Interview dierenfilosoof Peter Singer

«Ik geloof niet in de goedheid van de mens»

Volgens ‹The New Yorker› is Peter Singer (56) «de meest invloedrijke levende filosoof». Met ‹Animal Liberation› brak hij in 1975 een lans voor het dierenwelzijn, zijn nieuwe boek heet ‹Eén wereld: De noodzaak van een mondiale ethiek›.

Wist u dat hier een Animal Liberation Front bestaat?

Peter Singer: «Nee, maar ik weet wel van soortgelijke actiegroepen elders in de wereld, soms zelfs met dezelfde naam. Ik deel uiter aard hun bezorgdheid om het welzijn van de dieren, maar ik ben niet overtuigd van hun methodes. Ik heb wel eens steun verleend aan lui die een legbatterij waren binnengebroken, een paar kippen stalen, en voor de camera’s lieten zien hoe ongezond en ongelukkig die eruitzagen. Maar daar houdt het op. Ik vind het geen goed idee nertsen uit fokkerijen te gaan bevrijden en zomaar los te laten. De meeste zullen snel sterven en de dieren die het een tijdje uitzingen, zullen lelijk huishouden onder het pluimvee dat ze op hun weg tegenkomen. Ook een McDonald’s in brand steken lijkt me nutteloos, en zelfs contraproductief als je zieltjes wil winnen voor het dierenwelzijn — en dáár gaat het uiteindelijk om.»

Hoe ver gaat u zelf: eet u bijvoorbeeld eieren?

«In principe eet ik geen dierenproducten, maar als iemand me eieren van kippen met vrije uitloop voorzet, zal ik ze niet weigeren.»

Oesters?

«Zelf zal ik ze nooit kopen, maar als ik ze geserveerd krijg, eet ik beleefd mijn bord leeg. Oesters kunnen geen pijn voelen, hè.»

Draagt u wol of leer?

«Ik probeer wol te vermijden, maar ik moet toegeven dat er in mijn kleerkast nog altijd enkele stukken hangen die wol bevatten. Ik ben strikter als het over leer gaat, er zijn inmiddels genoeg goede alternatieven.»

Drie hamvragen. Eén: zou u bij hartproblemen de hartklep van een varken laten inplanten?

«Ik zou eerst alternatieven zoeken. Maar als de dokter me verzekert dat er echt geen andere manier is om mijn leven te redden, aanvaard ik die hartklep wellicht wel. Als de keuze gaat tussen mezelf en een varken, kies ik toch voor mijn eigen leven, ook al omdat het varken waarschijnlijk sowieso gedood zou worden.»

Twee: hebt u uw huisdieren ooit vlees te eten gegeven?

«Voor onze kat kocht ik geregeld vis. We hadden wel allerlei vegetarische recepten, maar de kat wilde er niet aan — we moesten ze dus wel vis voorschotelen. Het is een lastige kwestie, daarom wil ik geen katten meer houden.»

Drie: vindt u dure medische behandelingen voor dieren ethisch verantwoord?

«Nee, er zijn grenzen. Voorop staat natuurlijk dat een dier zeker niet mag lijden, maar als daar alleen voor gezorgd kan worden met een dure behandeling, vind ik euthanasie een betere oplossing. Ik stel het behoud van een dierenleven niet gelijk met dat van een mensenleven, want mensen kunnen vooruitdenken en plannen voor de toekomst maken.»

Bent u het eens met Ingrid Newkirk van PETA (People for the Ethical Treatment of Animals): «Zelfs als het om een middel tegen aids gaat, dan nog zijn we tegen dierproeven. Ook de mens heeft geen absoluut recht op leven.»

«Nee. Als aids te genezen was dankzij experimenten op een kleine groep dieren, zou ik dat aanvaardbaar vinden. Maar een beter idee vind ik diezelfde proeven te doen op baby’s zonder hersenen. Ik blijf bij mijn standpunt dat jaren geleden enige ophef veroorzaakte: als wetenschappers moeten kiezen tussen een aap, een hond of een baby zonder hersenen om proeven op uit te voeren, vind ik zonder enige twijfel dat ze voor de baby moeten gaan — een foetus of baby zonder hersenen zal immers nooit een bewust mens worden, zal nooit reageren op andere mensen en nooit relaties ontwikkelen.»

