Bea Vianen was al populair in de jaren zeventig en tachtig. Iedere middelbareschoolleerling had wel iets van haar gelezen © Privé-archief familie Vianen

Dit is haar leven, denkt de zestienjarige S.: ‘lopen, studeren en het huishouden doen in een huis waar een stilte heerst die dodend is, waar het leeg is alsof het nooit anders is geweest’. In dat huis woont ze alleen met haar vader; haar moeder is overleden en haar zesjarige broertje Ata is ondergebracht bij haar vaders buitenvrouw. S. is voor hem vooral de lijst met cijfers van haar rapporten, hij lijkt haar verder niet te zien, ze is een schim voor hem. Op een avond, als haar vader bezoek heeft, laat ze zich gaan en bonkt ze als een bezetene tegen de deur van haar kamer. ‘Nu zal hij háár toch ook wel horen, niet? Zij bestaat. Zij is boven. Zij is altijd boven.’

Het is begin jaren vijftig en het decor is Paramaribo, maar de adem van het oerwoud is nooit ver weg. In de tuinen groeien mango- en guavebomen, de aarde is sponsachtig en houten bruggetjes en gammele planken maken haar begaanbaar. Er zijn grote, kleurrijke vogels die schreeuwend hun bonte vleugels uitslaan. Op de erven blaffen honden en altijd is er ongedierte, van de zoemende muskieten en mampiera’s tot bloedzuigers die de huizen in kruipen. En de zompige grote regentijd wordt telkens weer afgewisseld door de verzengende hitte van de droge tijd.

In Sarnami, hai (letterlijk: Suriname, ik ben), het romandebuut van Bea Vianen, gaat het over de volwassenwording van het Hindoestaanse meisje S. Het was de eerste roman van een Surinaamse schrijfster die, in 1969, werd uitgegeven door een Nederlandse uitgever. Het boek werd enthousiast onthaald en moest al snel herdrukt worden. En Vianen brak niet alleen in Nederland literair door, ook in Suriname waren haar eerste romans in de jaren zeventig en tachtig zeer populair en was er geen middelbareschoolleerling die niet iets van haar gelezen had.

Bea Vianen werd in 1935 in Paramaribo geboren in een etnisch gemengd gezin: haar vader was voornamelijk creools en werkte als plantage-opzichter en meubelmaker; haar moeder was geboren in India, toen nog een Britse kolonie, waar haar vader als contractarbeider voor Suriname werd geworven. Zij overleed, toen Bea acht was, aan tbc, waarna die naar een nonnenkostschool werd gestuurd. In 1957 vertrok Vianen naar Nederland, al zou dat niet voor altijd zijn. Ze bleef heen en weer reizen tussen haar moeder- en haar vaderland, en was, zoals hoogleraar Nederlands-Caribische letteren Michiel van Kempen het bij haar overlijden in 2019 betitelde, een ‘draaideurmigrant’.

De gemengdheid, de geschiedenis van haar grootouders, het vertrek naar Nederland – het zijn allemaal ingrediënten die terugkeren in Sarnami, hai, waar Vianen als zeventienjarige aan begon maar dat ze afmaakte in Nederland. Zoals ze in 1972 in een interview met John Jansen van Galen zei: ‘Ik barstte van heimwee. Ik móest het schrijven, als een uitlaat. Om niet aan heimwee kapot te gaan. Daarom zit het zo vol natuurbeschrijvingen en Surinaamse sfeer.’ Maar ze móest het boek ongetwijfeld ook om een andere reden schrijven, omdat het verhaal van de coming of age van S. bovenal een verhaal is van zelfbevrijding, van verzet tegen haar lot. De intensiteit van de roman maakt duidelijk hoe dicht die op haar huid is geschreven.

