Marc Mulders schildert de tijdgeest in

«Ik geloof in bakens en restricties»

Marc Mulders maakt schilderijen die tegen de tijdgeest in verwijzen naar religieuze symboliek en traditionele thema’s uit de schilderkunst. «Het taboe herstéllen, dat vind ik avant-garde.»

Marc Mulders gaat nooit op vakantie. Hij moet elke dag schilderen. «Moet dat?» vraag ik. «Nee, dat ís», zegt hij beslist. Om half zeven staat hij op en om half elf gaat hij naar bed. In de tijd daartussen werkt hij in zijn atelier. «Continu, als een havenarbeider.»

Sinds dertien jaar woont hij met zijn vrouw Trudy in de voormalige kloosterschool van de zusters Ursulinen in Tilburg. Die zusters kwamen vroeger nooit buiten. Mulders (1958), geboren en opgegroeid in Tilburg, kan zich nog herinneren hoe hij als vierjarige jongen met zijn moeder een oude tante in het klooster ging bezoeken. «Dan spraken we met haar door de tralies.»

Elke keer als Mulders zijn huis moet verlaten vindt hij dat een kleine opgave, zegt hij. Zijn vrouw en hij bewonen zes voormalige schoollokalen die uitkijken op een weelderige binnentuin. Naast de slaapkamer ligt zijn atelier. Het is er aangenaam licht en leeg. Aan de muur hangt een uit hout gesneden Christusbeeld en op de tafel staat een grote metalen emmer vol halfverdroogde roze rozen. Op vloer en tafel ligt een dikke laag opgedroogde verf.

«Meestal is het hier niet zo’n troep», zegt Mulders, wijzend op drie vellen papier met collages die netjes naast elkaar op de grond liggen. Kartonnen doosjes met tubes verf staan in lange rijen opgestapeld tegen de muur. Een paar doosjes zijn omgevallen. «Dat is niet goed.» Ook de schoenen onder de tafel, die daar zijn uitgeschopt en blijven liggen, zijn hem een doorn in het oog. Hij zet ze weer keurig in het gelid.

Na het winnen van de Prix de Rome in 1985 werd Mulders bekend met schilderijen die zonder ironie en geheel tegen de postmoderne tijdgeest in verwezen naar religieuze symboliek en traditionele thema’s uit de schilderkunst. Zijn werk is altijd controversieel gebleven, al maakten zijn pasteuze doeken van geslachte ossen (naar Rembrandt en Soutine) en bijbelse taferelen in de loop der jaren plaats voor minder nadrukkelijke symboliek. Mulders schildert het verval en de wedergeboorte in de natuur: dood wild in de herfst en de winter, bloemen in de lente en de zomer, en vissen het hele jaar door. Daarnaast decoreert hij handtassen en maakt hij glas-in-lood-ramen, aquarellen en collages, «geheel in lijn met de Jugendstil-attitude».

Met de kunstenaars Paul van Dongen, Reinoud van Vught, Guido Geelen en Ronald Zuurmond vormde hij tot voor kort de Tilburgse School. Maar dat samenwerkingsverband is opgeheven, meldt zijn website.

Waarom zijn jullie uit elkaar?

Marc Mulders: «Guido Geelen, de beeldhouwer van de groep, voelde zich niet meer thuis in het keurslijf van de Tilburgse School. Het is natuurlijk best streng wat we jaren geleden in ons manifest hebben geschreven: dat wat ons voor ogen stond was toch zeker niet de Talpa-kant in de kunst.»

De wat?

«De Talpa-kant noem ik het maar, de wereld van het platte en perverse op tv. Die willen we in ons werk niet nog eens visualiseren. Wij stonden voor het idee van een Ark van Noach, waarin we ons werk wilden stoppen. Omdat dat werk de motieven vertegenwoordigt – de doornenkroon, het landschap, het bloemenhart – van wezenlijk schone zaken die te weinig in de kunsten naar voren komen. Veel kunst is niet meer dan een registratie van geweld en perversiteit, zonder de noodzakelijke dialoog met het goede. Alleen een verkrachting schilderen werkt niet voor mij. Bij Picasso, Balthus, Klossowski en Francis Bacon zie je hoe het geweld in een schilderij onschadelijk wordt gemaakt, tot ruste gebracht. Zodat het te aanschouwen is, ter contemplatie zou je bijna zeggen. Als je daar niet in slaagt, heb je alleen maar een etalage van het kwaad.»

