Interview: Florian Zeller over islam, fictie en censuur

«Ik geef niets om mooischrijverij»

Florian Zellers roman Gefascineerd door het ergste leest als een politiek pamflet voor de vrijheid en tegen de censuur. «Ik geloof niet dat de vrijheid van gedachte terrein aan het winnen is.

Florian Zeller is niet bepaald gelukkig met de omslag van zijn roman Gefascineerd door het ergste. Op de cover prijkt de afbeelding van een opblaaspop. Haar gezicht is voor de helft verscholen achter een islamitische sluier, die net doorzichtig genoeg is om de getuite rode lippen en knalroze tepels te laten zien. «Als dit zo in Frankrijk was verschenen, was ik nu al lang dood geweest», lacht Zeller, enigszins gegeneerd. Gefascineerd door het ergste is de vertaling van La fascination du pire, Zellers derde roman. Het is een doordacht boek over de dreiging van de oosterse islam op de westerse literatuur. Een gevoelig onderwerp. Toen La fascination du pire in 2004 in Frankrijk verscheen, werd het meteen het meest besproken boek van het jaar. Het sleepte de Prix Interallié in de wacht en werd genomineerd voor de prestigieuze Prix Goncourt. Het maakte van Zeller (1979) een van de belangrijkste jonge schrijvers van Frankrijk en, na Houellebecq, een van de succesvolste hedendaagse literaire exportproducten. Nadat de roman in de meeste West-Europese landen al was verschenen, werd hij ook in Nederlandse vertaling uitgebracht.

Ondertussen zit Zeller met de opblaaspop in zijn maag. «Ik weet dat jullie hier in Nederland een sterke liberale traditie hebben en dat een provocatie als dit niet voor veel ophef zorgt, maar zo’n kaft oriënteert de lezer. En zet hem, denk ik, op het verkeerde been.»

Florian Zeller is een sympathieke, goedlachse Parisien. Zijn haar zit slordig, maar op een manier die verraadt dat daar veel tijd aan is besteed. Hij lijkt wat oogschaduw op te hebben en zijn stropdas is niet geknoopt maar hangt losjes om zijn nek. Sinds de verschijning van het boek is hij gewend geraakt aan de aandacht. Hij weegt zijn woorden zorgvuldig en illustreert zijn verhalen met quotes van schrijvers uit het verleden. Hij is geen schrijver die zich leent voor een lichtzinnige, toegankelijke benadering van literatuur. De Fransman ziet een roman niet als een vrije ruimte voor interessante karakters, boeiende verhaallijnen of een elegante schrijfstijl; voor hem is een roman vooral een idee.

Wat was het idee achter dit boek?

Florian Zeller: «Gefascineerd door het ergste draait vooral om de dreiging van censuur op fictie en om de vraag hoe onsterfelijk literatuur is. Dat is een centraal thema in de wereldliteratuur; de strijd tussen de vrijheid en elk filosofisch, politiek of godsdienstig gedachtesysteem dat beweert de enige waarheid te kennen. Het was niet mijn doel een beschouwing over de islam te schrijven. Zo wordt het vaak, ten onrechte, opgevat. Als ik een roman had willen schrijven over moderne Europeanen die in botsing kwamen met een strenge godsdienst, had ik mijn karakters ook naar het zuiden van de VS kunnen sturen, naar het protestantse fanatisme. Of als ik nog meer afstand had willen nemen, had ik ook over Voltaire kunnen schrijven, hoe hij zich in de achttiende eeuw verweerde tegen de katholieke kerk. Juist door over de islam te schrijven was ik in staat de dreiging van censuur aan de kaak te stellen. In Frankrijk is het taboe om het over de islam te hebben. Voor je het weet word je uitgemaakt voor islamofoob of islamhater. De drang naar politieke correctheid heeft gezorgd voor een aanzienlijke aantasting van de autonomie van de romancier. Die autonomie, daarvoor wilde ik met dit boek in de bres springen.»

Die autonomie wordt in Gefascineerd door het ergste op een slimme manier ter sprake gebracht. In het eerste deel, dat zo’n driekwart van het boek beslaat, volgt de lezer een jonge Franse intellectueel die samen met een Zwitserse schrijver een symposium in Cairo bezoekt. De Zwitser, Martin Millet, is een groezelig figuur – zijn gezicht doet denken aan «een overreden huisdier» – die boeken schrijft over seksuele ontbering in de moderne, door markteconomie gedreven samenleving. Millet heeft zijn eigen seksuele marktwaarde berekend en heeft moeten concluderen dat hij onder aan de ladder staat. Eigenlijk is dat dé reden waarom hij zich verheugt op de reis naar Egypte; tijdens zijn reis door de Oriënt, halverwege de negentiende eeuw, had Flaubert uitgebreid geschreven over zijn bordeelbezoeken. Dat belooft wat, meent Millet. «Flaubert, dat veroudert niet zo snel! De literatuur is onsterfelijk en we landen straks in het land van de ‹naakte vrouwen›!» Het zijn omineuze woorden.

Eenmaal aangekomen in Egypte blijkt dat literatuur wel degelijk een beperkte houdbaarheid heeft. Flauberts Madame Bovary mag niet eens meer gelezen worden. Egyptische critici vinden de bedscènes «in strijd met de ethiek en esthetica». Ook de naakte vrouwen van Flaubert zijn geschiedenis. Tot zijn toenemende frustratie blijkt dat de schaarse prostituees in de hotels alleen beschikbaar zijn voor rijke Saoedi’s. Maar Millet wil van geen wijken weten en dwingt de verteller en zijn gastheren van het Franse consulaat hem mee te nemen op een tocht door nachtelijk Cairo, op zoek naar de vrouwen van Flaubert. In een krakkemikkige taxi rijden de mannen van de ene smerige tent naar de andere, waar de meisjes er hoe langer hoe treuriger uitzien. Overal vangt Millet bot.