Sarnami, hai begint raadselachtig, met een tocht van S. naar krotjes aan de rand van de stad, waar Ajodiadei woont, een oude vrouw die groente verkoopt langs de straat. Moordenares? Heks? Duivelin? S. weet niet hoe ze haar het liefst zou noemen. Ze heeft haar opgezocht omdat zij de enige ingewijde is in het drama dat zich tussen haar grootouders heeft afgespeeld. Die zijn in 1916 – het laatste jaar dat het nog kon, daarna verboden de Britten het – als contractarbeiders uit India naar Suriname gekomen. Haar grootvader is na het uitdienen van zijn contract teruggegaan. Het raadsel is wat er daarna is gebeurd. Waarom heeft haar opa zijn dochter, de moeder van S., als wees achtergelaten bij Ajodiadei, een ‘vreemde, ontwortelde en drankzuchtige’ vrouw? En waarom heeft hij zijn vrouw niet meegenomen? S. weet de oude vrouw een paar foto’s van haar grootouders te ontfutselen. Ze zijn daarop jong. Ze staan voor een grijze muur van steen. Is het Calcutta? S. tast in het duister.

In Sarnami, hai speelt de Nederlandse kolonisator geen directe rol; de roman gaat over de Surinaamse maatschappij en de onderlinge verhoudingen van Surinamers. Tegelijk heeft het kolonialisme, dat op het moment dat de roman speelt nog voortduurde, alles gestempeld. In haar zoektocht naar haar identiteit stuit S. op een leegte als het om de geschiedenis van haar voorouders gaat. En dat is tekenend voor een land waarin eerst zwarte slaven gedwongen waren te werken op de plantages, en na de afschaffing van de slavernij in 1863 contractarbeiders uit China en vooral India en Java hun werk overnamen. Hun omstandigheden waren maar een haartje beter dan die van de tot slaaf gemaakten; hun geschiedenis was er ook een van ontworteling, want de overgrote meerderheid keerde niet terug naar hun thuisland.

‘Ik haat je, ­grootvader. Je hoeft mij niet te vergeven dat ik je een hond noem’

S. bedenkt dat zij is ontstaan uit een verleden waarvan zij niets weet, met haar en haar broer begint een eigen geschiedenis. ‘Al die anderen, die vóór hen hebben geleefd, zijn gestorven, opgegaan in een wereld van hongersnood, aardbevingen, heilige olifanten, heilige koeien, heilige apen en tempels. Gestorven zijn zij in de chaos van de tijd, van tradities. Van immigratie! Ze hebben niets achtergelaten. Alleen namen, nummers, namen die door duizend andere Indiërs, misschien wel miljoenen, gedragen worden.’

Ook in de etnische verdeeldheid in Suriname, evenzeer een thema in Sarnami, hai, klinkt de echo van het kolonialisme. Ze is het gevolg van de koloniale verdeel-en-heerspolitiek, waarbij de verschillende bevolkingsgroepen van elkaar werden gescheiden, om de eigen machtspositie te versterken. In de roman maken mohammedanen en hindoes elkaar uit voor koeienvreter en varkensvreter. Hindoes heten slordig te zijn, met vieze privaten, en mohammedanen zijn vrouwenmoordenaars. Het conflict laait vooral op bij verliefdheden buiten de eigen etnische groep of het eigen geloof. Dat overkomt zowel S. als haar boezemvriendin Selhina. De raciale tegenstellingen spelen een nog grotere rol in Vianens tweede roman Strafhok uit 1971, waarin iedere groep in het eigen ‘strafhok’ gevangen zit en er van een smeltkroes geen sprake is. En dat verwijt Vianen niet alleen de kolonisator, maar evengoed de Surinamers zelf.

Sarnami, hai is een beklemmende maar tegelijk ook vitale roman, omdat S. koste wat kost wil ontsnappen aan haar lot. Ze ontwikkelt zich van een in zichzelf gekeerd, ernstig meisje dat goed kan leren tot een jongvolwassene die haar eigen weg wil gaan en gezien wil worden. In het begin van de roman beschrijft Vianen mooi de schaamte die S. bekruipt bij haar veranderende lichaam en gevoelens. Omdat ze alleen met haar vader woont, zorgen haar eerste ongesteldheid en de aanschaf van haar eerste beha voor groot ongemak. Als ze voor het eerst merkt dat een jongen naar haar kijkt, ontdekt ze bij zichzelf ‘gevoelens van een heel ander soort’ dan ze tot dan toe gehad heeft. ‘Maar ze wil het niet weten. Ze schaamt zich.’

