Kunst: De veelzijdigheid van Jacqueline de Jong

‘Ik een vrouwelijke kunstenaar? Absoluut niet’

Het universum van Jacqueline de Jong kent een oorsprong in Nederland, maar strekt zich uit tot ver over de grenzen. In Frankrijk ontving ze een oeuvreprijs. Waarom is De Jong nog geen ijkpunt in de Nederlandse kunstgeschiedenis?

‘Je kunt nooit meer avant-garde worden. Maar is dat erg, dat je geen avant-garde bent?’ © Damian Noszkowicz

Aan tafel in haar huis in de Amsterdamse binnenstad, een van haar Noorse boskatten languit tussen ons in, zijn pootje net niet in de schaal met koekjes, maakt Jacqueline de Jong de balans op. Haar tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam, Pinball Wizard, is halverwege de looptijd, nog drie maanden te gaan, en nu al is er sprake van een enorme spin-off. Zo heeft ze sinds deze week een galerie in Londen, Pippy Houldsworth, die haar meteen toont op de kunstbeurs Frieze New York. Ze schijnt op de radar te staan van nog een galerie, een grote met een stal vol jonge garde en gevestigde orde, onder wie een aantal ‘herontdekte’ vrouwen. En er zijn de gekke dingen, zoals de man uit België die haar gister uit het niets een e-mail schreef. Hij had een schilderij gekocht, gewoon omdat hij het mooi vond, en was er zojuist achter gekomen dat het van haar is, een kunstenaar met een solo in het Stedelijk. Ze kan zich het schilderij, een werk uit 1961, goed herinneren en vindt het leuk dat het nu weer ‘terecht’ is. De Jong: ‘Door die tentoonstelling krijg ik toch iets meer naam, want ik ben natuurlijk totaal onbekend. Mensen zien mijn naam en denken nu, verrek, dat is die.’

Totaal onbekend is Jacqueline de Jong, geboren in Hengelo in 1939, niet, nooit geweest ook. Ze is beroemd om haar tijd bij de Situationistische Internationale (SI), als jonge Nederlandse in Parijs, en bekend van haar relatie met Asger Jorn. Ze is geroemd om The Situationist Times, het tijdschrift dat zij in Parijs opzette, uit de groep gegooid om een verschil van inzicht. Het sloeg een brug van Frankrijk naar de rest van de wereld. Maar zoals ze zelf zegt: de situationisten zijn niet van gister. Ze was 21 toen ze aankwam in Parijs en het was spannend, maar de tijd ligt ook ver achter haar. Nu is ze hot, en dan moet je opletten. Enerzijds druppelen oude kunstwerken binnen, anderzijds vliegen ze eruit. Een schilderij ging naar Beiroet, een andere verzamelaar wil in één keer drie schilderijen kopen, en gros noemt ze dat. De Jong: ‘Ik ben hot, maar ik ben niet duur. Ik ben niet zo hot dat ik ook nog duur ben. Dat is voor kopers reuze aantrekkelijk.’

Waar dat is begonnen? In 2015 verscheen The Case of the Ascetic Satyr/Snapshots from Eternity (1962-1970), een kunstenaarsboek bestaande uit persoonlijke briefjes en tekeningen die De Jong en Jorn in hun tijd met elkaar uitwisselden. Het origineel bevindt zich in de Beinecke Library van Yale, die in 2012 haar archief aankocht. De eerste gesprekken daarover vonden al plaats in 2009, maar eigenlijk begint het verhaal bij Guy Debord, boegbeeld van de situationisten, wiens archief Yale wilde aankopen, maar waar Frankrijk een stokje voor stak. De Jong: ‘Zijn archief mocht het land niet meer uit, want hij was plotseling een French treasure. Dat hoop ik dus echt nooit te worden.’

Maar eigenlijk is het een paar keer begonnen.

