Ik en mijn werkster

Als ze binnenkomt, is het eerste wat ze doet haar hoofddoek afdoen. Dan loopt ze de trap op, om de emmer uit de badkamer te pakken. Vervolgens maakt ze beneden in de keuken een sopje.

‘Hoe is het?’ vraag ik.
'Goed’, zegt ze, altijd een beetje langgerekt en zuchtend.
Al naar gelang ik mezelf tijd gun, ontwikkelt zich een gesprek. Over haar benen. Ze heeft last van spataderen, en alle ingrepen in het ziekenhuis hebben niet echt geholpen. Over haar ene zoon, die een beugel moet. Haar dochter, die geen idee heeft hoe duur spijkerbroeken wel niet zijn. Voer voor conversatieanalytici dit gesprek, want in heel zijn miniaturigheid is dit de prototypische dialoog tussen een baas en haar ondergeschikte. Ik stel de vragen, zij geeft de antwoorden, en mijn reacties bepalen lengte en richting van het vervolg. Als ik lach, lacht zij ook.
'Wil je koffie?’ vraag ik.
'Straks’, zegt ze.
Ze pakt de wc-eend uit het aanrechtkastje, en de allesreiniger.
™™™

Je zou zeggen dat het anno 2010 geen taboe meer is om er een werkster op na te houden. Toch kan ik een gevoel van gêne niet onderdrukken als ik op mijn werkkamer zit te schrijven en naast me de stofzuiger hoor loeien. Ook vraag ik me af wat het met het mensbeeld van mijn zoon doet dat iedere vrijdag een Marokkaanse vrouw, moeder van leeftijdgenoten van hem, zijn sokken onder het bed vandaan haalt, zijn asbak leegkiepert, zijn lege bierflesjes van zijn bureau wrikt, om het beeld meteen maar even op scherp te zetten. Hoe relevant is dat 'Marokkaanse’ in de vorige zin?
Vóór haar, laat ik haar Naima noemen, hadden we een Kroatisch echtpaar. Terwijl zij als een tornado door het huis heen schoot, stond ik met hem gebogen over de Bosatlas. Hij liet me zien waar hij zijn tweede optrekje wilde gaan bouwen. Dáár weer voor regeerde een autochtone Utrechtse ons huishouden. Naarmate ik meer thuis ging werken, werden haar aanwezigheid en praatbelustheid een almaar groter wordende last. Bovendien kwamen haar schoonmaakethos en de staat van ons huishouden steeds meer in een spagaat te verkeren. Omdat de spullen en boeken zich opstapelden, zag zij zich gerechtvaardigd alleen nog maar wat te zwabberen. En te klagen.
Met Naima deed zo'n twee jaar geleden een heel ander fenomeen zijn intrede. Een jonge, gesluierde vrouw met brede heupen, zwijgzaam en terughoudend, moeder van drie kinderen. De hoofddoek, het feit dat ze kan lezen noch schrijven, de bebaarde echtgenoot die met haar meekomt op het eind van de maand als ze wordt uitbetaald, haar zwijgzaamheid, het zijn de bestanddelen waarmee ik mijn verhaal over haar ben gaan weven. Het weinige dat verder ter sprake komt in onze gesprekjes versterkt het beeld dat ik hier met een onderdrukte vrouw te maken heb. Niet zielig of ongelukkig, daarvoor is ze te mooi en te fier, maar wel iemand die een opgelegd leven leidt, met een moeder ver weg, een man die geen baan heeft, een zwager die opgepakt wordt na een schietpartij. En dan natuurlijk dat geloof. Wat weet ik ervan? Niks. Ik weet dat ze zelfs geen glas water mag drinken tijdens de ramadan. En dat als ze ziek wordt tijdens de vastenperiode, ze dit later weer moet inhalen. En dus nog steeds geen glaasje water mag aanpakken.
™™™