In uw nieuwe boek ‹Eén wereld› hebt u het over de globalisering. Ziet u een verband met uw vroegere werk?

Peter Singer: «Ik heb het vaak over onterechte grenzen aan moreel gedrag. In Animal Liberation had ik het over de soortgrens: eeuwenlang hebben alleen mensen op onze morele bezorgdheid kunnen rekenen. In Eén wereld behandel ik een letterlijke grens: die van het eigen land. De meeste mensen, zeker in de rijke landen, gaan voorbij aan elke morele overweging als het over mensen buiten de grenzen gaat. Dat is funest in een geglobaliseerde wereld, waarin aan de lopende band grenzen worden geslecht. Op lange termijn kan de globalisering een stap in de richting van een minder verdeelde, rechtvaardiger wereld zijn. Maar dan moeten eerst moeilijkheden worden overwonnen, en dat zal onvermijdelijk met veel leed gepaard gaan. Het belangrijkste is dat in de hoofden van de mensen het besef groeit dat we in één wereld leven, dat mensen zich even betrokken gaan voelen bij de rest van de wereld als bij hun eigen familie.»

Dat wordt lastig, want het gaat regelrecht in tegen onze intuïtie.

«Ik verwacht van niemand dat hij het belang van een vreemde boven dat van een familielid stelt — om duidelijke evolutionaire redenen gaat dat tegen onze aard in. Maar als het over grote groepen mensen gaat, speelt onze aard minder mee: mensen zijn best in staat om in te zien dat er niet zoveel verschil is tussen een landgenoot en iemand van net over de grens. Ik geloof niet in de goedheid van de mens, maar wel in ons rationeel vermogen om problemen te begrijpen, en vanuit dat begrip onze donkere kant onder controle te houden. Het zal altijd een gevecht blijven, maar ik denk dat we dankzij onze lichtere kant een steentje kunnen bijdragen om de wereld een beetje beter te maken.»

U bent op de lange termijn optimistisch.

«Dat klopt, maar op korte termijn ben ik juist erg pessimistisch. Het ergste gevolg van de 9/11-aanslagen is dat ze de weg hebben bereid voor een coup binnen de regering-Bush: de neoconservatieven werden plots mainstream in plaats van extreem en gingen een beslissende invloed op de president uit oefenen. Hun verlangen naar een Amerikaanse wereldsuprematie, afgedwongen met militair machtsvertoon, domineert sinds 9/11 de buitenlandse politiek van Bush.»

Ziet u heil in het «top-hoppen» van de andersglobalisten?

«De eenzijdige retoriek van de andersglobalisten heeft mijn enthousiasme voor het top-hoppen een beetje getemperd. Ik ben er meer voor koel naar de feiten te kijken, te zien waar het fout loopt en na te gaan hoe onrecht kan worden gecorrigeerd. Ik kan me niet vinden in de simplistische voorstelling van zaken van de tegen- én de voorstanders van de globalisering. Top-hoppen heeft zijn nut zeker bewezen: veel mensen waren zich niet bewust van de duistere kant van de globalisering, en dat is sinds Seattle ten goede veranderd. Maar nu is er volgens mij niet veel meer te bereiken door te gaan betogen telkens als de Wereldhandelsorganisatie (WTO) of het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ergens vergadert — hoe meer je het doet, hoe kleiner het effect wordt. Nu moet er een andere tactiek worden gevolgd: met lobbywerk en beïnvloeding via de publieke opinie in heel concrete dossiers druk uitoefenen.»

Het probleem is dat de internationale instellingen niet behoorlijk functioneren: Joseph Stiglitz noemt de Wereldbank en het IMF voorbeelden van «perverse globalisering».