Dat doet me denken aan die kunstenaar die concentratiekamptaferelen schildert, Ronald Ophuis.

«Ja, die slaagt er niet in om geweld te sublimeren, dus op een ander niveau te brengen, waardoor de verschrikking en de schoonheid van het schilderij tegelijkertijd te ervaren zijn.»

«Dat ga ik even opschrijven.» Mulders krabbelt iets op een papiertje.

Wat schrijf je nu op?

Marc Mulders: «Sublimatie, dat is het juiste woord. De symboolfunctie. Dat wil ik onthouden. De niet-gesublimeerde beelden van geweld die we dagelijks op televisie en internet zien, kunnen psychisch heel beschadigend zijn. Als ik om elf uur ’s avonds foto’s zie van die martelingen in de Abu Ghraib-gevangenis, dan kan ik daar niet van slapen. Dus kijk ik geen Nova meer op dat tijdstip. Dan lees ik liever wat in Augustinus. Het is niet dat ik ervoor vlucht – want ik lees Time Magazine en kijk een paar keer per dag naar CNN – maar het heeft geen zin om jezelf op die manier te saboteren.

Ik noem dat het Archie Bunker-effect: als je erg begaan bent met het onrecht dat je dagelijks ziet op televisie, maar daar alleen maar vanuit je luie stoel naar blijft kijken, dan gaat het knagen in jezelf en word je cynisch en reactionair.

De videoclips op mtv vind ik fascinerend. Daar zitten vaak heel mooie tussen. Maar op mtv is ook een grote liefdeloosheid te zien: programma’s als Jackass, waarin een man kots doorgeeft in de mond van een ander, om maar iets te noemen.»

In een film van Ian Kerkhof komt ook een scène voor waarin twee mannen masturberen en kotsen in elkaars mond. Toevallig las ik laatst dat Kerkhof als voorbereiding voor die film feesten afging waar mensen stront aten. Van over de hele wereld kwamen mensen naar Eindhoven om daar stront te eten.

(stamelt) «Dat meen je niet.»

Ja, want daar is dat legaal. Hoe dan ook, toen zat-ie op zo’n feest aan de bar en kwam er een beer van een vent op hem af – onder de stront – die hem een drankje aanbood. Wat Kerkhof ontroerend vond, was dat die man terugkwam met dat drankje, sinaasappelsap was het geloof ik, en daarvoor speciaal zijn handen had gewassen. Dat zo iemand toch nog aan zijn medemens denkt.

«Tjezus ja…»

Grappig hè? Toch.

«Nee, ik vind het tragisch… ja… ik vind het… tragisch.»

In datzelfde interview zegt Kerkhof dat we allemaal vies en vunzig zijn en dat we de vrijheid voorbij grenzen en normen moeten zoeken.

«Nou, ik zeg het tegenovergestelde. Het kan wel zijn dat stront eten een obsessie is voor die mensen, maar de mens heeft toch een rede gekregen, en een vermogen tot analyse en discipline. De ultieme vrijheid is niet dat er geen taboes meer bestaan. Controle en beheersing is vrijmaking. Lees maar wat Willem Jan Otten heeft geschreven over pornografie en hoe hij daar vroeger een gevangene van was. Ik geloof erg in bakens en restricties, niet in regressieve vorm, maar in genereuze zin, je moet een strategie bedenken voor je leven. Dat bedoel ik heel eenvoudig. Zo is het voor mij goed om elke ochtend te gaan hardlopen en weet ik uit ervaring dat ik niet op vakantie naar Londen moet gaan, omdat ik daar onrustig van word. Strategie betekent dat je jezelf onder controle houdt zodat je iets kunt betekenen voor anderen. Je moet hard werken om jezelf te vervolmaken. Ik heb daar mijn geboortegrond, mijn huis en mijn kerk voor nodig.»

