Interview met Kees Fens

‘Ik geef mij niet zo gemakkelijk’

Kees Fens schreef het boekenweekessay Op weg naar het schavot. Aanleiding voor een gesprek over Amsterdam, de universiteit, loyaliteit en de journalistiek.

Mensen in uw omgeving hebben doorgaans de indruk dat ze u goed kennen. ‘Ja, dat zou best kunnen, maar een heleboel hou je toch verborgen. Niet dat ik de belasting oplicht of andere geheimzinnige ontucht bedrijf. Het is mijn aard. Ik geef mij niet zo gemakkelijk. Ik las een interview met een schrijfster die borstkanker had gekregen. Godallemachtig, om daar nu de pers voor op te roepen. Ik heb ook iets gehad, maar daar praat je in het openbaar niet over. Die exhibitionistische kant van de huidige cultuur vind ik hoogst onaangenaam. Ik heb in dit gesprek al wat gezegd over mijn aard en dat vind ik al heel ver gaan. Wat ik van het persoonlijke kwijt wil, heb ik al zo’n beetje opgeschreven. De dood van mijn vader heeft een grote rol gespeeld. Het houdt me nog elke dag bezig, daar wil ik wel voor uitkomen. Het is zeventig jaar geleden, heel raar natuurlijk. Maar daarmee is het ook gedaan.’

Met uw tweede huwelijk bent u in veel opzichten aan een tweede leven begonnen.

‘Dat kunt u zeggen, ja, een andere manier van leven, dat is waar, maar verder ga ik niet. Meer kan ik er niet over zeggen dan het beamen. Snapt u. Vorige week had ik een stukje over Julien Green, daar zit ik zelf natuurlijk ook in. Maar verder moet je niet gaan. Zie het als een protest tegen het exhibitionisme.’

Bijna vijftig jaar publiceert Kees Fens stukken in de krant, in tijdschriften en boeken. Veel schrijvers zijn schatplichtig, omdat deze stukken voor lezers deuren naar hun werk openden. Gerard Reve zou zonder wat Fens over zijn literatuur heeft geschreven een ander zijn geweest. Gerard Manley Hopkins zou in Nederland nauwelijks bestaan hebben als Fens (en W. Bronzwaer) geen schijnwerper op zijn poëzie had gezet.

Een wereldbeeld rijst uit deze stukken op. En dat gaat over veel, het belang van traditie niet in de laatste plaats. Wat hij zegt, staat zelden op zichzelf. De geschiedenis komt er aan de oppervlakte. Het boekenweekessay Op weg naar het schavot is een toonbeeld hiervan. Het gaat over scherts, satire en ironie. Motief: de Engelse bisschop Fisher die op weg naar het schavot om zijn schoudermanteltje vraagt omdat hij bang is kou te vatten. Kees Fens: ‘Vlak voor de dood treedt een humor op tegenover wat veel te groot is: angst voor de dood, en die onthoofding. Dat vind ik schitterend. We zijn allemaal op weg naar het schavot. Het wezen van de humor treedt op tegenover iets wat eigenlijk onbereikbaar is. Humor is het inslaan van een zijweg. De hoogste smoes die er bestaat.’

Amsterdam heeft hem tot in het karakter bepaald. Hij zegt over zijn geboortestad: ‘Ik ben opgegroeid in Amsterdam-West. De stad is ontzettend veranderd, maar het klimaat is toch echt in een aantal hoeken hetzelfde gebleven. En dat is het klimaat van – wat Jan Blokker op het allerhoogste niveau vertegenwoordigt – stel je niet aan. Dat is waar ik erg van hou. Zogauw iemand gewichtig doet, alleen om het gewichtig doen, gaat hij er hier aan. In gesprekken of opmerkingen. Dat stel ik erg op prijs. Je kunt hier niet veel praatjes hebben. Naarmate de uniformen van de politie mooier worden, worden ze gevaarlijker.

Van de 48 jongens op de basisschool gingen er drie naar het gymnasium, van wie er twee met Kerstmis al weg waren. Ik was de enige die overbleef. De rest deed het iets lager of ging gewoon werken, in de tuinderijen vooral. Die hele werkloosheid en die crisis in de jaren dertig, dat beheerste toch wel alles. Die kinderen liepen met gemeenteklompen en gemeentekousen, die kreeg je voor niks, in het roodzwart van de gemeente Amsterdam, dus gemener kan het nauwelijks. Het is voor mij altijd – laten we daarmee afronden – wonderlijk dat in 1940, toen de Duitsers hier binnenvielen, niet veel meer mensen zijn overgelopen, gezien de ontzettende toestanden in de jaren dertig. Die jaren zijn, vind ik, nooit goed beschreven. De vernederingen die de mensen hebben moeten ondergaan, mijn ouders ook, hebben een ongelooflijke indruk gemaakt. Net als de oorlog, maar de jaren dertig misschien een nog diepere. Die hele dreiging, dat je geen werk had, dat je ontslagen werd, dat blijft je in feite, mijn generatie, achtervolgen.’

