Interview: Nilgün Yerli

«Ik geloof in sprookjes»

Cabaretière Nilgün Yerli probeert haar publiek te prikkelen tot mildheid. «Ik word soms wanhopig van de angst voor elkaar.»

ZAANDAM – Op een gure zaterdagavond ligt het Zaantheater, badend in de kerstverlichting, er bij als een baken van gezelligheid. Op het pro gramma staat de onemanshow Bang Bang van Nilgün Yerli. Het publiek van de Turks-Nederlandse cabaretière en schrijfster wordt gedomineerd door de groep die volgens de statistieken het meest leest en naar the ater gaat: autochtone vrouwen tussen de 35 en zeven tig jaar. Sommige hebben hun man meegenomen. Turkse vrouwen zijn er mondjesmaat. Zoals de zusjes, beiden met hoofd doek, Fatima en Havana van 22 en 23 jaar, die wat terughoudend met Zaanse tongval zeggen dat ze haar «ge weldig vinden omdat ze de zelfde achtergrond heeft». En Findik, type moderne zakenvrouw van Turkse afkomst, die haar goed vindt omdat ze «prach tig zingt in het Turks en subtiel zware onderwerpen aan de kaak stelt».

Nilgün Yerli (1969) zoekt met lichte spot naar de rafelranden van integratie en culturele verschillen. De monomanie van religies stelt ze, bijna wanhopig, ter discussie. Scherp aanvallen zal ze nooit doen. En dáárvoor zijn de mensen naar het theater gekomen. Ze laten zich een milde spiegel voorhouden over de verhoudingen binnen de multiculturele samenleving.

«Grofheid is er al genoeg», menen Tine, Martha, Maria en Mieke, die in de foyer een kopje koffie drinken. De dames met grijze kapsels en handtasjes om de schouder hebben Yerli’s boek De garnalenpelster gelezen bij hun boekenclub. «Ze kaart dingen aan waar wij ons vijftien jaar geleden al over verbaasden. Ze heeft ons helemaal ingepakt.»

Wanneer Yerli een kwartier later opkomt als een nederige Turkse plattelandsvrouw in een lange vormeloze jurk met een grote hoofddoek, een stereotiepe eerste-genera tie- mi grant, begint onmiddellijk het gegiechel in de zaal. In verbasterd Nederlands zegt ze: «Wat is nou integratie, is dat stamppot boerenkool koken? Is dat een kalender op de wc? Is dat de rok boven de knie? Is dat de hoofddoek af? Of is het goed Nederlands spreken?» De zaal klapt. Yerli sneert: «Deze grap maakte ik elf jaar geleden ook, en nog steeds is het actueel.»

Ze switcht moeiteloos van het ene proto type naar het andere. De onhandige Turkse migrant, een nuchtere Groningse boerin, een kakmadam uit het Gooi, een assertieve Surinaamse en een grove Amsterdamse babbelen samen in de wachtkamer van de dokter. Yerli speelt ze afwisselend. De Surinaamse zegt te gen de Turkse: «Ik moet even wat kwijt over die Hirsi Ali, hoor. Ze doet van alles voor die moslimvrouwen, maar jullie zijn alleen maar on dank baar, hoor.» De Groningse zegt: «We zijn wel blij met die moslims, ze verenigen de Nederlanders en dat is toch prachtig.»

Maar als het over geloof gaat, wordt ze serieus. Aanvankelijk maakt ze nog een grap over het ritueel van vijf keer bidden tot Allah door het af te schilderen als een sportprestatie en God te beschouwen als een fitnessleraar die de mensen gezond houdt. Maar dan begint ze een dialoog met God, die vanuit een microfoon aan een snoer boven haar hoofd spreekt met de stem van Sinterklaas. Ze is boos, omdat ieder geloof Hem misbruikt als de ex clusieve waarheid. Op de achter grond worden dia’s geprojecteerd van overbekende beelden uit het nieuws. De neergehaalde Twin Towers, het lijk van Van Gogh, een zelfmoordenares met een bommengordel, de vrouw van Submission I: het zijn moderne iconen van religieus leed. Aan God vraagt ze: «Mag ik u een nieuwe naam geven. Mag ik u ‹leven› noemen?» Aan het einde van de voorstelling rijdt ze op een witte omafiets met onder de snelbinders de thora, de bijbel en de koran vrolijk het podium af. Ze roept tegen de zaal: «Ben ik dit? Is dit leven?»