Op een feestje van het consulaat – dat helemaal uit de hand loopt – fulmineert Millet tegen de «maffe religieuze moraal». «De moslims zijn zo seksueel gefrustreerd dat ze niet meer normaal met westerlingen kunnen omgaan. Vind je het gek dat mensen zichzelf opblazen», briest Millet, «als hun beloning 72 gewillige maagden is? Het is één reusachtige door de islam georganiseerde frustratie! (..) In feite is de hele stad een enorme erectie!»

Het tweede deel van het boek speelt zich af na terugkeer in Frankrijk. De verteller ontvangt een boek in de brievenbus, getiteld Gefascineerd door het ergste. Het is een verslag van de gebeurtenissen in Cairo, Millets kanonnades incluis, alleen nu gaat de schrijver verder; hij voorspelt een exodus van Europese christenen naar de VS en een opleving van het antisemitisme, terwijl Europa in rap tempo islamitisch wordt. Het boek is gesigneerd door Millet, maar op de kaft staat een andere naam.

De publicatie veroorzaakt een enorme ophef. Onderscheid tussen de schrijver en zijn product wordt niet gemaakt. Linkse intellectuelen noemen de schrijver een racist en een islamofoob, terwijl islamitische belangenorganisaties willen dat het boek uit de handel wordt genomen en extremisten de auteur bedreigen met de dood. Ondanks of dankzij de heisa verkoopt de roman enorm, helemaal als de media ontdekken dat de schrijver zich achter een pseudoniem heeft verborgen. Een klopjacht op de onverlaat is het gevolg, en uiteindelijk komt men terecht bij Millet. Deze ontkent het schrijverschap, maar doet dit zo eloquent en erudiet dat iedereen aanneemt dat hij het wel geschreven moet hebben. Met alle gevolgen van dien.

Het tweede deel van uw roman is één groot betoog voor de waarde van fictie.

Florian Zeller: «Om dat tweede deel was het mij vooral te doen. We leven in een periode waarin fictie erg onder druk staat. De term fictie impliceert al dat er verschil is tussen de schrijver en het geschrevene. Die afstand zorgt ervoor dat fictie onaantastbaar is voor censuur. Het is van essentieel belang dat we dat niet vergeten. Ik vind het dan ook belachelijk dat Michel Houellebecq nu al verschillende keren aangeklaagd is voor de fictie die hij heeft geschreven.»

U wordt nog al eens vergeleken met Houellebecq. Gaat die vergelijking op?

«Ik vind Houellebecq een van de belangrijkste schrijvers van het moment. En ja, ik voel me zeer met hem verbonden. Nog afgezien van onze onderwerpen, schrijven we allebei vanuit dezelfde literaire traditie, de Duitse romantiek. Dat is een romankunst waarbij de schrijver alles wat ter sprake komt omzet in literair materiaal. Gedachten, beschouwingen, essays, wetenschap. Alles wordt gebruikt om de lezer naar een bepaald idee te begeleiden. Dat vind je ook in onze schrijfstijl terug, denk ik. Houellebecqs stijl is eigenlijk een non-stijl. Het zijn koude, platte zinnen. Dat bevalt me. Ik geef niets om mooischrijverij; als je je als schrijver te veel bezighoudt met mooie zinnen, mooie vergelijkingen en mooie metaforen, maskeer je het onderwerp waarover je schrijft.»

Met die «non-stijl» die Zeller ook zichzelf toedicht, valt het in werkelijkheid wel mee. Zelf zegt hij er niet op te letten, maar er zit ritme in zijn schrijven. Meer dan eens lijken zijn zinnen komische punchlines. Met rake opmerkingen zet hij karakters in één zin neer («Ze heette Mathilde. Ze werkte op de ambassade en ze had, tussen haakjes, de kop van een zeemonster»).

Is humor belangrijk in literatuur?

«Ik denk dat humor een essentieel onderdeel is van literatuur. Milan Kundera heeft wel eens gezegd dat de roman geboren is als in één paragraaf twee tegenstrijdige gedachten staan. Dat zorgt voor dubbelzinnigheid en daarmee kun je heel mooi de ijdelheid en de dwaasheid van het leven illustreren. Dat geeft literatuur haar kracht.»

Wat is dan precies die kracht?

«Die kracht is bijvoorbeeld duidelijk te zien in de hele Rushdie-affaire, in 1989. Het feit dat ayatollah Khomeini meende dat hij Salman Rushdie ter dood moest veroordelen, illustreert dat Khomeini besefte hoe schadelijk een roman kan zijn. Een roman biedt ruimte voor reflectie en interpretatie, is een plek voor ideeën, een woonplaats voor personages die verschillende waarheden spreken. Voor een ideologie of godsdienst die zegt de waarheid in pacht te hebben, is de roman – die hardop aan elke waarheid twijfelt – een geducht wapen. De roman is per definitie niet ideologisch, terwijl de wereld dat steeds meer wordt. Het is maar afwachten wat de toekomst brengt, maar zoals het nu gaat is de vrijheid van gedachte geen terrein aan het winnen. De toekomst van fictie is onzeker, maar ik hoop dat Europa de romankunst meer gaat beschermen. Anders is die ten dode opgeschreven.»