«Hij heeft gelijk. Een aantal mensen, onder wie Joseph Stiglitz, heeft de Wereldbank van binnenuit proberen te hervormen en heeft de tanden erop stuk gebeten. En toch moet een hervorming mogelijk zijn. De evolutie van de WTO stemt me alvast hoopvol: de ontwikkelingslanden hebben een belangrijker stem in de organisatie gekregen, er is geld vrijgemaakt voor de opleiding van kaderleden uit de Derde Wereld, zodat ze écht aan de discussie kunnen deelnemen. Veel hangt af van wat het kleine groepje wil dat de macht in handen heeft in de Wereldbank, het IMF en de WTO.»

Volgens Naomi Klein vloeit de huidige toestand logisch voort uit de aard van de vrije markt.

«Ja, maar ik denk niet dat we daarom helemaal van de vrije markt afmoeten. We moeten proberen de voordelen ervan te behouden, maar de drastische en gewelddadige invloed ervan te beperken. Waarom zou de vrije markt altijd ongecontroleerd moeten functioneren?»

Econoom Harold James voorspelt een enorme crisis als er aan het systeem wordt gesleuteld.

«Ik zie niet in waarom het systeem geen verandering zou kunnen verdragen. Wie zegt dat het redelijk goed werkt, bedoelt eigenlijk: het werkt redelijk goed voor sommige landen, waaronder het mijne, en ronduit slecht voor andere landen. Het is veel gemakkelijker voor een status-quo te pleiten als je in Amerika of België woont, dan als je in Mozambique of Bangladesh woont.»

Bent u het eens met Noreena Hertz, die in ‹De stille overname› stelt dat de échte macht tegenwoordig niet in handen van de overheid maar van het bedrijfsleven ligt?

«Nee, ik zie big business niet als een grote samenzwering: alle bedrijven verdedigen hun eigen belangen en die lopen niet altijd parallel, zelfs niet als ze in dezelfde sector actief zijn. Bovendien heeft de regering-Bush laten zien dat ze naar eigen goeddunken kan handelen. In de aanloop naar de oorlog in Irak deed Wall Street het goed telkens als iets erop wees dat er géén oorlog zou komen. Het bedrijfsleven wilde deze oorlog niet, want men was redelijk tevreden met de stabiele situatie die er onder het bewind van Saddam in de regio heerste. En toch is de oorlog er gekomen.»

U geeft twintig procent van uw inkomen aan goede doelen. Waarom beperkt u zich tot twintig procent?

«Ik ben indertijd begonnen met tien procent, maar naarmate ik het financieel beter kreeg, ben ik steeds meer gaan geven. Dit jaar plan ik maar weer eens een verhoging. Ik klop me daarvoor niet op de borst, hoor, want uiteindelijk breng ik niet bepaald een groot offer. Maar ik vermeld het graag om het vooroordeel onderuit te halen dat ik koel, onpersoonlijk of al te rationeel zou zijn. Ik beschik over behoorlijk veel medelijden en emotionele sympathie — bijvoorbeeld voor kippen uit legbatterijen, of voor mensen die het moeilijk hebben om te overleven en hun kinderen te voeden.»

Michael Spector suggereerde dat u uw coulante theorieën over euthanasie plots liet varen toen uw moeder alzheimer kreeg.

«Dat heeft hij niet helemaal juist weergegeven. Het is niet zo dat ik niet meer in het reine kon komen met mijn theorie toen ze plots mijn eigen leven ging beroeren, het was gewoon geen geval waarin euthanasie overduidelijk gerechtvaardigd was: mijn moeder lééd niet. Bovendien hing de beslissing niet alleen van mij af; er waren andere familieleden bij betrokken. Als het helemaal aan mij had gelegen, had ik mijn moeder toegestaan een paar maanden eerder te sterven. Ze was in een stadium gekomen waarin haar levenskwaliteit het leven niet waard was.»

«Filosofen moeten schokken», luidt uw adagium. Mikt u met uw boeken op een «shock and awe»-effect?

Peter Singer: «Ik zou die uitdrukking zeker niet gebruiken, maar ik denk dat het goed is als filosofen de zelfgenoegzaamheid van mensen verstoren. Het zou goed zijn als ik hetzelfde kon bereiken als Socrates; die stelde mensen vragen en toonde aan dat hun geloofspunten met elkaar in tegenspraak waren.»