Na afloop in de kleedkamer is Nilgün Yerli afgeschminkt en in spijkerbroek nog even ex pressief als tijdens de voorstelling. «Ik zit nog in mijn adrenaline», zegt ze. Ze lijkt op wie ze is op het toneel. Aardig, zoekend, relativerend met humor.

Religie houdt haar bezig, zeker nu ze net een zoon heeft gekregen. Ze heeft als symbool tegen «al dat hermetische uitsluiten van de monotheïstische godsdiensten» hem drie na men gegeven: Istemi (islamitisch) Noyan (chris telijk) Leon (joods). «Toen ik zwanger was, dacht ik: in welke wereld zet ik dit kind? Ik zoek naar de eenheid van religies. In ieder mens schuilt God, ik zie hem niet als een heilige waarheid. Het gebrek aan humor bij alle geloven is doodzonde. Ik zeg vaak tegen moslimfundamentalisten, die het niet kunnen verkroppen dat ik de profeet met humor benader: dat is niet hem bespotten, maar juist menselijk neerzetten. De profeet Mohammed was iemand met humor.»

Ze wordt er wel eens moe van. Ook van de politiek. Onlangs gaf ze een optreden in het Amsterdamse Carré, waar ze artiesten van alle religies bijeen had gebracht voor een gezamenlijk optreden. Ze had ook de Haagse politiek uitgenodigd. «Niemand kwam. Alleen minister De Geus had netjes afgezegd. Maar wél was Job Cohen er. Na afloop kwam hij naar me toe. Het wordt vaak zoetsappig genoemd. Ik vind hem een meester van fatsoen. Hij verliest nooit zijn hoffelijkheid. Ik heb voor deze voorstelling hard geploeterd om niemand te kwetsen. Ik wil ook niet scherper worden in mijn shows, zoals sommigen tegen me zeggen. Dat kan ik niet. Dat ben ik niet.»

Van tevoren heeft ze met veel vrouwen, met name moslims, gesproken om te horen wat er leeft. «Ik heb geprobeerd in de zes types die ik neerzet op het podium de verschillende me nin gen te vangen. Zelden hoor ik dat iemand Hirsi Ali goed vindt. Zelf ben ik deels wel positief over haar. Maar alleen, doe dat niet met een bom die vooral scherven achterlaat.»

Van haar publiek krijgt ze veel reacties. «Mensen vinden het heerlijk om nu eens niet al dat geschreeuw te horen. Dat hoor ik vooral van oudere mensen en van jongeren. Mijn show moeten mensen ervaren als een warm bad.» Maar ze krijgt, uiteraard, ook veel gescheld over zich heen. Vooral om haar columns in Het Parool. Alle clichés komen langs. Als ze iets grappigs schrijft over moslims, dan is ze een vieze slet en een nestbevuiler. Als het gaat over het onfatsoen binnen de Nederlandse samenleving, dan is ze een vieze Turk, die moet oprotten naar haar eigen land. «Maar Nederland is mijn land. Ik ben geboren in een klein dorp in Turkije, het licht van dit polderland is van mij. Ik hou zielsveel van Nederland.»

Hoewel ze zich er niet door laat raken en vaak persoonlijk terugmailt – «iedereen die ik weet te winnen is er één» – is ze langzamerhand wel somber. «Onlangs zei ik tegen de hoofd redacteur van Het Parool dat ik ermee op wil houden. Al die haat, het wordt erger en meer.»

Ophouden, dat zal ze niet doen. Wel voelt ze steeds meer onmacht. «Toen ik begon met de integratie was het nieuw. Het is nu net of ik weer opnieuw moet beginnen. Ik geloof in middels niet meer in een betere wereld. Maar wel in de liefde. Iedereen heeft dat nodig, ook fanatici.»

Zelf heeft ze het net allemaal mogen meemaken: de liefde. «Met al dat gereis van theater naar theater – en dat is heel eenzaam – dacht ik vaak: ik krijgt nooit een man. En opeens was hij er. Ik heb hem leren kennen bij vrienden in Turkije. Dat is nou het grappige: zijn vader heb ik acht jaar geleden een keer ontmoet. Het klikte tussen ons. Ik dacht toen: had ik maar zo’n vader. Hij gaf mij als cadeau een sprookjesboek. Jaren later bleek deze man de vader te zijn van mijn nieuwe geliefde. Het boek lees ik nu voor aan mijn zoon. Ik geloof in sprookjes. En ik sterf liever dan dat ik in angst leef.»

T