U bent op straat opgegroeid.

‘Tot mijn dertiende, toen ging ik naar het gymnasium en was het een beetje afgelopen. Alle kinderen speelden op straat. Daar leerde je wel een bepaalde mentaliteit van. Een beetje grote-bek-achtig en erg strijdlustig. Je blijft dat in wezen toch een beetje. Je hebt een hele vorming ondergaan, en verantwoordelijkheidsgevoel krijg je ook nog. Maar als ik uithaal in een stukje komt het helemaal boven. Ik heb het nooit verleerd. Ik wil geen mythe van mezelf maken, maar soms komen die krachten nog boven. Dat vind ik wel mooi, ik ben nu bijna 78, dat die krachten er nog zijn. Dat slijt niet! Dat is zo gek. De behoefte om, zoals vroeger, iemand een rotschop te geven, is nooit weggegaan. Ik geef nooit iemand een schop, maar het plezier daarvan kan ik nog tot diep in mijn lichaam voelen.’

Soms dient het straatschoffie zich nog aan. Met woorden.

‘Ook ja. Het woord klootzak lag toen op je lippen bestorven. Ik heb het nog, hoor! Als ik op straat door een fietser bijna gepakt word, dan schreeuw ik klootzak. Dat kan heel vreemd zijn, maar dat doe ik met een soort wellust.’

Het was een gebeurtenis toen Kees Fens begin jaren tachtig tot hoogleraar Nederlandse letterkunde werd benoemd aan de universiteit in Nijmegen. Zonder universitaire opleiding in de hoogste rangen van de wetenschap, omringd door vakgenoten die wél over het academische bewijsschrift beschikten. En toch zagen ze hem met ontzag binnenkomen. Zijn literair-kritische stukken in de twee decennia daarvoor hadden een generatie wetenschappers beïnvloed. Fens heeft naar eigen zeggen een enkel moment slappe knieën gevoeld, bij de inaugurele rede: ‘Ik was ongelooflijk nerveus, ik moest het nog waarmaken. Al die lui hadden gevestigde wetenschappelijke reputaties. Dat is toen wel gelukt, waardoor ik erg was gerustgesteld.’

Hij was de Amsterdammer in het zuiden. ‘De directheid van spreken werd door sommige docenten bijna als een zware belediging ervaren. Ik heb iemand, die ik alleen maar aardig vond, tot tránen toe gekregen met één opmerking. Dat is het verschil tussen Amsterdam en Nijmegen, maar ook tussen Amsterdam en Den Haag. Ik wil Amsterdam niet te hoog prijzen, hoor, de humor is natuurlijk in veel opzichten ook verschrikkelijk.’

Een universitaire loopbaan lang is hij de buitenstaander geweest. ‘Ik was het klimaat van de Volkskrant gewend en dat was niet zo eerbiedig, stijlvol en formeel. Daar werd met reputaties geen rekening gehouden. Kijk, Jan Blokker heeft altijd een grote functie gehad bij de Volkskrant. Door mensen op hun plaats te zetten – op de juiste plaats. En die geest heeft hij lang uitgedragen, en voor mij is die geest van hem, zoals die ook in zijn stukken tot uiting komt, altijd een soort norm gebleven. Zo moet het eigenlijk. Er is een foto van hem, toen hij mij kwam feliciteren bij de inaugurele rede. Daarop zie je Blokker kijken met een blik die zegt: en nu geen praatjes krijgen hè.’

Zijn stilistisch adagium, in lezen en schrijven, is de beperking: ‘Die stukjes die ik op donderdag schrijf in de Volkskrant, “In het voorbijgaan”, tellen maar 650 woorden, maar je kunt daarin veel doen. Mijn hele manier van schrijven is ook zo dat ik niet graag uitweid. Hoe beknopter ik kan formuleren, hoe liever. Als ik een roman zou schrijven, dan was die nooit dikker dan 120 pagina’s. Ik zou al die andere uitvoerigheden nooit kunnen beschrijven, dat zou me gaan vervelen.’

U verveelt zich snel tijdens het lezen.

