De jongen die zoveel wilde zeggen

‘Ik ga u nu gewoon knuffelen’

Er woont een heldin in Assen, hoewel zij zichzelf nooit zo zou noemen. Een middelbare-schooldocent die uitzichtloosheid met onderwijs bestrijdt, die kinderen helpt hun woorden te ordenen – en daarmee hun leven.

Kiza Magendane. Drentsche Aa, 2008 © Jan Arjen Veenstra

Een zestienjarige vluchteling die een jaar in Nederland woont en net een persoonlijke crisis achter de rug heeft. Dat was mijn status toen ik in september 2008 bij mevrouw Van Schaick in de klas kwam om mijn Nederlands te verfijnen. Ik was bijna mijn hele leven door mijn oma opgevoed, maar eenmaal in Nederland besloot ik na zes maanden haar woning te verlaten omdat ik meer vrijheid wilde dan zij kon bieden. Ik wilde mijzelf uit een kooi van goede bedoelingen bevrijden.

Ook mijn eerste school in Nederland voelde als een kooi. Mijn docenten waren niet in staat om mij onderwijs op maat te bieden. Ik moest net als iedereen de meest kinderlijke opdrachten maken om de Nederlandse taal te leren. Het feit dat ik me urenlang in de bibliotheek en op mijn kamer opsloot voor zelfstudie deed er niet toe. Ik moest in een keurslijf. Mijn protest en leergierigheid werden verward met een psychische stoornis. En zo werd ik niet alleen thuis verkeerd begrepen, maar ook op school. Ik besloot weg te lopen, en verruilde Friesland voor Drenthe.

In een kleine woongemeenschap met drie andere minderjarige asielzoekers leerde ik om voor mijzelf te zorgen en om te gaan met de vrijheid die Nederland ons te bieden had. Wij moesten ook naar school. Mijn poging om een mbo-4-opleiding journalistiek te volgen mislukte, omdat ik geen Nederlands middelbare-schooldiploma had. De enige beschikbare optie was het laagste niveau op het mbo. Het voelde niet lekker. En zo belandde ik bij Marieke van Schaick, voor mij en andere minderjarige asielzoekers in de klas ook wel mevrouw Van Schaick.

Drie maanden later. Een gesprek over mijn toe komst vindt plaats in een klaslokaal van het Dr. Nassau College locatie Penta, een vmbo-school in Assen. De internationale schakelklas, de school waar minderjarige asielzoekers zoals ik les krijgen, is in het Penta-gebouw gevestigd. Tegenover mij zit mevrouw Van Schaick. Zij geeft Nederlands als tweede taal aan jonge nieuwkomers zoals ik, die al gevorderd zijn. Daarnaast coördineert zij hun overgang naar het reguliere voortgezet of beroepsonderwijs.

‘Wat wil je later worden?’ vraagt mevrouw Van Schaick. Het is een vraag waar ik geen antwoord op durf te geven. Minderjarige vluchtelingen zoals ik gaan vooral naar mbo-entree. Zorg en techniek zijn de populairste richtingen. Deze routes spreken mij niet echt aan. Toch durf ik mijn droom tegenover mijn docent en mentor niet uit te spreken. Eerdere ervaringen elders hebben mij sceptisch gemaakt. ‘Dit is niet jouw geboorteland.’ ‘Dit is niet jouw moedertaal.’ Opmerkingen die mij duidelijk moesten maken dat ik maar beter mijn ambities kon bijstellen. Sindsdien houd ik mijn dromen voor mijzelf. Ik wil niet meer voor gek worden verklaard. Ik ben moe geworden. En radeloos. Gelukkig leest mevrouw Van Schaick de verwarring en machteloosheid van mijn gezicht. ‘Jij hebt een vwo-mentaliteit’, concludeert zij.

Haar voorspelling is uitgekomen. In de zomer van 2013, terwijl ik in mijn oma’s woonkamer aan het wachten ben (vrede was teruggekeerd), krijg ik een telefoontje met de mededeling dat ik voor het eindexamen vwo ben geslaagd. Dat niet alleen, als deze publicatie verschijnt heb ik net mijn laatste tentamen gehaald (internationale politieke economie) voor de masteropleiding politicologie aan de Universiteit Antwerpen. Daarnaast leef ik mijn droom: schrijven en nadenken. Ondenkbaar in mijn wildste dromen aan tafel tegenover mevrouw Van Schaick.