‘Hoe bestaat het?’ In Galerie Dürst Britt & Mayhew, nabij station Hollands Spoor, vertelt Jaring Dürst Britt over zijn kennismaking met het werk van De Jong, in januari 2017. Een bezoeker van een tentoonstelling van Wieske Wester in de galerie merkte op dat het werk haar deed denken aan dat van ene Jacqueline de Jong. Ze had net een tekening van haar gekocht op een beurs in Parijs, bij een galerie uit Los Angeles, Château Shatto. De naam deed bij Dürst Britt vaag een belletje rinkelen, maar veel wist hij niet. Hoe kon het dat een hippe galerie uit Los Angeles iets deed met een oudere Nederlandse kunstenaar? Hij ging googelen en daar ontvouwde zich het ‘universum’ van Jacqueline de Jong. ‘Als je er dan achter komt wat ze heeft gedaan, hoe divers dat is, hoe góed dat is, aan wie ze wel niet gelinkt is – de geschiedenis met SI, met Jorn, met haar ouders die grote verzamelaars waren. Ik dacht: hoe bestaat het, en hoe bestaat het dat andere Nederlandse galeries daar op dit moment niets mee doen?’

Van een hype rond De Jong wil Dürst Britt niet spreken, liever van momentum. Natuurlijk is er de inhaalslag voor vrouwelijke kunstenaars en De Jong is daarbij een van de weinige vrouwelijke representanten van de SI, waar ook hernieuwde interesse voor is. 2017 was een kroonjaar voor de SI, in 1957 opgericht, en 2018 was een herdenkingsjaar voor Parijs ’68. De Jong exposeerde in het buitenland, maar in Nederland gebeurde nog niets. ‘Als ik, tot voor kort, zei dat zij binnenkort in het Stedelijk zou exposeren, dacht men dat ik een grap maakte.’

Dürst Britt spreekt als een ‘opportunistische galeriehouder’ als hij zegt dat daar nu verandering in gaat komen: hij verwacht dat De Jong over vijftig jaar samen met Marlene Dumas en Rineke Dijkstra tot de groten uit de Nederlandse kunst behoort. Dat haar bekendheid zo lang op zich heeft laten wachten, komt volgens hem enerzijds door een slecht geheugen in Nederland en anderzijds door een remmende werking van een vooringenomenheid die in landen als de Verenigde Staten, Frankrijk en Engeland niet bestaat. En misschien, oppert hij, is het omdat zij ook niet echt als een Nederlandse wordt gezien. In Frankrijk omarmen ze haar als een Française.

Twee maanden eerder, op een maandagmiddag in maart, ontmoet ik Jacqueline de Jong voor het eerst, in Parijs, in de lobby van een hotel in een van de kleine straatjes van Saint-Germain-des-Prés. We nemen plaats op een diepe bank met hardverende kussens. De Jong, gekleed in een zwarte robe, zwaait voor het gemak een knie op de bank. Ze draagt een van haar aardappeljuwelen aan een ketting om haar nek – een gouden ‘objectje’ met in het hart een aardappel, afkomstig uit de tuin van haar huis in de Bourbonnais. Haar tentoonstelling in Amsterdam is net geopend en vanavond krijgt ze in Frankrijk een oeuvreprijs uitgereikt, de Prix Aware. Het is een prijs voor vrouwelijke kunstenaars, in 2017 in het leven geroepen omdat vrouwen in de kunstwereld achterblijven, wanneer het aankomt op prijzen. Er is een bedrag van tienduizend euro en een publicatie aan gekoppeld.

De Jong lijkt in niets op de vrouw uit de documentaire die ik over haar zag, Jacqueline de Jong: The Art Rebel van François Lévy-Kuentz, die eerder films maakte over Yves Klein en Alexander Calder. Ja, ze is klein van stuk en fijn gebouwd en draagt haar haar los tot op haar schouders. Ze heeft een diepe stem waarmee ze stevig uit de hoek kan komen – dat ook. Maar in de film dendert ze maar door, de camera achter haar aan, meer diva dan rebel. Er was geen klik met de regisseur.

In Parijs blijkt De Jong hartelijk, beslist in haar uitspraken maar mild in haar oordeel. Een kunstenaar die haar werk in vergelijking met dat van anderen ‘prutswerk’ noemt en weet dat dat onzin is, maar toch. Die het winnen van de Prix Aware heel eervol vindt, maar zegt niet te begrijpen hoe ze in hemelsnaam bij haar zijn uitgekomen. De dag ervoor organiseerden haar Franse vrienden een lunch in het huis van Michèle Bernstein, mede-situationist en eerste echtgenoot van Debord, om de prijs en haar tachtigste verjaardag te vieren. Ze hadden champagne gedronken en veel gelachen, maar voor vanavond is De Jong nerveus.