‘Ik vind dat veel romans tegenwoordig ontzettend breedvoerig zijn. Dan word ik ongeduldig. Ik wil eigenlijk graag per regel iets krijgen. Net als bij een gedicht, daarom lees ik natuurlijk liever ook poëzie, omdat dat veel hechter is, en dichter. Zonder uitweidingen. Maar als ik drie pagina’s moet lezen om daar bijna niets aan over te houden, dan sta ik voortdurend op een leeg plein, met een heel klein gebouwtje, of misschien alleen een boom. En dat vind ik te weinig.’

U hebt veel over W.F. Hermans geschreven.

‘Ik vind dat werk in veel opzichten fabelachtig. Laatst heb ik de oude verhalen van Hermans herlezen. Die zijn fenomenáál. Ook van taalgebruik en van hechtheid. Ongelooflijk. Diep in mijn hart vind ik de verhalen het beste. Die van Vestdijk ook. Naarmate je ouder wordt, ga je terug naar de beknoptheid van eens. Dat is krachtvoer, in een heel klein deel krijg je heel veel. Ik kan nog altijd verbaasd zijn over wat er allemaal in een dichtregel kan zitten. Die genade krijg je bij veel proza niet. Dat is mijn literatuuropvatting: dat zo veel mogelijk in zo weinig mogelijk moet staan. En dat je het dus kunt herlezen, en dat zich weer nieuwe mogelijkheden laten zien. Ik heb de taalkunst van Hermans pas ontdekt toen ik na jaren weer eens die verhalen las; vroeger was je gefascineerd door de gegevens ervan, maar nu zie ik de samenhang tussen taal en dat gegeven. En dat is het mooiste wat je kunt hebben.’

Heeft het ook te maken met wat misschien wel een sleutelwoord is in uw leven: loyaliteit? Aan Hermans, aan Reve?

‘Ja… Je moet nooit een schrijver die je bewondert in het openbaar afvallen. Dat mag je niet doen. Hermans, Reve, Mulisch ook wel, en Vestdijk, die hebben voor mij veel betekend in mijn leesvorming. Toen ik dertien was, heb ik bijna alles van Antoon Coolen gelezen, dat vond ik toen heel mooi. Ik zal de laatste zijn om Coolen af te vallen. Ik weet ook wel dat het niet zo groot is, ik geef het allemaal toe, maar ik heb er veel aan te danken. Je mag je verleden als lezer niet verloochenen. Het is ook trouw aan een cultuur die geweest is. Alleen, je komt er niet meer veel verder mee, want om je heen zijn er veel trouwelozen. Dat vind ik pijnlijk, ook omdat jouw bewondering in algemene waarde daalt.’

Uw loyaliteit geldt ook de Volkskrant.

‘Kijk, die Volkskrant heeft mij een aantal kansen gegeven, daar moet ik ze dankbaar voor blijven. En het is ook een klimaat, sociaal gezien, dat mij erg aanspreekt. Niet het liberale, het neigt naar het socialistische, zou ik bijna willen zeggen, zonder het nadrukkelijk te zijn. Voor mijn geest is die krant het dichtst benaderbare.’

Wat dacht u bij het vertrek van Blokker?

‘Dat vond ik heel erg, en dat vind ik nog. Dat viel ook samen met het vertrek van Remco Campert, die hield er vrijwillig mee op. Het is een amputatie van de Volkskrant geweest. Ik had het gevoel dat ik als laatste grijsaard achterbleef. En dat geeft je een beetje een naar gevoel. Maar ik vind dus vooral dat met Blokker een stuk kwaliteit is weggevallen. En hij is ook niet met de grootste omzichtigheid behandeld, hoor.’

Neemt u het Blokker kwalijk?

‘Nee, nee. Tuurlijk niet. Er zijn een paar mensen in een leven die je niets kwalijk neemt, en daar hoort Blokker bij. En Hugo Brandt Corstius. Dat zijn twee hoge normen in de krantenwereld, die allebei horen tot de grootste columnisten die we hebben.’

Uw portretten in de Volkskrant behoren tot het beste dat er de afgelopen twintig jaar in de journalistiek is geschreven. Uw eerste zin over Wim Deetman: ‘Zelfs zijn gezicht heeft zitvlees.’ (Hij grinnikt.) Deze journalistieke kwaliteit is onvoldoende gezien.

‘Dat heb ik ook wel. Ik heb nogal veel literaire prijzen gehad, maar ik heb toch ook een journalistieke kant. Afgelopen week heb ik het toevallig in een klein gezelschap gezegd dat ik – je mag nooit zeggen wat je wilt hebben – wel graag een journalistieke prijs had gekregen, als een waardering voor de veelzijdigheid van wat ik geschreven heb. Maar ik denk dat ze je voor een buitenstaander houden.’