Dit relatief persoonlijke succes is in eerste instantie aan mijzelf te danken, uiteraard. Ik heb keihard gewerkt en de overvloedige kansen van Nederland met beide handen gegrepen. Maar succes wordt mede mogelijk gemaakt door de interventies van anderen. In de twaalf jaar dat ik in Nederland woon, hebben de interventie van Nederlanders van vlees en bloed het verschil in mijn leven gemaakt. Mevrouw Van Schaick is daar een van. ‘Jij hebt een vwo-mentaliteit.’ Woorden die mij voor het eerst in de anderhalf jaar dat ik in Nederland woonde het gevoel gaven dat ik door iemand werd gezien, en begrepen. Voor het eerst voelde ik dat er iemand was die voorbij het label ‘kansloze vluchteling’ keek en in staat was om mijn ambities te zien.

Voor het eerst voelde ik dat er iemand was die voorbij het label ‘kansloze vluchteling’ keek en in staat was om mijn ambities te zien

Om die reden is mevrouw Van Schaick mijn persoonlijke heldin. Daarom besluit ik haar in Assen op te sporen, zo’n tien jaar na haar heldhaftige besluit om mij naar het vwo te sturen, ondanks het feit dat mijn Nederlands nog niet ‘rijp’ was. Ik wil met haar reflecteren op haar rol in mijn lange, persoonlijke reis van verloren vluchteling naar burger. Daarnaast ben ik benieuwd naar haar visie op het docentschap. Het wordt een reis waarin ik de beste vorm van Dutch modesty tegenkom, een voortdurende poging om een eigen heldenstatus te ontkennen.

De Internationale Schakelklas (ISK) in Assen heeft sinds 2016 een eigen locatie. Dat was nodig, gezien de grote vluchtelingenstroom uit 2015 en het nieuwe asielzoekerscentrum dat in Assen werd gevestigd. Ook kinderen uit de omliggende regio’s en azc’s krijgen hier les. De nieuwe locatie is gevestigd in het voormalige gebouw van de openbare basisschool De Driemaster. Dat is midden in Pittelo, een jaren-zeventigwoonwijk met veel rijtjeshuizen en groen. Hier en daar valt een vijvertje te zien, vreemde vogelsoorten maken muziek op de achtergrond.

Hier worden nieuwe toekomsten gebouwd, zeg ik tegen mijzelf, als ik op een zonnige middag in juni, om kwart voor één, op mijn ov-fiets mijn bestemming bereik. ‘Ik ga u nu gewoon knuffelen’, zeg ik als mevrouw Van Schaick de deur van de gesprekskamer opendoet. Ik knuffel haar als een groupie die zijn lievelingspopster of sportheld voor het eerst in levenden lijve treft. Haar inmiddels grijsblonde haar is net als tien jaar geleden omhooggedraaid in een slordig knotje. Haar brilletje, pretentieloze kledingstijl, glimlach en onophoudelijk energieke uitstraling roepen ook oude herinneringen naar boven.

‘Ik had al ingesproken. Ik wil per se om vijf voor twee weg’, zegt mevrouw Van Schaick, die vindt dat ik haar nu Marieke mag noemen. Zij maakt zich zorgen dat een uur niet genoeg zal zijn, ook omdat ik een heel eind heb gereisd (van Antwerpen naar Assen) om met haar te spreken. ‘Dat is heel Nederlands hè, op tijd zijn’, grap ik. Daarna vraag ik of zij zich kan herinneren dat ik vroeger regelmatig te laat kwam in de les. ‘Nou ja, jij probeerde de regels wel te buigen. Dan kwam er vaak een “ja, maar”. Maar dat kwam omdat je het leuk vond om te discussiëren’, komt Marieke meteen ter zake. ‘Was vast aan het puberen’, verontschuldig ik mijn oude ik. ‘Ja, het is heel normaal. Maar je was in die zin heel gretig.’