Het is alweer vijftien jaar geleden dat Opzij zich de woede van menige lezeres op de hals haalde met het artikel 'Wie is er niet bang voor haar werkster?’ Teneur van het stuk: ook feministen hebben tegenwoordig werksters, maar weten niet goed hoe ze met hen moeten omgaan. Er wordt geschipperd tussen een persoonlijke en een zakelijke houding, wat de gezagsverhoudingen er niet duidelijker op maakt. Uit een misplaatst schuldgevoel wordt de werkster niet gecorrigeerd, laat staan aangestuurd. Lezeressen reageerden gebeten: in plaats van dat het aloude feministische ideaal van gelijke arbeidsverdeling uit en thuis wordt uitgevochten met de man mag een onderbetaalde vrouw het conflict binnenshuis in de kiem smoren. Als vrouw hoor je geen andere vrouwen uit te buiten. Punt.
Zoveel jaar verder lijken die laatste geluiden nog meer te vervagen. Af en toe hoor je er weer eens iemand over, zoals politicologe en oud-docente vrouwenstudies Saskia Poldervaart. In een strijdbaar stuk onlangs in het tijdschrift Lover, 'Waarom zijn we niet meer solidair met werksters?’, en ook in een interview vorig jaar met de Volkskrant, gaf ze blijk van haar ontzetting over de vanzelfsprekendheid waarmee haar feministische collega’s en vrienden een werkster hebben die ze een tiende betalen van hun eigen uurloon. Hoe komt het toch, vroeg ze zich retorisch af, dat de meeste mensen in het Westen denken dat hoogopgeleiden hun eigen wc niet meer kunnen schrobben, maar denken dat ze daarvoor anderen nodig hebben? Poldervaart heeft haar wortels liggen in actiegroep Dolle Mina, begin jaren zeventig, die het revolutionaire elan van haar linkse broeders bespotte door te vragen wie ondertussen de haren uit het gootsteenputje verwijderde. Een van de roemruchte leuzen was: vrouwen zijn de witte negers van de wereld.
™™™

Toen mijn ouders op Curaçao woonden, jaren tachtig vorige eeuw, hadden ze een dienstmeisje en een tuinman, zoals alle Nederlandse beambten de lokale economie draaiende hielden door de bevolking aan werk te helpen. Dat was de ene kant van het verhaal. De andere kant was dat ze voor een habbekrats als God in Frankrijk konden leven. Goede bedoelingen verder te over. Behalve zijn loon, gaven mijn ouders de tuinman een karretje dat hij achter zijn auto kon haken, waardoor hij gemakkelijker zijn gereedschap kon vervoeren. Ze dachten met hem mee, zoals ik nu ook veel vriendinnen mee zie denken met hun werkster. Ze schrijven brieven namens hen aan lastige instanties, of zorgen dat ze een afspraak krijgen bij de dokter. Mijn moeder zwaaide ’s ochtends aan het hek mijn vader uit, die in de auto naar zijn werk vertrok. In de opstuivende stofwolken zag ze de Antilliaanse meisjes aan komen lopen, hun werkkleding opgerold onder de arm. Stuk voor stuk verdwenen ze in de grote huizen van de witte woonwijk. Als ik op vrijdagochtend mijn eigen straat uit fiets, zie ik achter het ene na het andere raam Marokkaanse vrouwen de vloer moppen of de vensterbank afnemen. Er is een nieuw leger van witte negers ontstaan. Het is niet meer dan normaal geworden om zorg uit te besteden, of het nu gaat om je kind, je hond, je moeder of je wc. In een parallelle schaduwwereld trekken onderbetaalde, rechteloze, analfabete mensen de kar, terwijl jij hoogwaardiger arbeid verricht.
™™™

