Opheffer

Ik en de oorlog

Ik heb het altijd raar gevonden — toen ik wat ouder was — dat ik last had van een oorlog die ik zelf nooit had meegemaakt. Elke dag was er Tweede Wereldoorlog bij ons thuis. Een oorlog zonder wapens. Hoewel… Woorden waren wapens, zwijgen was een wapen.

Het meest interessant heb ik altijd die woordwapens gevonden. Woordwapens zijn een soort boobytraps. Je denkt dat een woord iets betekent, maar dat is niet zo — het kan ook iets heel anders betekenen, en dat kan heel gevaarlijk zijn.

«Ik zeg dit omdat ik van je hou.»

«Dat weet ik, mam.»

«En omdat ik van je hou, mag je me dit niet aandoen.»

«Wat doe ik dan?»

«Dat weet je best.»

Alle woorden kunnen in dienst staan van de schuld, de grootste boobytrap. Schuld betekent dat je schuldig bent. Maar aan wat? Aan alles? Ach… Aan de dood? Nee, niet echt, gek genoeg heb je eerder schuld aan het leven.

«Als jij nu je eindexamen niet haalt, is het voor niets geweest. Dan hebben papa en ik voor niets de oorlog meegemaakt. Als jij nu niet trouwt, is het voor niets ge weest, dan hebben papa en ik voor niets in het kamp gezeten. Als jij nu die baan niet neemt, is het allemaal voor niets geweest. Al die honger en ellende, het kamp, de oorlog… Dit kun je ons niet aandoen… Alsjeblieft niet… Papa en ik hebben al zo’n ellende meegemaakt…»

Wie kan op tegen een oorlog?

De boobytraps. Zinnen kunnen ook boobytraps zijn. Het aan elkaar verbinden van twee zaken, dat is de draad die je niet ziet en waarover je struikelt, en dan gaat de boobytrap af: «Wij zijn je ouders, twee oorlogsslachtoffers, dat besef je niet.» «Je vader heeft in het kamp in de dodentent gelegen, en nu maak jij je huiswerk niet.»

Het is niet overdreven, het was zo. En ze meenden het.

Hoe ziet de bom eruit die valt en explodeert?

Het is de teleurstelling. Zichtbare teleurstelling. Meer dan dat: het is ook pijn met een hoge dosis straling. Die straling bestaat uit wanhoop. In de ogen van de ander. En die ogen kijken naar jou. De uiteindelijke explosie is gezwijg.

Ik geloof — godverdomme na 48 jaar — dat ik er overheen ben. Mijn ouders hebben ervoor moeten sterven. De erfenis? Een woordenboek met veel woorden, maar waarachter niet de juiste betekenissen staan. Ik ben er toch blij mee, op mijn manier.

Ik dacht vroeger: mensen zoals ik zullen er steeds minder zijn want de oorlog is steeds verder weg.

Maar ziet: in mijn straat zijn Bosniërs komen wonen. Straks ga ik naar een bijeenkomst waar Perzen zijn die ooit werden gemarteld.

En die mensen hebben kinderen. Die kinderen zijn nu nog jong. Hun moeders zijn mooi, zoals mijn moeder destijds. Maar ik weet wat zich straks binnen die muren gaat afspelen. Hoe er alleen maar gepraat gaat worden in paradoxen (handwapens).

«Zie je dat land, dat land is het paradijs, het is er altijd oorlog.»

«Dit is je vader, hij houdt van je, daarom slaat hij je.»

«Dit is je moeder, zij houdt ook van je, en daarom huilt ze.»

Ik weet niet wat ik tegen die kinderen moet zeggen; het enige wat ik kan doen is proberen in dat woordenboek achter de woorden de juiste betekenissen te zetten. De juiste betekenissen. God, wat heeft het mij een pijn gekost die te ach terhalen. Ik heb er slechts een paar.