De schaamte van Kristien Hemmerechts

«Ik eet met mes en vork»

In tijden waarin schaamteloosheid troef lijkt — of het nu gaat om het etaleren van genot, het exploiteren van leed of het uitleven van de zucht naar bevrediging — brengt De Groene een serie interviews over schaamte. In deze derde aflevering is schrijfster Kristien Hemmerechts aan het woord.

De Vlaamse auteur Kristien Hemmerechts heeft dingen geschreven die volgens haar over the top zijn. «Ik geloof niet dat er iets is waarover ik niet durf te schrijven. Ik voel me wel gegeneerd als ik bepaalde passages voorlees.»

«Dat zo opvallend weinig vrouwen in Vlaanderen schrijven, heeft volgens mij met schaamte te maken, al zou ik eerder het woord ‹schroom› gebruiken. Vrouwen wordt bijgebracht ‹deftig› te zijn, respectabel. Als je wilt acteren of schrijven, moet je dat juist achterwege laten. Je mag je zéker niet gaan afvragen: wat zullen de mensen van mij denken? Heel vaak krijg ik de vraag voorgelegd — in Vlaanderen maar ook wel in Nederland: ben je niet bekommerd om wat de mensen over je zullen denken? Dan zeg ik: eigenlijk niet.

Schaamte en kunst zitten elkaar in de weg. Wat niet wil zeggen dat ik geen gevoelens van schaamte heb. Natuurlijk heb ik die ook. De reden dat ik ooit in het Engels ben begonnen te schrijven, heeft veel met die schaamte te maken. Die andere taal bood een scherm. Ik ben het, maar ik ben het ook niet. Daarna kreeg ik de moed dat scherm los te laten. Ik denk dat bij mij de fascinatie voor bepaalde gegevens, de drang om een aantal thema’s te willen verkennen, gewoonweg sterker is dan de bekommernis om die schaamte.

Wel merk ik dat ik de neiging heb om bij lezingen of bij ontmoetingen met lezers een soort charmeoffensief te openen. Ik kleed me deftiger dan vroeger. Alsof ik wil zeggen: wat ik schrijf is soms wel heel extreem, maar maakt u zich niet ongerust, ik weet me echt wel te gedragen, ik eet met mes en vork. Vaak krijg ik te horen: u bent zo veel aardiger dan ik had gedacht. Of: u valt toch heel erg mee. Dan denk ik: wat hadden ze nou verwacht?

Met de reacties in mijn directe omgeving, van mensen die me kennen, ligt dat anders. Er is een ongeschreven code dat er niet wordt gepraat over het werk. Ik had dat niet verwacht. Ik had gedacht, zeker als je autobiografische dingen schrijft zoals ik ook heb gedaan, dat je daarover zou worden aangesproken. Maar die discussie, of iets autobiografisch is of niet, die speelt zich altijd elders af, niet in je eigen omgeving. Dat is een eigenaardig mechanisme.

Er bestaat zoiets als repressieve tolerantie voor kunst en literatuur. Men gaat niet echt in discussie met wat er staat. Dat zou te bedreigend zijn. Binnen de literatuur mag je zeggen wat je wilt, en uiteindelijk heeft het geen enkele impact. De maatschappij heeft een sterke drang zichzelf in stand te houden. Het bedreigende moet je een plaats geven en daarmee neutraliseren. ‹Ach, dat is iets wat zij doet›, heet het dan. Of, zoals in Vlaanderen wordt gezegd: ‹Da’s een speciale.› Ik ben daar heel dubbel over. Aan één kant is het teleurstellend dat je die directe respons niet krijgt, aan de andere kant heeft het mij ook veel vrijheid gegeven.

In stukken van Shakespeare is het de hofnar, de fool, die de waarheid zegt. Hij mag beledigend zijn tegen de koning. De fool mag alles zeggen, want hij is de fool. Het is alsof de kindermond spreekt. Of Cassandra. Heel veel mensen willen over een hoop dingen niet nadenken. Ze willen niet lastig gevallen worden. Het kijken naar Big Brother vergt nul komma nul inspanning. Mensen weten wel dat ze naar iets idioots kijken, maar denken: laat maar. Met het ouder worden begrijp ik die mechanismen beter. Ik heb geen behoefte meer om voor Cassandra te spelen. Mensen willen voor een deel blind zijn. In werkelijkheid gebeuren er verschrikkelijke dingen. Ik zit vaak in de trein en hoor dan mensen over hun collega’s praten op een maníer… Dat zijn mensen die elkaar volkomen kapot pesten. Heel vaak gaat het over kleine dingen. Daarin schuilt ook mijn fascinatie, in die kleine slopende dingen. In ons leven zijn er niet zo veel grote drama’s.»