'Heb je d'r al ontslagen?’ vraagt mijn zoon.
Naima is niet echt strikt wat haar werktijden betreft. Soms komt ze zomaar niet, en belt dan een paar dagen later om te zeggen dat ze hoofdpijn had. Ook neemt ze geregeld familie mee. Een nicht die met haar mee schoonmaakt, zodat ze al na anderhalf uur klaar zijn. Alleen heeft die nicht ook nog weer een klein kind bij zich, dat vermaakt moet worden. Als ik er niet ben, zitten ze volgens mijn dochter, die ook zo op gezette tijden komt binnenvallen, uitgebreid thee te drinken. En hard te lachen.
Onze stille, altijd een beetje droevige Naima, hard lachen?
Mijn dochter weet het zo te brengen alsof ze eigenlijk ons aan het uitlachen zou zijn.
Ik moet terugdenken aan het kleine gesprekje dat Naima en ik op de laatste mooie herfstdag in de tuin voerden. Ze vertelde over haar moeder in Marokko, die ze nu al zo lang niet meer gezien had, en die ze miste. Desondanks zou ze er nooit meer willen wonen. 'Nee?’ vroeg ik. 'Waarom niet?’
Ik had de troosteloze flats in Kanaleneiland voor ogen, de spataderen, de werkloze man.
'In Marokko zijn er geen regels’, zei ze.
'Geen regels?’ vroeg ik verwonderd.
Ik was weliswaar nog nooit in Marokko geweest, maar de gevangenissen leken me er vol zitten met mensen die zich niet aan de regels hielden.
'Als jij ziek bent krijg jij geen geld’, zei ze. 'Jij kunt niet naar het ziekenhuis. Als jij oud bent, krijg jij geen geld.’
Nu is ze al twee weken niet meer geweest, en ik heb niks van haar gehoord. Ik probeer haar te bellen op haar mobiele telefoon, maar krijg een niet-verbonden-signaal. In mijn telefoon heb ik zo'n tien nummers van haar opgeslagen staan. Wegens stelselmatig tekort aan beltegoed neemt ze telkens een ander nummer. Een van de redenen voor mijn buurvrouw om haar al een half jaar geleden de wacht aan te zeggen.
Eind van de maand is ze er gelukkig weer, en doe ik volgens afspraak haar geld in een envelop waarop ik groot haar naam schrijf. Helemaal in het begin heeft ze me verteld dat het enige wat ze kan lezen haar eigen naam is. Ik heb geen gepast geld, en maak een royaal gebaar: ach nou ja. Ze heeft een slechte maand gehad.
Dan hoor ik haar van beneden roepen.
'Het is te weinig’, zegt ze. Ze heeft een oude jurk van mij aan, met een coltrui eronder. Op haar verzoek bewaar ik kleren en schoenen voor haar die ik anders in de zak van Max zou doen.
'Maar…’, begin ik.
Snel rekent ze me voor dat ze dán is geweest, en dán… En dat ze de laatste keer heeft ingehaald, en dubbel heeft gewerkt.
Ik haal diep adem. Onderdrukken, het doet al pijn genoeg. Laat ze dan alsjeblieft wel een beetje dankbaar zijn.
'Oké’, zeg ik. 'Ik zal je volgende week de rest betalen.’
We staan in de gang. Zij staat voor de spiegel en wikkelt met routineuze gebaren haar hoofddoek om haar haren en een deel van haar gezicht. Achter haar oren speldt ze hem vast. Ik denk aan mijn kinderen, die mij zien als het slachtoffer van mijn werkster. En ik hoor mezelf de volgende monoloog afsteken: 'Maar volgende keer wil ik dat niet meer. Ik heb liever dat je gewoon iedere week komt. Als je er niet bent, kun je niet inhalen.’
Door het raam van de woonkamer zie ik haar gehoofddoekt en in een lange zwarte jas voorbij het tuinhekje schuifelen richting bushalte.
™™™

'Jij bent een protestant’, zegt mijn Italiaanse vriendin, rechter en belezen.
Ze bedoelt het niet letterlijk - voorzover ik iets ben of was, is dat katholiek - maar refereert aan Nobelprijswinnaar van weleer Octavio Paz, die in zijn bekendste werk, Het labyrint der eenzaamheid, de verhouding van zijn land Mexico tot de Verenigde Staten analyseerde. In noordelijke, protestantse, landen leidt het gelijkheidsideaal tot een schaamtecultuur, en het wegstoppen van de onderklasse in reservaten. In zuidelijke, katholieke landen daarentegen is het verschil tussen arm en rijk de motor waarop de samenleving draait, en doet de onderklasse gewoon zichtbaar het vuile werk. Met gezagsverhoudingen heeft niemand daar moeite.
'Heb jij een werkster?’ vraag ik haar.
'Al jarenlang dezelfde’, zegt ze onbekommerd. 'Die hoort er helemaal bij.’
Een werkster die er helemaal bij hoort. Het klinkt mij inderdaad in de oren als de feodaliteit ten top. Misschien is dat het dan wel. Verdraagt de protestantse inborst diep in mij de ondergeschikte moslima niet. In vergelijking met de omgang met mijn eerdere werksters, de Utrechtse en de Kroatische, is het ongemak alleen maar toegenomen. Door de uiterlijkheden van haar geloofsbelijdenis, en het vermoeden van wat daarachter schuilgaat, durf ik amper wat tegen haar te zeggen. Weet ik veel hoe mythisch en hoe zwaar haar wereld in elkaar zit?
Een van de zeldzame hedendaagse romans die op een niet-krampachtige, maar persoonlijk indringende manier het wederzijds onbehagen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in een wereldstad, in dit geval Melbourne, onder de loep neemt, is The Slap van de Australische schrijver Christos Tsiolkas. Deze in 2008 verschenen roman werd genomineerd voor de Man Booker Prize en verscheen in Nederlandse vertaling onder de titel De klap (Ambo/Anthos, 2010). Door middel van het vertelperspectief van zo'n tien personages schetst Tsiolkas de uiteenlopende reacties op het grote drama aan het begin van het boek: tijdens een barbecue van familie en vrienden slaat iemand andermans kind. Een even begrijpelijke - het kind was al urenlang vervelend en molesteerde andere kinderen - als beladen daad. Voeg daarbij het gegeven van een gezelschap van Grieken, Aboriginals, Aussies en moslims, en een tijdbom is gelegd. Scherper en inzichtelijker - en ook: vermakelijker, want De klap is een heerlijk boek om te lezen - kan het multiculturele drama bijna niet worden verbeeld. Ook de angst, en tegelijkertijd het ontzag, voor moslims heeft Tsiolkas goed neergezet.