Hoe bestaat het, wil ik ook aan haar vragen. Maar eerst lopen we door de tentoonstelling in Amsterdam, in gedachten, en staan bij een aantal zalen stil. De tentoonstelling kwam tot stand in samenwerking met samensteller Margriet Schavemaker en er zijn delen waar De Jong meer en minder tevreden over is. De entree: spijtig, zonder een biografische tekst op de muur, de introductiefilm te educatief naar haar smaak. De zaal met objecten die een rol speelden in haar tijd bij het Stedelijk, toen ze daar tussen 1958 en 1960 werkte op de afdeling toegepaste kunst: saai, maar ook volstrekt hilarisch. Precies als de werkzaamheden die ze destijds in het museum verrichtte: enerzijds het afstoffen van voorwerpen, anderzijds het uitzoeken van werken voor de aanschouwelijke lessen van Hans Jaffé. De kunstcollectie van haar ouders en vroeg werk van onder anderen Jorn zijn we dan al gepasseerd, evenals kunstwerken uit de Stedelijk-collectie die niet gauw te zien zijn, en waar De Jong het publiek bij deze gelegenheid mee hoopt te verwennen.

‘Mijn werk zit niet zo op de huid van het dagelijks leven. Dat geeft een marge die universeler is’

Het duurt een aantal goed gevulde zalen voordat we bij het werk van De Jong zelf aankomen. Wat opvalt is dat ze dan ook meteen heel veel werk maakt, en op groot formaat. Haar oeuvre ontvouwt zich dan in verschillende richtingen, als een lang en levendig gesprek met de schilderkunst.

Hoe ging ze te werk, zonder kunstopleiding en de schildertechniek niet machtig? De Jong antwoordt: ‘Werken. Gewoon werken.’ Ze wilde al langer schilderen, in het Stedelijk al, maar na een verblijf bij Pinot Gallizio met zijn industriële schilderkunst begon ze echt, in een hotel in Milaan. ‘Ik zat daar almaar te wachten op Jorn. Het was bloedheet en het hotel zat vol met autocoureurs, ontzettend leuk, ik weet het nog goed. Ik had kleine paneeltjes gekocht en het enige wat ik de hele dag deed, was schilderen.’ Ze zette haar werk voort in Parijs, waar ze ook in hotels leefde, want dat was het goedkoopst. Eerst in een kleine kamer op de Place Dauphine, met een raam op de Seine. Later in een hotel waar ze van hoorde omdat Jan Cremer daar altijd zat, vlak bij de Sorbonne. Het hotelleven dwong haar tot werken op klein formaat en ze maakte ook kleine boekjes, die nu in de bibliotheek van Yale zijn opgenomen. De hotelgasten klaagden voortdurend over de verflucht.

De eerste grote werken ontstonden in de zomer van 1961, toen De Jong kon gaan werken in een huisje van haar ouders in Zwitserland. In het kippenhok, dat door een architect werd verbouwd tot atelier. ‘Ik had een enorme behoefte om grote werken te maken, ik heb er eigenlijk nooit bij stilgestaan dat ik tot die tijd geen grote werken kón maken. Verdomd. Het is misschien omdat we in een hotel zitten, dat ik dat vertel.’

Jacqueline de Jong, Kroniek van Amsterdam (The pain is beautiful), 1971. Acrylverf op doek © Gert-Jan van Rooij / Collectie van de kunstenaar

Ze is erg blij met de tentoonstelling in het Stedelijk, maar één ding is jammer: er is geen catalogus bij verschenen. Een tentoonstelling komt een keer tot een einde; een boek blijft dan over. Dat kan belangrijk zijn wanneer je als museum de ambitie hebt om een kunstenaar een plek te geven in de Nederlandse kunstgeschiedenis, zoals Schavemaker die uitsprak.