«Een van de drijfveren van mij om te gaan schrijven was het besef van de enorme breuk tussen wat over het leven wordt gezegd en hoe het is. Wat er wordt gezegd over de liefde en over het gezin. Over het moederschap. Er worden je veel leugens en illusies meegegeven. Ik had een enorme behoefte om te laten zien hoe het eigenlijk is. Ook voor mezelf. Je kunt mensen gek maken. Ik kan jou gek maken door voortdurend tegen je te zeggen dat wat je drinkt wijn is en geen water, terwijl jij en ik zien dat het water is. Steeds maar herhalen dat het wijn is. Ik had er behoefte aan om te zeggen: het is water. Inmiddels bevind ik me meer in de fase dat ik denk: iedereen weet wel dat het water is. Ik hoef echt niet te staan roepen dat het water is.

Als ik iets de laatste jaren heb geleerd, is het wel dat je je erg op mensen kunt verkijken. Mensen die er heel burgerlijk en deftig uitzien, kunnen enorm heftige en extreme gevoelens hebben. Maar die houden dat meer voor zich. Je moet mensen niet onderschatten. Ik heb gemerkt door de vele lezingen die ik houd dat mensen goed begrijpen waarover ik het heb. Het is naïef om te denken dat zij ook niet al lang weten dat het water is.

Ik ben daardoor niet over andere dingen gaan schrijven, maar wel op een andere toon. Ik word misschien nog hypocriet op mijn oude dag. Ik wil het niet meer zo in ieders gezicht gooien. Het boek waaraan ik nu bezig ben, is een experiment. De verhaalstijl is die van een sprookje, wat mij de gelegenheid biedt om de meest verschrikkelijke dingen te laten gebeuren. Ik kan de hardste waarheden verkondigen, over het ouderschap bijvoorbeeld, maar het brengen als een lief verhaaltje. Er was eens… Ik geniet ervan.

Ikzelf kan heel goed met een harde waarheid leven. Niet met een leugen. Natuurlijk leef je nooit helemaal met de waarheid en nooit helemaal met de leugen. Ik denk dat op de lange duur voor elk mens de harde waarheid te verkiezen valt boven de leugen. In de liefde, maar ook in de politiek. Leugens zijn altijd onuitgesproken, maar je voelt ze aan. Je staat jezelf bij wijze van spreken niet toe om je gevoel te vertrouwen. Je voelt dat er iets niet klopt, maar je kunt het niet benoemen. Je kunt elkaar gevangen houden in doen-alsof. Mensen zeggen van mij altijd dat ik heel direct ben. Directheid is voor mij de enige leefbare manier van omgaan met elkaar. Bij onuitgesproken leugens krijg ik hoofdpijn.

In mijn schrijven doe ik geen concessies. Ik ben me er sterk van bewust dat je in het normale leven voortdurend toegeeft. Ik kan niet alleen leven, maar ik wil ook niet dat men te dicht op mijn huid zit. In wat ik schrijf, wil ik geen compromissen sluiten.»

«Recensies kunnen vernietigend zijn. Devastating. Helaas lees ik ze en trek ik ze me aan. Soms krijg je bijna het gevoel dat je jezelf moet gaan schamen omdat je schrijft.

Dat je eigen partner je werk niet zou lezen, is alleen gek voor degene die daar van een afstand naar kijkt. Als je leeft met een schrijver is die persoon voor jou zo veel meer dan een schrijver. Het is de persoon met wie je slaapt, met wie je naar de supermarkt gaat, met wie je op vakantie gaat, met wie je ontbijt, met wie je zit te kletsen. Ik praat thuis niet over mijn werk. Niet met mijn dochter en niet met mijn vriend. Hij weet dat ik schrijf en hij is blij als het goed gaat, hij weet dat het voor mij belangrijk is, en dat is genoeg. Mensen dachten altijd dat Herman (dichter Herman de Coninck, met wie Hemmerechts was getrouwd en die in 1997 overleed — mp) en ik gefocust waren op ons beider werk. Maar dat ging precies hetzelfde. Als je erom vraagt, kan de ander wat van je lezen, maar het schrijven is zeker niet het essentiële in de relatie. De relatie heb je niet met de schrijver. De schrijver zit de relatie in de weg. De schrijver is degene die verraad pleegt aan de relatie. Ik schaam me daar niet voor. Het is gewoon een feit.