Ik zet koffie voor Naima en mezelf en besluit het monster in de bek te zien.
'Mag ik je een gekke vraag stellen?’ zeg ik.
Ze stopt met vegen en lacht verlegen.
'Vraag maar’, zegt ze.
™™™

In De klap werkt de Australische Sammi in een videotheek. Vanaf haar twaalfde is ze gewend te zuipen en te blowen, en haar moeder en zus doen lustig met haar mee. Op een dag komen een man en zijn zoontje de zaak binnen om een video uit te zoeken. Sammi heeft Triple J opstaan, de radiozender voor jongeren, tot het tot haar doordringt dat het jongetje een liedje aan het zingen is. Ze doet de radio uit.
'Ik voelde licht’, zou ze later tegen haar beste vriendin zeggen. 'En ik voelde vrede.’
Als de man en het zoontje bij de toonbank komen met The Lion King vraagt ze wat voor liedje het was dat het jongetje net zong. De lange Afrikaanse man antwoordt lachend dat het geen liedje was, maar een vers uit de koran dat zijn zoon aan het leren is.
Het is het begin van Sammi’s bekering tot de islam, en haar nieuwe identiteit als Shamira. Ze had God gehoord, ze had hem horen praten.
™™™
'Hoe belangrijk is het geloof voor jou?’ vroeg ik Naima.
Ik overdrijf niet als ik zeg dat haar hele gezicht veranderde. Ze lachte alsof ze acuut overvallen werd door verliefdheid.
'Mijn geloof’, zei ze. Ze gaf licht in mijn keuken. 'Dat is alles. Mohammed, dat is alles.’
'Wat is het dan?’ vroeg ik. 'Is het troost? Geeft het je houvast?’
Het was even stil. Toen zei ze: 'Ik begrijp niet wat jij vraagt.’
Op slag voelde ik me oerdom. De beste dingen zijn nooit te bevatten.
'Ik ben moslim’, zei ze toen.
'Ja’, zei ik, en ik moest me bedwingen niet een buiging te maken.
Toen ging ze me vertellen over hoe vaak ze moest bidden, en dat ze dat eigenlijk niet redde met haar werk. ’s Avonds haalde ze dat in.
'Waar dan?’ vroeg ik.
Ik dacht aan Perzische tapijten, een moeizaam bevochten plek in de openbare ruimte.
'Thuis’, zei ze.
'O ja.’ Natuurlijk.
Ik probeerde een beetje lucht in de zaak te krijgen. Of ze het niet lastig vond dat ze niet kon lezen of schrijven.
'Jaaa’, antwoordde ze aarzelend. Wat ze erna zei kwam er vooral op neer dat ze het vervelend vond dat ze zelf de koran niet kon lezen. Omdat daarin precies stond waar, hoe en hoe vaak ze moest bidden.
'O ja.’ Weer die gekke nederige reactie van mij. Terwijl ik heel veel later pas bedacht: ik heb me ongans gebeden. Voor en na het eten, ’s ochtends en ’s middags op school, en dan ook nog in m'n eentje in bed. Schietgebedjes. Ik was gek op de bijbel, maar wist op mijn veertiende dat het een tekst was. Waarom denk ik in godsnaam dat haar gebeden intenser, en echter, zijn dan die van mij toentertijd?
'Ik wil jou ook al een tijdje wat vragen’, zegt Naima opeens. 'Maar ik durfde het nooit zo goed.’
'Je kunt mij alles vragen’, zeg ik, al te gretig.
'Die lege wijnflessen in de keuken’, zei ze. 'Ik heb pas van de vrouw van de imam gehoord dat ik die niet mag aanraken. Ik dacht dat het wel kon, maar het kan niet.’
Ik snapte niet eens meteen wat ze bedoelde, maar schoot onmiddellijk in de verontschuldiging. Dat ik haar niet in verlegenheid wilde brengen, dat ik ze in een tas zou doen en buiten zou zetten.
'Ik kan de vloer anders niet schoonmaken’, zei ze.
'O ja.’ Natuurlijk. Ik zei iets over de lege bierflesjes op de kamer van mijn zoon, dat dat sowieso schandalig was, maar die wuifde ze weg. Daar ging het niet om. Ik snapte er steeds minder van. Wist niet dat de imam een vrouw had. Zou ik haar wel kunnen vragen volgende week een uur extra te werken, zodat ze de overhemden kan strijken?