Toch zijn jongens, is de liefde, de makkelijkste ontsnapping voor meisjes die zich van het juk van de vader willen bevrijden. Haar vriendin Selhina weet zich aan haar autoritaire vader te ontworstelen door opzettelijk zwanger te worden van haar vriend, al komt de geheime liefde haar aanvankelijk op een ongenadig pak rammel te staan. Maar een afgedwongen huwelijk is nog altijd minder erg dan een ongehuwd moederschap. Ook S. begint een stiekeme relatie met Islam, een gewelddadige jongeman op wie ze niet verliefd is, maar die helpt de verveling te verdrijven. En ook zij wordt zwanger en dwingt zo de onafhankelijkheid van haar vader af.

Al snel blijkt echter dat de liefde slechts schijnvrijheid biedt. Het is van het ene juk naar het andere. In Sarnami, hai schildert Vianen een genadeloos beeld van de man-vrouw-verhouding in het Suriname van de jaren vijftig. Voor vrouwen is er eerst de knoet van de achterdochtige vaders, daarna die van de echtgenoten. Vaak gaat het om gedwongen huwelijken, of huwelijken om economische redenen, zoals tussen haar ouders, zo vermoedt S. Hoe dan ook is het meest gunstige scenario een koude oorlog, maar is geweld gebruikelijker. Of het nu de buurman meneer Habib is of het echtpaar aan de overkant: mannen slaan hun vrouwen en verkrachten ze. Echtgenotes doen slovend het huishouden en de mannen zoeken vertier bij hun buitenvrouwen.

Sarnami, hai is een van de vele herontdekte romans van de afgelopen jaren. Het is een gelukkige keuze dit boek opnieuw uit te geven. Niet alleen omdat de Nederlandse literatuurgeschiedenis niet zo veel geslaagde coming of age-romans van vrouwelijke schrijvers kent, maar ook omdat de zucht naar vrijheid zich hier voltrekt tegen een koloniale achtergrond. Hoe vind je vrijheid in een land dat geen echte vrijheid kent? Een land waar de schaduw van de kolonisator over hangt, waardoor de inwoners zich terugtrekken in hun eigen ‘strafhok’ en zich blijven wentelen in etnische vooroordelen en de bijbehorende versteende tradities, in hypocrisie en geroddel? En is het doorsnijden van banden, de eerste stap naar vrijheid, niet extra pijnlijk als je geen geschiedenis hebt?

S., inmiddels 21, besluit ten slotte te vertrekken naar Nederland, om te studeren. De prijs is dat haar man hun zoontje opeist. Het is een herhaling van de familietragedie die ze toen ze jonger was heeft proberen te ontrafelen. De oude vrouw die ze opzocht in haar krotje riep haar nog na: ‘Je bent precies je grootvader.’ Nu ze haar besluit heeft genomen dringt de gedachte aan hem zich bij haar op. ‘Ik haat je, grootvader. Je hoeft mij niet te vergeven dat ik je een hond noem. Een zwijn. Een smerige wegloper. Maar wat heb ik aan deze beschuldigingen? (…) Wij zijn uit hetzelfde hout gesneden. Ook ik vervloek deze wildernis. En ook ik zal een kind achterlaten!’

Maar hoezeer deze tragische herhaling S. ook aangrijpt, ze voelt nu dat ze bestaat, dat ze leeft. Aan het eind van de roman kan ze eindelijk haar individualiteit opeisen en haar eigen naam noemen. ‘Ik ben geen S. of het meisje. Niet meer. Sita! Sita! Ik durf mezelf bij de naam te noemen. Omdat ik weet wat ik niet wil: Stikken! Stikken! Stikken!’