Welke destructieve neigingen heb je leren bedwingen?

Marc Mulders: «Destructief is een groot woord, maar ik kon vroeger behoorlijk driftig zijn. Overigens kan destructie wel een zinvol instrument zijn in het scheppingsproces van het schilderen. Ik vernietig nog steeds doeken, ook als ze terugkomen van een expositie. Maar dat is een weloverwogen daad inmiddels. Niet uit een drift, maar uit teleurstelling dat het doek toch niet spreekt zoals ik dacht.»

Er wordt je wel eens een domineesattitude verweten.

«Ach ja, ik ben debielkatholiek genoemd, de ayatollah van het zuiden, laatst hoorde ik weer dat men mij de meest reactionaire taal vond uitslaan op de radio. Toen ik in een recensie weer eens werd afgeserveerd als een dominee met vermanende vinger, heb ik daar een collage over gemaakt. Want ik vond dat een enorm zwaktebod. In mijn vakgebied bestaat nu al twintig jaar geen enkel discours over dit soort zaken. Als je je druk maakt om de misère in de wereld en je gebruikt de instrumenten religie, moraal en ethiek om daar werk over te maken, dan komt de pers ineens niet verder dan een oneliner. Wel vinden ze het tof als je een plasseksfoto maakt en geen commentaar hebt verder. Critici als Janneke Wesseling van NRC vinden nog steeds dat kunstenaars het taboe moeten doorbreken. Daar zijn ze heel stalinistisch in. Het taboe herstéllen, dat vind ik avant-garde.»

Heb je religie nooit als verstikkend ervaren?

«Ik geloof dat mijn vrouw wel eens onheus is bejegend door de zusters, en ik kan me ook herinneren dat er een paar enge paters waren, maar gelukkig heb ik geen negatieve ervaringen met het geloof. Maar ik begrijp heel goed dat dit voor sommigen anders is geweest.»

Rond je zestiende ben je tijdelijk van het geloof gevallen.

«Ja, toen spijbelde ik van de kerk, maar dat vonden mijn ouders niet erg. De hele maatschappij was in de jaren zeventig even klaar met de kerk. Die sloeg toen een beetje door, met beatmissen en zo, en relirockers.

Later, op de academie, had ik communistische sympathieën. Totdat ik me er echt in ging verdiepen. Ik wilde begrijpen waarom die prachtige communistische idealen van Tatlin en Lissitzky – het samengaan van kunstenaars en het volk – hebben geleid tot de fascistoïde staat die de Sovjet-Unie uiteindelijk is geworden. Aan de andere kant las ik voortdurend in de brieven van Van Gogh en zijn alle werken van Augustinus voor mij ontzettend belangrijk geweest. Beide werelden gaan namelijk over de hunkering naar verzoening met de medemens, het zoeken naar wegen om naastenliefde te tonen en jezelf te beteren daarin: de constante zang van Van Gogh over de natuur als religieuze manifestatie, die roep naar zijn vriend Gauguin om een verbond aan te gaan.

In lijn van deze grote inspirators is mijn kunstenaarschap nauw verbonden met mijn levenswijze. Ronald Zuurmond zei het laatst mooi: ‹Ik schilder eigenlijk alleen om mezelf te leren kennen.› Daar bedoelde hij mee dat hij op die manier nadenkt en zoekt naar verbinding met zijn omgeving. Het Latijnse woord ‹religiare› – verbinden – zegt dat al: religieus zijn betekent verbinding zoeken. Dat kan natuurlijk op allerlei manieren, maar ik weet inmiddels wel wat mijn ‹missie› is: een Ark van Noach bouwen, elke dag weer in het atelier.»

Armando – Mulders – Zuurmond: Schilders pur sang, Armando Museum, Amersfoort, tot en met 12 november