Wat niet wil zeggen dat ik niet kan schrikken van wat ik schrijf. Ik heb dingen geschreven die helemaal over the top zijn. Dat zijn dikwijls wel goede dingen. Ze neigen naar het groteske. Het zijn aberrante seksuele fantasieën die waarschijnlijk niet zo aberrant zijn.

Mezelf naakt laten fotograferen voor het Nieuw Wereld Tijdschrift was een bevrijdende ervaring. De reacties waren gemengd, ik geloof dat de slotsom niet positief was, maar op dat punt schaam ik me niet. Als ik in gezelschap een scheet zou laten, zou ik me schamen. Een keer kwamen een hoop mensen bij me eten en er was niet genoeg eten. Dan schaam ik me. Ik kan niet in aanwezigheid van een ander masturberen. Een werkelijk bevrijd iemand zou dat toch wel moeten kunnen. Of poepen, dat lukt me ook niet als er een ander bij is. Van sommige dingen moet je gewoon aanvaarden: daar ligt mijn grens. Maar ik kan wel schrijven over iemand die masturbeert bij een ander. Ik heb lang gedacht niet over stront te kunnen schrijven. Toen heb ik dat ook eens gedaan. Ik geloof niet dat er dingen zijn waarover ik niet durf te schrijven. Of zit ik mezelf nu voor de gek te houden? Ik voel me wel gegeneerd als ik bepaalde passages voorlees voor publiek.

Mensen worden vaak boos over wat ik schrijf. Winden zich erover op. Dat is goed, maar het kan ook heel vervelend zijn. Net als het feit dat je mensen op afstand moet houden omdat die niet het verschil zien tussen wie ik ben en wat ik schrijf. Omdat ik expliciet over seks schrijf, spring ik ook wel met iedereen in bed, is dan het idee. Dan ben ik plotseling erg doof. Wat ik soms erg beangstigend vind, is dat de knop niet teruggedraaid kan worden. Je kunt niet meer gewoon iemand zijn die die bekendheid niet heeft, die die boeken niet geschreven heeft. Ik denk dat als ik zou onderduiken, een baantje zou nemen en nooit meer zou publiceren, dat ik het ook heel snel achter me zou kunnen laten. Het is bij mij heel dubbel, zoals ik al zei. In mij schuilt een exhibitionist. Als die er niet was, was ik nooit voor een publiek gaan staan.»

«Mijn vader noemde mij altijd de prometheïsche mens. Dat is de mens die experimenteert, die niet zomaar een gebod of verbod aanvaardt. Mijn vader bedoelde: ik was het die zelf wilde ontdekken. Als je vooraf al ja en nee zegt, kan er nooit iets spannends gebeuren.

Door een toeval is een stukje van mijn leven publiek geworden. Het toeval is dat ik veel media-interesse kreeg. De eerste interviews vond ik ontzettend moeilijk. Ik begreep het mechanisme niet. Ik heb geleerd een verhaal te bedenken. Het geven van interviews zie ik als iets wat zich naast mijn boeken afspeelt. Het een heeft niet zo veel met het ander te maken. Het is voor mij een continu proces van jezelf definiëren en gedefinieerd worden. Ik schrijf om te bewijzen dat ik besta. Elke foto, elk interview, beschouw ik als een message in a bottle. Er komt een message terug. Maar ik weet niet wanneer en ik weet niet wat die zal zijn. Maar er kómt iets terug.

Mensen gebruiken vaak het woord ‹therapeutisch› bij het schrijven. Ik baal nogal van dat woord. Wel merk ik dat heel veel mensen zichzelf voor de gek houden. Als je schrijft zoals ik schrijf, krijg je ook een heel goed inzicht in je eigen donkere, destructieve en lelijke kanten. Op zo'n manier kom je tot zelfaanvaarding. Als ik in de trein die gesprekken hoor en merk hoe hoog die mensen van de toren blazen, dan denk ik: heb je dan geen greintje zelfkennis? Zo veel mensen proberen angstvallig een bepaald beeld van zichzelf hoog te houden. In dat opzicht is schrijven wel therapeutisch. En dat maakt ook dat het begrip ‹schaamte› niet veel meer betekent. Je weet heel veel over je duistere kanten. Die heb je dan een plaats gegeven. Het is aanvaard. Die zelfaanvaarding is bevrijdend. Je moet jezelf ook niet zo verschrikkelijk au sérieux nemen. Ik kan zeggen: ja, inderdaad, ik bén zo. Ik héb die neiging. Punt.»