Het Stedelijk kocht wel een werk voor de collectie aan, Rencontre accidentel (1964) uit de serie ‘Accidental Paintings’, die in het museum prachtig aan een muur hangt samen met een aantal ‘Suicidal Paintings’. Ik vraag De Jong wat ze ervan vond dat het nieuws over de aankoop werd gebracht in een persbericht op Internationale Vrouwendag. Ze denkt even. ‘Je kunt zeggen opportunistisch, maar ze laten wel zien dat ze van goede wil zijn. Ik vond het ook nogal sjiek dat ze toegaven hoe weinig vrouwen er momenteel in de collectie zijn. Maar ik vind wel dat ze erbij hadden moeten zeggen dat ze op dit ogenblik zo veel vrouwen aan het tentoonstellen zijn. Want dat is absurd: nu komt Maria Lassnig, ik bedoel, dat is een soort inhaalmanoeuvre waar ik helemaal niet aan meegewerkt zou hebben, als me dat gevraagd zou zijn.’ Ze denkt nog even. ‘Aan de andere kant, vandaag krijg ik een vrouwenprijs. Ik ben als kunstenaar dus nooit feminist geweest. Ik ben als mens feminist geweest, maar ik heb mijzelf nooit als een vrouwelijke kunstenaar beschouwd. Absoluut niet. Ik ben gewoon een kunstenaar.’

De receptie van de Prix Aware vindt die avond plaats op het ministerie van Cultuur, in een statige zaal met spiegels en kristallen kroonluchters en uitzicht op de tuin van het Palais Royal. Leden van de Franse culturele elite druppelen binnen, natuurlijk ook voor de andere kunstenaars die deze avond een prijs krijgen uitgereikt. Er zijn kunstenaars onder wie Orlan, niet te missen met haar coupe in zwart en wit. Later zal ze uitgebreid met De Jong op de foto willen. De Nederlandse ambassadeur is aanwezig, samen met de cultureel attaché. Uit Nederland haar Haagse galeriehouders. En onder de gasten ook een vrouw met een button op haar blouse: ‘I love women artists’.

Teruggaan naar Nederland ging niet in een stap. De Jong verloor in Parijs haar onderkomen en kwam vanaf 1970 steeds vaker in Amsterdam. Uit deze tijd stammen de tweeluiken, koffertjes waarvan er op de tentoonstelling een aantal opengeklapt staan. De Kroniek van Amsterdam draagt de tijd die De Jong tussen Frankrijk en Nederland verdeelde, zonder atelier, met in elk werk een dagboekachtig verslag van haar leven, in woord en beeld. Woensdag 20 januari 1971 begint zo, in het Engels: ‘Helemaal niets bijzonders: vechtende katten, druilerig weer (…)’. Michèle Bernstein heeft een werk uit de serie in haar huis hangen, tijdens de lunch had De Jong eronder gezeten.

Echt weggaan uit Parijs was het laatste wat ze wilde. Ze wist van kunstenaar Hans Haacke, met wie ze bevriend was, dat hij na zijn vertrek weliswaar veel succes kende, maar dat in Parijs niemand nog wist wie hij was. ‘Weg is weg.’ Dus wilde ze de banden aanhouden, hoewel die in Frankrijk in de tijd na de SI ook niet gemakkelijk lagen. Met de mannen van de nouvelle figuration bijvoorbeeld mocht ze niet exposeren. Maar in Nederland wachtte haar geen enkele groep.

De Jong werkte alleen verder en staat vandaag als kunstenaar alleen in de schijnwerpers. De Jong: ‘Ik had best in groepen willen werken, zeker in Nederland, maar ik werd niet geaccepteerd. Ik had het daarover met Mirjam Westen (conservator van Museum Arnhem – rvdl), die een werk van mij heeft aangekocht en een werk van een verzamelaarsechtpaar heeft gekregen. Hoe belachelijk het is dat vrouwen zoals bijvoorbeeld ook Ria Rettich niet bij de Nieuwe Figuratie zaten. Die werden niet geaccepteerd.’

‘Maar’, vervolgt ze, ‘dat heeft niet met het vrouw-zijn te maken, geloof ik. Of misschien wel. Ik kan het niet plaatsen. Het zal er wel mee te maken hebben, maar ik weet niet hoe. Ik wist ook nooit wat de criteria waren om erbij te horen, dus moet je het maar accepteren. Ik ben contre coeur uit Parijs weggegaan, maar in Nederland ook wel contre coeur een einzelgänger geworden.’