‹Eén wereld› is minder schokkend dan uw vroegere werk. Bent u met het ouder worden milder geworden? U hebt ook net een boek uitgegeven over uw grootvader.

«Dat nieuwe boek is geen sentimentele bedoening, hoor. Ik veronderstel dat Eén wereld inderdaad minder choquant is, omdat ik door de zaken rationeel te bekijken op een soort middenpositie ben uitgekomen, tussen de extreme standpunten van de voor- en tegenstanders van de huidige globalisering in. Maar ik word niet milder, ik zweer mijn vroegere standpunten niet af.»

U blijft het bijvoorbeeld rechtvaardig vinden dat ouders een aan hemofilie lijdende foetus aborteren en «vervangen» door een ander kind?

«Zeker, het argument blijft dat het geluk van dat tweede kind groter zal zijn. Maar als een ander koppel zich geen zorgen maakt over die ziekte en dat aan hemofilie lijdende kind wil adopteren, mag die foetus niet worden gedood maar moet het kind aan dat andere koppel worden gegeven. Dat is in onze maatschappij wellicht de meest waarschijnlijke gang van zaken.»

Is het in die redenering geen logische volgende stap dat mensen door middel van genetische manipulatie naar eigen goeddunken een kind gaan samenstellen?

«Voor we voor voldongen feiten worden geplaatst, zouden we er maar beter ernstig over nadenken of we koppels toestaan via genetische screening hun kind te selecteren. Iedereen vindt dat oké om handicaps te vermijden, maar wat als je via genetische manipulatie IQ, lengte of kleur van haren of ogen kan vastleggen? Volgens mij is het onvermijdelijk dat kinderen in de toekomst minder natuurlijk dan vroeger ontstaan — althans, voor wie het kan betalen. Daar heb ik nog het meest problemen mee: als de rijken zich genetische screening kunnen permitteren, wordt de maatschappij verder opgesplitst in arm en rijk. Maar een verbod lijkt me praktisch niet haalbaar. Het is ook geen goed idee want ik zie veel voordelen: als een kind wordt geboren met het vooruitzicht op een goede gezondheid, een goed humeur en een waaier aan vaardigheden en talenten, is dat toch goed voor het kind zelf en voor de maatschappij?»

Nog een stap verder: gelooft u dat de raëlieten een kind hebben gekloond?

«Nee, anders hadden ze wel toegestaan dat moeder en kind door derden werden onderzocht. Ik weet niet hoelang het nog duurt voor er een mens wordt gekloond, dokter Severino Antinori schijnt er druk mee bezig te zijn. Ik heb er geen ethische problemen mee, maar wel praktische: de kans is erg groot dat een gekloond kind grote handicaps zal hebben. Pas als iemand me kan verzekeren dat de techniek ver genoeg is om dat te vermijden, kan klonen voor mij. Maar ik moedig het niet aan, want ik vind het een verlies van tijd en energie.»

Wat vinden uw drie dochters over uw standpunten?

«Ze zijn op de hoogte.»

Heeft uw derde dochter zich nooit vragen gesteld bij deze uitspraak van u: «Als je al twee jongens hebt en een meisje wilt, lijkt het me gerechtvaardigd de zwangerschap af te breken als je in verwachting bent van een jongen.»

«Ik zou het niet steunen een zwangerschap af te breken als je een meisje gaat krijgen terwijl je een jongen wil, omdat dat seksuele discriminatie zou zijn. Maar als je al twee jongens hebt en dán een meisje wilt, zie ik geen probleem. Het gaat tenslotte over een foetus, niet over een kind. Zodra het geboren is, mag een kind niet worden gedood, maar moet het voor adoptie worden weggegeven. Maar dat was een ethisch vraagstuk, niet iets uit mijn eigen leven. Ik zou na twee meisjes heel gelukkig zijn geweest met een jongen. Maar mijn vrouw en ik hebben indertijd het geslacht niet op voorhand laten bepalen — we waren blij en bereid elk kind met open armen te ontvangen.»

Peter Singer

Eén wereld: De noodzaak van een mondiale ethiek

Uitg. Lemniscaat, 240 blz., € 19,95

Een uitgebreidere versie van dit interview is verschenen in Humo