Bij het woord ‘gretig’ gaat een bel in mijn hoofd rinkelen. In de twaalf jaar dat ik in Nederland woon krijg ik regelmatig te horen dat ik ‘te veel hooi’ op mijn vork neem. Een klasgenoot op het vwo stelde een keer dat een boek dat in mijn bescheiden boekenkast lag voor ‘later’ was bestemd. Een studiegenoot in Amsterdam noemde mij ooit ‘streberig’, een woord dat ik na het gesprek in het woordenboek opzocht. Ik werd er niet vrolijk van. Dus als Marieke haar eerste herinneringen aan mijn oude ik met ‘gretig’ omschrijft, treft me dat. Toch blijkt zij een heel andere benadering te hanteren. ‘Gretig is positief als je het hebt over het opdoen van schoolkennis’, zegt zij. ‘Als je gretig bent dan wil je heel graag meer, een soort honger naar kennis.’

‘Toen jij bij mij in de klas kwam had ik meteen door dat je niet zo goed in je vel zat. Je begeleiders zeiden ook dat je boos was. En je zette de hakken in het zand. Jij kwam niet als een makkelijke jongen binnen’, haalt Marieke de herinnering op. ‘Ik dacht: dat wil ik nog wel eens zien. Als iemand bij mij in de klas komt, vind ik het belangrijk om informatie te krijgen, dat is heel normaal, maar voor de rest wil ik ook een eigen oordeel hebben.’

Al snel zag Marieke geen boosheid in mij, maar leergierigheid. ‘Ik merkte dat je die honger naar kennis had, dat was vrij snel duidelijk. Jij was heel filosofisch ingesteld. Door vragen te stellen en op discussies aan te sturen. Je zocht uitdaging, je wilde graag kennis vergaren.’ Ze herinnert zich dat ik veel wilde vertellen. ‘Maar wat uit je mond kwam was chaos. Letterlijk. Terwijl jij sprak, meende ik aan de structuur van de zinnen te horen: hij wil zoveel zeggen. Hoofdzinnen en bijzinnen door elkaar, ik kon er soms geen touw aan vastknopen.’ Ze besloot intensief in te zetten op mijn taalverbetering. ‘Maar al met al dacht ik: nee, nee, nee, deze jongen moet niet naar het mbo. Daar wordt hij niet voldoende intellectueel uitgedaagd.’

‘Ik kreeg jongeren die zomaar vanuit hun wereld naar mijn wereld waren getransporteerd.Ik vond dat ze recht hadden op goed onderwijs’

En zo ging Marieke mij op Quintus, een vwo-afdeling, pitchen – zonder dat ik het door had. ‘Maar daar had ik de juiste mensen voor nodig. Want op het moment dat isk-leerlingen worden doorgeschakeld naar een reguliere vorm van onderwijs, is er nog steeds een enorm taalgat.’ Terwijl Marieke zonder mijn weten het gesprek voerde met mijn toekomstige school, als een leider die voor de troepen uitloopt, voorzag zij mij tussendoor van nieuwe, moeilijkere opdrachten. Ze moedigde mij aan om wat zwaardere literatuur tot me te nemen, Radio 1 te luisteren en de krant te lezen. In mijn wereld bestond alleen het mbo, ik kende het onderwijssysteem in Nederland niet, en wist dus niet dat er zoiets als het vwo bestond. Gelukkig wist Marieke hoe het zat en vocht zij voor mij, zodat de zware toegangspoorten tot het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs opengingen.

Ik heb recent mijn cijferlijst voor het vwo bekeken. Een 8 voor literatuur. Een 8 voor het profielwerkstuk. Het is Marieke gelukt mij een duwtje in de rug te geven, zodat ik zelf het karwei kon afmaken. Dat was haar methode als docent, bevestigen klasgenoten die ik ook voor dit verhaal heb gesproken. ‘Zij laat jou de opties zien. Of het lukt of niet, is aan jezelf, en niet haar schuld’, vertelde een vriend die een havo-advies kreeg, maar helaas twee keer zakte (voor Engels en Nederlands) en uiteindelijk op het mbo eindigde.

Kiza en mevrouw Van Schaick nu © Kiza Magendane

Mevrouw Van Schaick is geen Fries, maar zij heeft haar jeugd in Friesland doorgebracht, als de oudste in een gezin van vier kinderen. ‘Een heel fijn gezin, waar heel veel aandacht voor de kinderen was, en nog steeds is, een gelukkige jeugd.’ Haar vader zat in het onderwijs, ‘een echte schoolmeester’. Al op jonge leeftijd wist Marieke dat zij les wilde geven, dus studeerde zij Nederlands, haar passie.