‘Ik ben contre coeur uit Parijs weggegaan, in Nederland werd ik contre coeur een einzelgänger’

Het leven was hier anders dan in Parijs. Daar werkte je samen, hier werkte je alleen. Ze heeft wel een theorie over het gebrek aan een onderlinge solidariteit: de behoefte om financieel te overleven was in Parijs sterk aanwezig en in Nederland zaten kunstenaars in de Beeldende Kunstenaars Regeling, waardoor die band gewoon niet zo nodig was.

Margriet Schavemaker heeft het Stedelijk Museum net verlaten en is begonnen als artistiek directeur van het Amsterdam Museum, maar vertelt op een zaterdagochtend door de telefoon graag over De Jong. Over hun ontmoeting, op een symposium in februari 2017 dat zij in het Stedelijk organiseerde. Dat ging over het labyrint als model voor tentoonstellingen en ook The Situationist Times, dat een editie volledig aan het onderwerp wijdde, kwam voorbij. De Jong zat in de zaal, als publiek, in haar eigen woorden met haar oren te klapperen. Ze had graag een bijdrage geleverd over het onderwerp, haar eigen verhaal gedaan dat nu door anderen werd vertolkt.

Schavemaker had net een tentoonstelling over Tinguely gemaakt, een ‘machokunstenaar’, en zag er meteen een ‘genderding’ in dat ze De Jong niet op haar netvlies had. Ze verdiepte zich in de kunstenaar en raakte geboeid door de veelzijdigheid van haar oeuvre. Schavemaker ontdekte dat haar werk vooral was aangekocht door verzamelaars en niet door musea. Alleen The Situationist Times zat in de collectie van het Stedelijk. Schavemaker: ‘Ik snapte steeds beter dat zij was weggeduwd uit de canon: de kunstwereld kon dit werk helemaal niet aan. De hybriditeit en de heftigheid van haar series, die totaal tegen de keer zijn, passen niet in de tijd. Ons kapitalistische systeem gaat voor duidelijkheid. Een merk moet een merk zijn, en zowel in haar werk als in haar biografie is De Jong niet duidelijk te plaatsen. Ook als mens mag je geen verschillende kanten hebben.’ Naast de tentoonstelling in het Stedelijk diende ze samen met De Jong een voorstel in voor het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië, dat de shortlist haalde.

Schavemaker heeft haar ambities met De Jong niet onder stoelen of banken gestoken: De Jong moet een ijkpunt worden in de Nederlandse kunstgeschiedenis. Waarom dat nog niet gebeurd is? Schavemaker: ‘De traditionele kunsthistorici zullen zeggen: het is de kwaliteit. Maar het is de vrouw.’ Conceptuele kunstenaars mochten zichzelf ‘woest’ opnieuw uitvinden, maar voor vrouwen was dat niet weggelegd. Ze vertelt dat op de opening van de tentoonstelling veel jonge mensen af kwamen, die vallen voor het rebelse en het tegendraadse in haar oeuvre, de queerness, en de wijze waarop zij zichzelf elke keer opnieuw uitvindt. ‘De generatie snapt het perfect. Voor hen kan iemand als Jacqueline een ijkpunt zijn, ook in haar ondernemerschap. De mensen die in de museumwereld de macht hebben, moeten zich ongelooflijk achter de oren krabben. Ik denk dat ze veel diversere en ondefinieerbaardere figuren zoals Jacqueline moeten tonen. Daarmee haal je urgentie binnen.’

Bij haar vertrek uit het museum liet ze een voorstel achter voor de aankoop van nog drie werken, elk uit verschillende decennia om recht te doen aan de heterogeniteit. Ze hoopt dat deze gerealiseerd worden.

­Jacqueline de Jong,  Rencontre accidentel (Accidental Paintings series), 1964. Olieverf op doek, 126 x 193 cm. Aangekocht door het Stedelijk Museum in 2018 © Gert-Jan van Rooij / acquired with the generous support of the participants of the BankGiro Lottery, 2018

In Amsterdam leidt De Jong me rond door haar huis. We beklimmen steile trappen, bekijken de kunst aan de muren en eindigen in de nok, in een licht atelier. Hier is momenteel geen werk te zien, met ook nog een tentoonstelling in Los Angeles op stapel, maar in de zomer gaat ze weer aan het werk en daar kijkt ze naar uit. In de keuken staat een kom gevuld met aardappelen die ze meenam uit Frankrijk, wonderlijke knolletjes die binnenkort voor een goudbad naar Italië gaan. Onder een kast in het souterrain staan twee manden met uitgelopen aardappels, grillige spruiten met een diepe paarse kleur. In september zullen ze klaar zijn voor een tentoonstelling bij Galerie Eenwerk, waarvoor De Jong werkt aan een aardappelveld.

