Blijf af, met je kleverige poten! wilde ik roepen; maar Ilja is een Heuse Classicus, dus dan roept men zoiets niet.

De kleverigheid licht ik toe. In het voorlaatste gedicht is het, bij afwezigheid van Dolores, aftrekken geblazen met behulp van wat porno. In Met de hand heeft Rob Schouten ooit een mooie verzameling masturbatiepoëzie bijeengebracht. Aan een vervolg daarop draagt Pfeijffer alvast bij:

verwoed vergetelheid

troosteloos trachten te sjorren uit opgepompt vlees

van geschoten bevers maar ik druip in jouw naam

De regels bieden een heldere kijk in Pfeijffers troebele keuken. In overeenstemming met zijn betoog in Bzzlletin (hoe maak ik van banale feiten en sentimenten een modern en moeilijk gedicht?) wemelt het hier van bijeengeschmierde obscuriteiten en meerduidigheden. Immers, waar heeft «trachten» hier betrekking op? Zit de dichter te sjorren maar komt hij niet klaar? Of komt hij wel maar leidt dat niet tot «vergetelheid»? En hoe zit het met dat «opgepompt vlees»? Is de dichter impotent en gebruikt hij een vacuum pump? Zijn pompen en sjorren misschien synoniem? «Beaver» is slang voor het vrouwelijk geslachtsdeel. Waarom zou de dichter foto’s van dat deel, beaver shots, «geschoten bevers» noemen? Zijn doodgeschoten knaagdieren van belang, als connotatie? Zijn de vrouwelijke delen soms opgepompt? En hoe? Of zijn de dode bevers het, opgezwollen door de ingezette ontbinding? Verklaart dat laatste misschien de noodzaak van de pomp? En heeft de dichter bij Dolores een druiper opgelopen, of druppelt hij gewoon wat na? Is het vreemd dat Dolores de bard verlaten heeft?

Ilja Pfeijffer heeft in Bzzlletin gepoogd om zichzelf op de kaart te zetten als een moeilijke dichter. Moeilijke dichters zijn namelijk belangrijk. Wat ik heb te zeggen, schreef Pfeijffer, is dit. Iets verdomd onbenulligs. Maar dat is niets en klinkt te eenduidig, dus maak ik daar het volgende gedicht van. Kijk, nu is het moeilijk geworden, bloemrijk en ambigu. Goed dus. Gerrit Krols «wat mooi is, is moeilijk» veranderde Pfeijffer in «wat moeilijk is, is mooi». Een beetje dom. Ook omdat het zijn windhandel niet paste: moeilijk is Pfeijffers poëzie geenszins. In Dolores passeren alle clichés van het in de liefde afgewezen mannetje heel herkenbaar de revue. De verbale uitdossingen en exercities zijn gimmicks uit de oude doos, pseudo-poëtische poeha. Van de dichter die Favereys geestigheid niet vermocht te zien (in een bespreking in Vrij Nederland) is dit dan misschien de humor. Immers, Pfeijffers gedichten vallen op door hun opeenstapeling en uitvergroting van de poëtische zonden die duizenden amateurdichters begaan.

Alleen als een groteske parodie op Poëtisch Taalgebruik is Dolores bij vlagen te genieten. Wat de dichter zo graag als «moeilijk» ziet, is simpelweg de som van zijn pathologische wolligheid, zijn talloze inversies, zijn bloemrijke fraseologie, zijn gebrek aan spanningsbogen en pointes, zijn even troebele als obligate vermenging van het hoge en het banale; ja van zijn troebelheid tout court. Iedere artistieke obsessie voor «de noodzakelijke vorm», die het patent is van de kunstenaar, blijkt Pfeijffer vreemd. Dolores bevat oubollige satirische gedichten van een Markies de Cantecleer. En het onderwerp van zijn zuiver retorische satire is de voorstelling die minkukels hebben van moderne poëzie.

Ik beveel Dolores uitdrukkelijk aan. Van Algernon Charles Swinburne.