In 1994, twee jaar na mijn geboorte, werd in Assen de Internationale Schakelklas opgericht. Marieke was er als eerste bij en verruilde lesgeven in het reguliere voortgezet onderwijs voor de isk. ‘Toen ontdekte ik dat ik daar heel andere dingen kwijt kon. Ik kreeg jongeren die weinig kansen hadden gehad en nu zomaar vanuit hun wereld naar mijn wereld waren getransporteerd. Of dat nou de bedoeling was of niet, ik vond dat ze op dat moment het recht hadden op goed onderwijs.’

De isk krijgt regelmatig leerlingen die aan een oorlogstrauma lijden, sommigen zitten in onzekerheid omdat het niet duidelijk is of ze een verblijfsvergunning in Nederland zullen krijgen. Leerlingen uit die uitzichtloosheid helpen door middel van onderwijs ziet Marieke als haar grootste verantwoordelijkheid. Zij geeft een voorbeeld: als een docent een leerling onder druk zet om op tijd te komen zonder aandacht te besteden aan de privé-omstandigheden (doodongerust omdat de ouders zijn achtergebleven bijvoorbeeld), leidt dat tot een averechts effect. ‘Wat ik zo mooi aan dit vak vind, is dat je als isk-docent te maken hebt met die privé-omstandigheden van leerlingen, terwijl goed onderwijs nog steeds centraal staat. De isk is in die zin een tweejarige buffer waar je als leerling kunt groeien en ontdekken wat er nodig is voor als je in Nederland blijft, een soort kapstok waar je naast de ellende om je heen een stabiele basis kunt bouwen.’

‘Weet jij nog wel wat je hebt gezegd toen jij eenmaal de isk ging verlaten?’ vraagt mevrouw Van Schaick als ons gesprek bijna afloopt. Haar ogen glunderen. ‘Je zei: “Ik ga in de politiek en ik ga wat doen voor de isk.”’ We moeten er allebei hard om lachen. We lachen om het feit dat ik zulke ambitieuze uitspraken deed. ‘Daarmee gaf je aan dat die stap van de isk voor jou een heel belangrijke was’, concludeert Marieke. Mijn interpretatie gaat een stap verder – ik wilde met die uitsprak zeggen dat ik dankbaar ben. Maar tegen het woord dankbaarheid gaat Marieke in protest. Zij vindt dankbaarheid zo nederig en niet bij mij passen. ‘Je stelde jezelf ook heel erg open hoor. Dus het ligt niet alleen bij de mensen om je heen, vlak jezelf ook niet uit natuurlijk.’

Als ik zeg dat ik haar als een barmhartige Nederlander beschouw, en dat zij mijn heldin is, gaat zij weer in protest. ‘Barmhartig klinkt alsof ik jou een gunst verleen.’ Held vindt zij een ‘eng woord’.

Als laatste vraag ik of zij het onderwijs is ingegaan uit de behoefte om te dienen, anderen te helpen? ‘Ik dien niet!’ protesteert zij verder, deze keer heviger. ‘Ik wil het niet zo noemen. Ik wil niet dienen. Het is weer dat nederige.’ Barmhartig. Nederig. Held. Dienen. Dankbaarheid. Een christelijk vocabulaire dat mij heeft gevormd, maar het past niet in de wereld van Marieke van Schaick. ‘Weg met die woorden’, zegt zij. Maar is zij dan geen docent geworden om iets voor anderen te betekenen, wil ik weten. ‘Ik zag gewoon dat het nodig is. En ik vond dat mooi om te doen. En dat is niet om mijzelf weg te cijferen.’

Ik heb ook een anekdote. Ik ben een paar weken bij mevrouw Van Schaick in de klas, en wij voeren een gesprek over mijn voortgang. ‘Kijk mij recht in de ogen’, zegt zij streng. Ik blijf naar de grond staren; uit beleefdheid en ontzag voor haar durf ik haar niet recht aan te kijken. Cultuurverschil. Maar zij wil contact maken, zij wil mij zien. Als ik haar tien jaar later Marieke mag noemen en haar moeiteloos recht in de ogen kijk, zie ik een heldin die haar heldenstatus voortdurend ontkent. Gelukkig ben ik een schrijver geworden, en geen politicus. Want het is de taak van schrijvers onzichtbare helden in het zonnetje te zetten. Lang leve onzichtbare helden die met een kleine blik, een klein gebaar, ons leven ten positieve veranderen. Lang leve de geest van mevrouw Van Schaick, en alle anderen die op haar lijken.