In het Stedelijk is de tentoonstelling van Maria Lassnig inmiddels geopend. De Jong vindt het latere werk prachtig, maar niet alles. Lassnig doet haar denken aan een kunstenaar als Alice Neel. ‘Het is een bepaald soort vrouwen dat in hun werk anekdotisch is over hun vrouw-zijn, hun moeder-zijn, hun geliefdes. Ik sta totaal anders in mijn werk, en in de kunst ook. Ik bekijk het afstandelijker. Mijn werk is wel anekdotisch, maar niet zo betrokken bij het privéleven. Misschien vergis ik mij, ik ben natuurlijk de laatste om over mijn eigen werk te praten. Maar in verhouding tot Lassnig zit mijn werk niet zo direct op de huid van het dagelijks leven. En dat geeft een marge die universeler is.’

Ze hoorde dat Lassnig in dezelfde tijd als zij in Parijs zat, sterker nog, dat zij Jorn kende en meedeed aan een tentoonstelling van de situationisten. Dat verbaasde haar, ze heeft destijds niet over haar gehoord en er is nooit zoiets als een situationsten-tentoonstelling geweest. ‘Dit zijn dus anekdotes die erbij gehaald worden. De mythologie wordt belangrijk.’

Een kunstenaar die zij bewondert is bijvoorbeeld Lee Krasner, de echtgenote van Jackson Pollock, nu met een grote show in de Barbican in Londen. Petzel Gallery in New York, de galerie van Jorn en Lassnig, organiseerde dit voorjaar de tentoonstelling Strategic Vandalism: The Legacy of Asger Jorn’s Modification Paintings, met onder anderen De Jong en Krasner. De Jong vond haar werk fantastisch. Ze zegt: ‘Er zijn zo veel vrouwen die hun leven niet gebruikten als thema voor hun werk, maar gewoon werkten, schilderden of beeldhouwden, en die zijn allemaal niet zo heel beroemd. Of wel beroemd, maar toch niet zo duidelijk getoond.’

Maar had Lassnig ook geen punt, vraag ik haar, met de uitspraak: ‘Een avant-gardist die laat ontdekt wordt, is geen avant-gardist’? De Jong: ‘Dat is natuurlijk waar. Maar als je erbij gezeten hebt, heb je helemaal niet in de gaten dat je erbij gezeten hebt. Dat is ook waar! Bovendien vraag ik me af, wat betekent het om erbij gezeten hebben? Maar ik denk dat zij wel gelijk heeft: je kunt nooit meer avant-garde worden. Maar is dat erg, dat je geen avant-garde bent?’

Er is gesteggel over de voorgestelde aankopen van het Stedelijk en De Jong verwacht elk moment bericht van het museum. Er bestaat de kans dat het hele voorstel van tafel geveegd wordt en later zal De Jong me laten weten dat dat inderdaad is wat er gebeurde.

Maar nu gaat de telefoon. Het is de man uit België die haar schilderij heeft gekocht. Hij vertelt hoe hij het kocht via een Japanse dame, De Jong vertelt dat zij het destijds verkocht aan een verzamelaar in Zürich. De man heeft nog meer over haar gelezen en is vol van zijn ontdekking. ‘Het fascineert me, misschien een beetje te veel’, hoor ik hem zeggen. Hij komt binnenkort naar de tentoonstelling.


Pinball Wizard: The Work and Life of Jacqueline de Jong, t/m 18 augustus in het Stedelijk Museum in Amsterdam; stedelijk.nl. Sprouted, vanaf 14 september bij Eenwerk in Amsterdam; eenwerk.nl. Billiards 1976-78, 8 juni t/m 20 juli bij Château Shatto in Los Angeles en Jacqueline de Jong, 29 november t/m 11 januari 2020 bij Pippy Houldsworth Gallery in Londen. Op 6 juni de uitzending van Close Up: Jacqueline de Jong – Art Rebel op NPO 2